Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13827

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
NL18.2642 & NL18.2643
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende asielaanvragen, Afghaans gezin, documenten ter onderbouwing problemen ingebracht, uitgaan advies Bureau Documenten, geen art. 15c situatie in Kabul, geen verblijfsvergunning asiel verleend i.v.m. medische problemen dochter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.2642 & NL18.2643


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2018 in de zaken tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

mede namens hun minderjarige kinderen,

[kind 1], V-nummer [V-nummer]

[kind 2], V-nummer [V-nummer],

gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).


Procesverloop
Bij besluiten van 16 januari 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Tevens is S. Ostadhasanbanna als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1989 en eiseres stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1988. Eisers stellen de Afghaanse nationaliteit te hebben. Eisers hebben op 16 december 2016 de onderhavige aanvragen ingediend.

Eisers hebben eerder, op 11 maart 2015, aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluiten van 10 april 2015 zijn deze aanvragen afgewezen. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 april 2015 zijn de hiertegen ingediende beroepen ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 5 augustus 2015 kennelijk ongegrond verklaard.

2. Eisers hebben – samengevat weergegeven – aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat de familie van eiser na diens vertrek uit Afghanistan in de problemen is gekomen met de Taliban. De vader van eiser is door hen bedreigd en wordt momenteel vermist. Ter onderbouwing hebben eisers een tweetal documenten, te weten een aangifte en een brief aan het directoraat Criminaliteitsbestrijding, met vertalingen overgelegd. Met deze documenten kunnen eisers thans wel aantonen dat eiser in Afghanistan problemen met de Taliban heeft ondervonden waardoor zij het land hebben moeten verlaten. Daarnaast heeft [kind 2] (hierna: [kind 2]) het syndroom van Sturge-Weber en moet zij hiervoor in Nederland operaties ondergaan. In Afghanistan kan zij geen medische behandeling krijgen. Als gevolg van de problemen van [kind 2] heeft eiseres psychische problemen gekregen en wordt zij behandeld door een psycholoog. Bij terugkeer naar Afghanistan vrezen eisers dat eiser door de Taliban zal worden gedood.

3. Verweerder heeft de aanvragen van eisers op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen als ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft de volgende elementen in de asielrelazen van eisers als relevant gekwalificeerd:

1) eisers hebben een tweetal documenten ingediend die hun eerder gestelde problemen zouden onderbouwen;

2) eisers beroepen zich op de medische situatie van [kind 2];

3) eisers beroepen zich op de medische situatie van eiseres.

Verweerder heeft de verklaringen van eisers over de gestelde problemen in Afghanistan niet geloofwaardig geacht. De ingebrachte documenten leiden niet tot een ander oordeel dan reeds in de voorgaande asielprocedure vast is komen te staan. Hieraan heeft verweerder de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 3 november 2016 (het onderzoek van Bureau Documenten) ten grondslag gelegd.

Eisers kunnen niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag) en hebben ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten. Op hetgeen eisers in dit verband hebben aangevoerd, wordt in het navolgende ingegaan.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. Eisers voeren aan dat er concrete aanknopingspunten voor twijfel zijn aan de juistheid dan wel de volledigheid van het onderzoek van Bureau Documenten en dat verweerder derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door dit onderzoek aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen.

7.1.

De rechtbank stelt voorop dat de problemen die eiser in Afghanistan met de Taliban stelt te hebben ondervonden in de voorgaande asielprocedure ongeloofwaardig zijn bevonden. Bij uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2015 staat dit oordeel in rechte vast. In de huidige procedure hebben eisers een aangifte wegens doodsbedreiging en een brief aan het directoraat Criminaliteitsbestrijding ingebracht waarmee zij willen onderbouwen dat eiser in Afghanistan wel degelijk problemen heeft ondervonden. Bij hun aanvraag hebben eisers een rapport van Jawad Hassan Zadeh van Arianna Expert Research & Consultancy van 16 juni 2015 (het rapport van Arianna Expert Research & Consultancy) overgelegd waaruit naar voren komt dat de ingebrachte documenten als echt moeten worden aangemerkt. In opdracht van verweerder heeft Bureau Documenten de ingebrachte documenten onderzocht en het rapport van Arianna Expert Research & Consultancy in dit onderzoek betrokken. Bureau Documenten is tot de conclusie gekomen dat de overgelegde aangifte niet origineel is en dat niet kan worden vastgesteld of dit document inhoudelijk juist is. Wat betreft de overgelegde brief heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat, gelet op het ontbreken van voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal van dit specifieke document, geen oordeel kan worden gegeven over de echtheid van het document, niet kan worden vastgesteld of het document door een daartoe bevoegde instantie is opgemaakt en afgegeven en niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.

