Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13809

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
SGR 18/7171 en 18/7339
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

afschot knobbelzwanen;

De voorzieningenrechter heeft uitspraak gedaan in een voorlopige voorziening die was gevraagd door de Faunabescherming en de Stichting Dierenradar.

Deze uitspraak houdt in dat de vrijstelling voor het doden van knobbelzwanen in Zuid-Holland voorlopig niet geldt. Knobbelzwanen mogen dus niet langer worden gedood. Dit duurt tot zes weken nadat de provincie een besluit op de ingediende bezwaren van de organisaties heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 18/7171 en 18/7339

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 november 2018 op de verzoeken om een voorlopige voorziening van

1. Stichting Dierenradar (Dierenradar), te Krimpenerwaard,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

2. Stichting De Faunabescherming (Faunabescherming), te Amstelveen,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

verzoeksters,

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: het bestuur van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland, te Den Haag, belanghebbende.

(gemachtigde: [gemachtigde] )

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2018, verzonden op 12 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het “Faunabeheerplan knobbelzwaan Zuid-Holland 2018-2024” (het faunabeheerplan) goedgekeurd voor de periode van 1 november 2018 tot en met 31 oktober 2024 op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Verzoeksters hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Belanghebbende heeft haar zienswijze op de verzoeken gegeven.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Faunabescherming heeft hierop gereageerd.

Partijen hebben nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2018. De verzoeken zijn gevoegd behandeld.

Namens Dierenradar is verschenen [betrokkene A] , bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de Faunabescherming is verschenen [betrokkene B] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [betrokkene C] . Namens belanghebbende zijn verschenen [betrokkene D] en gemachtigde [gemachtigde] .

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Bij besluit van 19 november 2013 heeft verweerder aan belanghebbende op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de destijds geldende Flora- en faunawet onder voorschriften ontheffing verleend voor, voor zover thans van belang, het in de periode van 1 oktober tot en met 31 mei verjagen en doden van knobbelzwanen op percelen met ingezaaid gras, graszoden, graszaad en koolzaad, het in de periode van 15 november tot en met 31 mei verjagen en doden van knobbelzwanen op percelen met gras en granen, en het verjagen en doden van knobbelzwanen op of in de onmiddellijke nabijheid van wegen of fietspaden. De ontheffing was geldig in de gehele provincie Zuid-Holland tot en met 31 mei 2018.

2.2

Op 19 mei 2018 heeft belanghebbende het faunabeheerplan ingediend bij verweerder.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het faunabeheerplan goedgekeurd voor de periode van 1 november 2018 tot en met 31 oktober 2024. In het primaire besluit heeft verweerder overwogen dat het faunabeheerplan voldoet aan de eisen die de Wnb daaraan stelt. Daarnaast is overwogen dat in de bijlage bij de Verordening uitvoering Wet Natuurbescherming Zuid-Holland (de Verordening) de minimale groepsgrootte zal worden vervangen door een maximaal aantal te doden knobbelzwanen per bestrijdingsactie en dat is verduidelijkt op welke wijze de verschillende methoden en middelen ter voorkoming van schade worden ingezet.

4. Verzoeksters stellen dat er spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat heden al gebruik gemaakt kan worden van de verleende vrijstelling. Daarnaast voeren zij aan dat de samenstelling van het bestuur van de Faunabeheereenheid niet voldoet aan de eisen die in artikel 3.12, tweede lid, van de Wnb worden gesteld. Verweerder had het faunabeheerplan daarom niet mogen goedkeuren.

Voorts is volgens hen niet inzichtelijk in hoeverre het advies van Sovon, dat op grond van artikel 3.7, zevende lid, van de Verordening is vereist, al dan niet is overgenomen in het faunabeheerplan, omdat dit advies niet ter inzage is gelegd. Daarom voldoet het faunabeheerplan niet aan de wettelijke eisen en had dit niet mogen worden goedgekeurd.

