Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13825

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
NL17.10842
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvraag, Irakees, niet aangetoond door psychische toestand niet kunnen verklaren, homoseksuele geaardheid - verklaring partner, bekering tot atheisme, toetsingskader WI 2018/10, ongeloofwaardig relaas

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10842


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.O. Naarendorp).


Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.11024, plaatsgevonden op 10 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Tevens is F. Saïd als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1988 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 18 juni 2014 de onderhavige aanvraag ingediend.

Eiser heeft eerder, op 17 december 2006, een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 26 januari 2007 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen door eiser ingediende beroep is bij uitspraak van 6 april 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, gegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 oktober 2007 is het hiertegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, is de uitspraak van 6 april 2007 vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens op 12 december 2007 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 1 juni 2010 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 december 2011 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2012 kennelijk ongegrond verklaard.

Op 16 april 2012 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend, die bij besluit van 24 april 2012 is afgewezen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en al ongeveer drie jaar een relatie heeft met de heer [persoon X]. Verder is eiser sinds 2014 atheïst en is hij als gevolg hiervan in Tilburg mishandeld. Vanwege zijn seksuele geaardheid vreest eiser voor zijn leven bij terugkeer naar Irak.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser;

2) homoseksuele geaardheid van eiser;

3) bekering van eiser tot het atheïsme;

4) problemen vanwege gesteld atheïsme.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn nationaliteit en identiteit geloofwaardig geacht. De gestelde herkomst van eiser wordt, gelet op de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 december 2011, echter niet gevolgd. De verklaringen van eiser over zijn homoseksuele geaardheid, zijn bekering tot het atheïsme alsmede de problemen vanwege zijn atheïsme heeft verweerder niet geloofwaardig geacht.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn psychische gesteldheid ten onrechte niet als een beperking heeft geacht om optimaal te kunnen verklaren. Voorts vindt eiser het onredelijk dat verweerder geen duidelijke waarde wil toekennen aan de verklaring van zijn vriend. Ten aanzien van de geloofsverlating voert eiser aan dat zijn uitleg in combinatie met hetgeen bekend is over zijn land van herkomst voldoende is om vast te stellen dat hem bij terugkeer naar zijn land van herkomst een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dreigt. Verder voert eiser aan dat het standpunt van verweerder dat van een atheïst een zelfde ontwikkeling mag worden verwacht als van een bekeerling die wel in een god gelooft geen recht doet aan de realiteit. Tot slot kan eiser vanwege de noodzaak van psychologische behandeling onmogelijk terugkeren naar Kirkuk.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser als gevolg van zijn psychische gesteldheid niet in staat is geweest om te verklaren. Dat eiser medische problemen heeft, waarover het Bureau Medische Advisering op 30 maart 2015 advies aan verweerder heeft uitgebracht, is tussen partijen niet in geschil. Niet is echter gebleken dat deze problemen een belemmering hebben gevormd bij het verklaren. Zo heeft eiser uitgebreid verklaard en geantwoord op de aan hem gestelde vragen. Hoewel eiser heeft aangegeven de nacht voorafgaand aan de gehoren bijna niet te hebben geslapen, heeft hij bevestigd zich goed genoeg te voelen om gehoord te worden. De gehoren zijn regelmatig gepauzeerd en er is veelvuldig bij eiser geïnformeerd of hij in staat was om het gehoor te vervolgen waarop hij steeds bevestigend heeft geantwoord. Aan het einde van de gehoren heeft eiser desgevraagd aangegeven geen op- of aanmerkingen te hebben. Van onzorgvuldig handelen tijdens de gehoren is de rechtbank dan ook niet gebleken. Wat betreft de bij de zienswijze van 29 september 2017 overgelegde brief waaruit volgens eiser blijkt dat hij beperkingen heeft ten aanzien van herinnering en relateren, heeft verweerder kunnen overwegen dat deze brief geen logo en dagtekening bevat en dat in de brief een foutieve DSM schaal wordt gehanteerd. Derhalve is het onduidelijk wanneer deze brief is opgesteld en of deze brief uit hoofde van de GGZ is opgesteld. Verder blijkt uit deze brief niet dat eiser daadwerkelijk niet goed kan verklaren, nu hierin enkel staat dat hij door spannings- en traumaklachten zijn verleden mogelijk niet goed kan beschrijven. Deze brief kan de stelling dat eiser ten tijde van zijn gehoren niet in staat was te verklaren dan ook niet ondersteunen. De omstandigheid dat eiser, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft gesteld, geen andere medische verklaring kan bemachtigen, komt voor zijn rekening. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verklaringen die eiser tijdens zijn gehoren heeft afgelegd in de beoordeling naar de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas heeft kunnen meenemen.

6.2.

De rechtbank stelt voorop dat de verklaring van een derde, zoals van de gestelde partner, kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van een vreemdeling, maar onverlet laat dat die vreemdeling (ook) tegenover verweerder overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn seksuele geaardheid. Het is daarom allereerst aan eiser om zijn homoseksuele geaardheid aannemelijk te maken. In beroep is het oordeel van verweerder dat eiser wisselende, vage, summiere en weinig concrete verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn gestelde homoseksuele geaardheid niet betwist. Dit betekent dat eiser zijn homoseksuele geaardheid niet middels zijn verklaringen aannemelijk heeft weten te maken. Aan de door eiser overgelegde verklaring van zijn gestelde partner de heer [persoon X] wordt in dat geval niet de waarde gehecht die hij hieraan gehecht wenst te zien.

6.3.

De rechtbank overweegt dat in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) de definitie van het begrip godsdienst voor de beoordeling van de gronden van vervolging is neergelegd. Hieruit volgt dat dit begrip met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen omvat. Eiser heeft gesteld atheïst te zijn. Derhalve dient verweerder te beoordelen of eiser vanwege zijn godsdienst vervolgd wordt. Voor de beoordeling van de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging heeft verweerder de werkinstructie 2018/10 (WI 2018/10) opgesteld. Uit deze werkinstructie blijkt dat verweerder een bekering definieert als het overgaan van iemand tot een ander geloof. Onder geloof verstaat verweerder in aansluiting op de hierboven gegeven definitie uit de Kwalificatierichtlijn ook het atheïsme als een non-religieuze geloofsovertuiging. Hetgeen de gemachtigde van eiser ter zitting heeft opgemerkt over de omstandigheid dat het atheïsme geen geloofsovertuiging zou zijn en dat derhalve een verkeerd toetsingskader is gevolgd, kan bij gebrek aan nadere onderbouwing dan ook niet worden gevolgd. Verweerder heeft aan eiser terecht overeenkomstig de WI 2018/10 vragen gesteld omtrent zijn bekering tot het atheïsme. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat deze werkwijze onzorgvuldig is. De beroepsgrond dat verweerder de aanvraag van eiser niet goed heeft getoetst, faalt derhalve.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser atheïst is. In dit verband heeft verweerder overwogen dat eiser hieromtrent wisselende, vage, summiere en weinig concrete verklaringen heeft afgelegd. Eiser heeft dit in beroep niet gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank van dit oordeel van verweerder kan uitgaan. Om die reden loopt eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.

6.5.

Nu eiser ter zitting de beroepsgrond geformuleerd onder punt 7 van de beroepsgronden van 25 oktober 2017 heeft laten vallen, behoeft de beroepsgrond dat eiser vanwege de noodzaak van psychologische behandeling onmogelijk kan terugkeren naar Kirkuk geen bespreking.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.