7.2.

Een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek is een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden, waarvan hij in beginsel mag uitgaan. Indien verweerder een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient hij zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb van te vergewissen dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Indien dit het geval is, kan de desbetreffende vreemdeling de uitkomst van het advies slechts met succes bestrijden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling.

7.3.

In beroep hebben eisers gesteld dat Bureau Documenten er ten onrechte van is uitgegaan dat een kopie van de aangifte is overgelegd. Eisers geven aan dat zij het origineel met de bijbehorende enveloppen hebben ingebracht. Dit blijkt volgens hen uit het rapport van Arianna Expert Research & Consultancy, nu daarin melding wordt gemaakt van een originele aangifte. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers verzocht om inzage van de documenten die door Bureau Documenten zijn onderzocht. De rechtbank stelt vast dat Bureau Documenten de discrepantie tussen de aan haar aangeboden aangifte en de aangifte die vermeld wordt in het rapport van Arianna Expert Research & Consultancy heeft opgemerkt en eisers heeft verzocht het originele document alsnog voor onderzoek aan te bieden. De enkele stelling in beroep van eisers dat zij de originele aangifte wel hebben overgelegd, is gelet hierop onvoldoende om de conclusie van Bureau Documenten dat het een kopie betreft te weerleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding de documenten die Bureau Documenten heeft beoordeeld op te vragen of tot heropening van de behandeling van de zaken over te gaan.

Wat de overgelegde brief betreft, heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat er onvoldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal is om een oordeel te kunnen geven over de echtheid van dit document. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3804) ligt het op de weg van de vreemdeling om de authenticiteit van het aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde document aan te tonen. Eisers zijn hierin niet geslaagd. Zij hebben weliswaar het rapport van Arianna Expert Research & Consultancy overgelegd maar Bureau Documenten heeft gemotiveerd bestreden waarom hetgeen is overwogen in dit rapport niet wordt gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van Bureau Documenten – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent. Nu eisers de uitkomst van het onderzoek niet door middel van een contra-expertise hebben bestreden, heeft verweerder van dit onderzoek mogen uitgaan.

8. Eisers voeren aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de veiligheidssituatie in Afghanistan, in het bijzonder in Kabul, niet is verslechterd zodat thans wel sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (artikel 15c-situatie). Eiseres loopt bovendien als vrouw een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in Afghanistan. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar United Nations Assistance Mission in Afghanistan (UNAMA), ‘Afghanistan: Protection of Civilians in Armed Conflict – Annual Report 2017’, van februari 2018; ‘General Security Situation in Afghanistan and Events in Kabul’, beschikbaar op ecoi.net, laatste update van februari 2018; VluchtelingenWerk, ‘standpunt Afghanistan’, van 6 oktober 2017; Amnesty International, ‘Forced Back to Danger: Asylum-seekers Returned from Europe to Afghanistan’, van 5 oktober 2017; European Asylum Support Office, ‘Country of Origin Information Report – Afghanistan Security Situation - update’, van december 2017.

8.1.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU geïmplementeerd is in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000.