Daarnaast voeren verzoeksters aan dat knobbelzwanen geen belangrijke schade veroorzaken. Er is volgens hen geen causaal verband tussen landbouwschade en het aantal knobbelzwanen. Ten onrechte is de getaxeerde en niet de daadwerkelijk uitgekeerde schade als uitgangspunt genomen. Voor zover knobbelzwanen al schade zouden veroorzaken, doet dit probleem zich slechts in enkele werkgebieden van wildbeheereenheden voor (De Aarlanden). Daarom ontbreekt volgens verzoeksters de noodzaak om knobbelzwanen in andere gebieden te doden. Verder blijkt naar de mening van verzoeksters uit tabel 2 dat knobbelzwanen geen belangrijke schade aan gewassen toebrengen, zodat verweerder het faunabeheerplan ook om die reden niet had mogen goedkeuren. Tabel 3 toont aan dat de afgelopen 3 jaar alleen in de maanden februari, maart en april sprake was van enige mate van schade. Daarom ontbreekt de noodzaak voor het doden van knobbelzwanen in een langere periode, aldus verzoeksters. Ook is volgens verzoeksters onvoldoende aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het voorkomen van schade dan het voorgestelde beheer. Het faunabeheerplan beschrijft immers onvoldoende welke passende maatregelen eerst moeten worden ingezet alvorens knobbelzwanen mogen worden gedood. Daardoor achten verzoeksters onvoldoende aangetoond dat is voldaan aan de eisen die in artikel 3.4, onder f, van de Verordening worden gesteld. Voorts is naar hun mening van een nauwkeurige en treffende motivering die verwijst naar artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn, die is vereist op grond van jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2017:2824) en het Europees Hof geen sprake. Daarnaast voeren verzoeksters aan dat het gebruik van slag-, steek- en snijwapens onnodig lijden veroorzaakt. Zij hebben in dit verband een verklaring overgelegd van drs. F.A.L.M. Verstappen, dierenarts-specialist, alsmede een verklaring van J. Kuijpers, voormalig jager en oud-bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging en een verklaring van Caring Vets. Daarnaast hebben verzoeksters gewezen op het oordeel van de Raad voor Dierenaangelegenheden over het gebruik van die wapens. Voorts ontbreekt in het faunabeheerplan volgens verzoeksters een precisering en toelichting op artikel 5.2, vijfde lid, van de Verordening, zodat onduidelijk is wanneer volgens het faunabeheerplan sprake is van een noodsituatie en wanneer het doden met het geweer vanwege de veiligheid niet mogelijk is. Het faunabeheerplan is volgens verzoeksters dan ook onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, zodat het niet had mogen worden goedgekeurd.

Verder leidt het primaire besluit maar de mening van verzoeksters tot het onrechtmatig doden van kleine zwanen, omdat het verschil tussen (jonge) knobbelzwanen en (jonge) kleine zwanen zelfs overdag nauwelijks te zien is en kleine zwanen zich in groepen samen met knobbelzwanen ophouden. De staat van instandhouding van de kleine zwaan is ongunstig mede vanwege illegaal afschot. Het goedkeuringsbesluit is daarnaast in strijd met artikel 8 van de Vogelrichtlijn waarin methoden voor niet selectief doden zijn verboden, aldus verzoeksters.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen verzoeksters als belanghebbende, als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt bij het primaire besluit. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank van 14 mei 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:5675) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG8646).

6.1

Volgens vaste jurisprudentie is voor het treffen van een voorlopige voorziening slechts plaats indien sterke twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een zwaarwegend spoedeisend belang maakt dat het voor betrokkene onevenredig bezwaarlijk zou zijn de beslissing op bezwaar te moeten afwachten.

In dit specifieke geval kan een dergelijk spoedeisend belang aan de orde zijn indien er sprake is van een dreigende onomkeerbare situatie.

6.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat het primaire besluit de goedkeuring van het faunabeheerplan betreft. Bij de Verordening is vrijstelling verleend van het verbod als bedoeld in artikel 3.1 van de Wnb om knobbelzwanen te doden. De vrijstellingsregeling staat op grond van voorschrift 7 van bijlage 7 bij de Verordening het doden en vangen van knobbelzwanen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen toe op percelen met ingezaaid gras, graszoden, graszaad en koolzaad in de periode van 1 oktober tot en met

31 mei en op percelen met gras en granen in de periode van 15 november tot en met 31 mei.

Blijkens het verweerschrift kan pas van de vrijstelling gebruik worden gemaakt nadat het faunabeheerplan is goedgekeurd. Nu het primaire besluit het afschieten van een onbeperkt aantal knobbelzwanen met ingang van 1 november 2018 mogelijk maakt en afschieten onomkeerbaar de dood van knobbelzwanen teweeg brengt, hebben verzoeksters naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang.

7. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb is het verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

Ingevolge artikel 3.3, tweede lid, van de Wnb kunnen provinciale staten bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Ingevolge artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb wordt een ontheffing of een vrijstelling uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

(…)

3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

(…)

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wnb wordt onder de staat van instandhouding van een soort verstaan: effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en grootte van de populaties van die soort op het grondgebied, bedoeld in artikel 2 van de Habitatrichtlijn.

Artikel 3.12 van de Wnb luidt als volgt:

(…)

4. Onderdeel van het faunabeheerplan zijn passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade aangericht door in het wild levende dieren.

5. Ten behoeve van een planmatige en doelmatige aanpak van het faunabeheer wordt het faunabeheerplan onderbouwd door trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarop het faunabeheerplan van toepassing is.

6. Alvorens een faunabeheerplan vast te stellen, hoort de faunabeheereenheid de binnen haar werkgebied werkzame wildbeheereenheden over de inhoud van het plan.

7. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin de faunabeheereenheid werkzaam is.

Ingevolge artikel 3.2, achtste lid, van de Verordening bevat een faunabeheerplan op basis van gevalideerde gegevens en de daaruit voortvloeiende inzichten, een onderbouwing waaruit blijkt dat de gunstige staat van instandhouding niet significant negatief wordt beïnvloed door de uitvoering van het faunabeheerplan.

Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening is het de grondgebruiker op grond van de mogelijkheid van artikel 3.3, tweede lid, van de Wnb toegestaan om de in bijlage 2 aangewezen vogels en kruisingen daarvan opzettelijk te doden en te vangen in het belang van de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, ten derde, van de Wnb.

In bijlage 2 bij de Verordening is de knobbelzwaan aangewezen.

Op grond van artikel 5.2, vijfde lid, van de Verordening kan bij het doden en vangen van dieren als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, uitsluitend gebruik worden gemaakt van de middelen: geweren, haviken, slechtvalken, woestijnbuizerds, honden, niet zijnde lange honden, of slag-, snij- of steekwapens.

In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat slag-, snij- of steekwapens als genoemd in het vijfde lid uitsluitend gebruikt mogen worden voor het doden van gewonde dieren.

Op grond van het zevende lid van dit artikel is het toegestaan om, voor de in de bijlage 3 aangewezen soorten, de handelingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid uitsluitend uit te voeren gedurende de periode vanaf een half uur voor zonsopgang tot een half uur na zonsondergang.

8.1

Ten aanzien van de vraag of het primaire besluit een appellabel besluit is overweegt de voorzieningenrechter dat vaststaat dat in het faunabeheerplan de voorwaarden zijn neergelegd waaronder van de verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de Wnb gebruik kan worden gemaakt. Zonder goedkeuring van het faunabeheerplan is het niet mogelijk om van de verleende vrijstelling gebruik te maken en daadwerkelijk tot afschot van knobbelzwanen over te gaan. Derhalve heeft het besluit tot goedkeuring rechtsgevolg waartegen een rechtsmiddel openstaat. Tevens stelt verweerder met die goedkeuring het kader vast waaronder de schadebestrijding plaatsvindt, waarmee invulling wordt gegeven aan de krachtens de Wnb op hem rustende verantwoordelijkheid voor het duurzaam beheer van de populatie knobbelzwanen, waaronder de in artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb neergelegde voorwaarden.