8.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat in Afghanistan, in het bijzonder in Kabul, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in de bovenstaande bepaling. De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:915) geoordeeld dat er in Afghanistan geen sprake is van een artikel 15c-situatie. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft in het arrest van 5 juli 2016, A.M. tegen Nederland, met zaaknummer 29094/09, geoordeeld dat toentertijd een dergelijke situatie zich in Afghanistan niet voordeed. Hoewel uit de stukken waarnaar eisers verwijzen, blijkt dat de situatie in Afghanistan nog steeds ernstig is en er veel geweldsincidenten plaatsvinden en het aantal vrouwelijke slachtoffers licht is gestegen, blijkt hieruit echter niet dat de veiligheidssituatie sinds de bovengenoemde Afdelingsuitspraak significant is verslechterd zodat thans wel van een artikel 15c-situatie moet worden uitgegaan. Aan individuele omstandigheden kan, anders dan eisers stellen, in de beoordeling van een artikel 15c-situatie geen doorslaggevend gewicht worden toegekend aangezien in deze beoordeling de mate van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict centraal staat.

9. Onder verwijzing naar de arresten van het EHRM van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, met zaaknummer 30696/09, van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, met zaaknummer 29217/12, en van 13 december 2016, Paposhvili v. België, met zaaknummer 41738/10, voeren eisers aan dat verweerder bij de beoordeling of hun uitzetting mogelijk in strijd komt met artikel 3 van het EVRM de extra kwetsbaarheid van [kind 2] vanwege haar medische problematiek en minderjarigheid had moeten betrekken. Eisers hebben hiertoe rapportages van het UMCG van 3 april 2016, van 25 april 2016 en van 28 juni 2016 overgelegd. In Afghanistan kan [kind 2] geen medische behandeling krijgen voor het Sturge Weber syndroom. Hiertoe verwijzen eisers naar Unicef, ‘Child Notice Afghanistan’, uit 2015 en naar UNAMA, ‘Afghanistan: Protection of Civilians in Armed Conflict – Midyear Report 2017’, van februari 2018.

9.1.

Uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 4 september 2017 (het BMA-advies) komt naar voren dat [kind 2] het syndroom van Sturge-Weber heeft, met uitgebreide onderliggende angiomatosis (aanwezigheid van vaatgezwellen), leidend tot focale-epileptische aanvallen (insulten) en status epilepticus, ontwikkelingsachterstand, hemibeeld rechts (halfzijdige verlamming), glaucoom links (verhoogde oogboldruk), hemianopsie rechts ([kind 2] is aan een oog blind voor een helft van het gezichtsveld). [kind 2] wordt behandeld door een huisarts, een kinderneuroloog, een kinderarts, een oogarts en een fysiotherapeut en gebruikt medicatie. Het advies is een hersenoperatie op de korte termijn. Als de ingreep wordt uitgevoerd, zal daarna waarschijnlijk een uitgebreid medisch vervolgtraject plaatsvinden. Bij het uitblijven van medische behandeling van de epilepsie verwacht het BMA een medische noodsituatie op korte termijn. De medische problemen van [kind 2] zoals weergegeven in het BMA-advies worden door verweerder onderkend.

9.2.

Ingevolge het beleid neergelegd in paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan uitzetting in verband met de medische situatie onder bijzondere omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder toetst of hiervan sprake is in het kader van de ambtshalve toets of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 moet worden verleend. Behoudens situaties van overgangsrecht zal verweerder in dat geval geen asielvergunning verlenen. Indien er geen ambtshalve toets plaatsvindt maar het meeromvattend besluit ook als een terugkeerbesluit moet worden aangemerkt, toetst verweerder – in het kader van dat terugkeerbesluit – of er sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege medische redenen. Dit beleid vindt steun in de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1733). De rechtbank ziet geen reden in het geval van eisers anders te oordelen.

9.3.

Aangezien [kind 2] niet onder een van de situaties van overgangsrecht als opgenomen in paragraaf A3/7 van de Vc 2000 valt, kan verweerder aan haar geen verblijfsvergunning asiel op grond van haar medische omstandigheden verlenen. Verweerder heeft ook niet ambtshalve hoeven toetsen of uitstel van vertrek aan [kind 2] moet worden verleend, nu het een opvolgende asielaanvraag betreft en deze ambtshalve toets in het kader van opvolgende asielaanvragen overeenkomstig artikel 6.1e van het Vreemdelingenbesluit 2000 achterwege blijft. Nu aan eisers bij besluit van 10 april 2015 reeds een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, heeft verweerder ook niet in het kader van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit hoeven beoordelen of uitstel van vertrek dient te worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geoordeeld dat [kind 2] niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.