8.2

Verder leent de voorlopige voorzieningenprocedure zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor beantwoording van de vraag naar de verbindendheid van onderdelen van de Verordening.

8.3

Daarnaast leent hetgeen is aangevoerd over de samenstelling van het bestuur van de Faunabeheereenheid en het advies van Sovon zich evenmin voor beantwoording in voorlopige voorziening, omdat daarvoor nader onderzoek nodig is.

9. Niet in geschil is dat de bij de Verordening verleende vrijstelling niet zal leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de knobbelzwaan als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wnb. Blijkens het faunabeheerplan is sprake van een gunstige staat van instandhouding van de knobbelzwaan, die ten gevolge van de invloed van schadebestrijding voorlopig niet zal veranderen.

10.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen van mening verschillen over de vraag of er een andere bevredigende oplossing bestaat als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wnb. In dit kader acht de voorzieningenrechter van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1649) heeft overwogen dat de rechtbank terecht het standpunt van verweerder heeft onderschreven dat het effect van preventieve middelen ter voorkoming van schade aan gewassen, zonder dat daarbij afschot plaatsvindt, zeer beperkt is. De voorzieningenrechter ziet voorshands geen reden om daarover thans anders te oordelen. Dit betekent dat hetgeen verzoeksters hierover hebben aangevoerd niet kan slagen.

10.2

Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van

1 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067), is aan het gestelde vereiste van belangrijke schade voldaan, indien is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade, waarbij het college bij de invulling van het begrip 'belangrijke schade' en bij het bepalen of sprake is van een concrete dreiging daarvan, een zekere beoordelingsruimte toekomt. Niet vereist is dat belangrijke schade zich al heeft voorgedaan. Wel dient een besluit waarbij een ontheffing van het verbod op afschot is verleend, strikt noodzakelijk te zijn en op een nauwkeurige en treffende motivering te berusten, aldus de Afdeling.

10.3

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit deze jurisprudentie van de Afdeling dat verweerder niet hoeft aan te tonen dat er een verband bestaat tussen de schade en het afschot, omdat de concrete dreiging van schade voldoende is. Verweerder mocht bij de beoordeling of in de betreffende wildbeheereenheden (WBE’s) sprake is geweest van belangrijke schade in beginsel uitgaan van de schadegegevens van het BIJ12-Faunafonds. Die schadegegevens berusten op informatie van een daarvoor aangestelde taxateur, die bij het beoordelen van de schade onderscheid maakt tussen aangerichte schade door verschillende soorten vogels op basis van onder meer waarnemingen, het type schade en het type gewas.

10.4

De Afdeling heeft in de onder 10.1 genoemde uitspraak van 21 juni 2017 (r.o. 5.3) overwogen dat uit het enkele gegeven dat knobbelzwanen en schadegevoelige gewassen in de gehele provincie voorkomen niet de conclusie kan worden getrokken dat belangrijke schade zich in de gehele provincie voordoet. De in die procedure aan de orde zijnde ontheffing dient zich dan ook te beperken tot die specifieke situaties waarvoor op grond van de schadehistorie aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien daarvan belangrijke schade is aangericht of dreigt te worden aangericht, aldus de Afdeling. De voorzieningenrechter acht deze rechtspraak van de Afdeling voorshands ook van toepassing op de thans in geding zijnde vrijstelling.

10.5

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit tabel 1 op pagina 18 van het faunabeheerplan blijkt dat sinds 2011 weliswaar in de meeste WBE’s sprake is geweest van schade aangericht door knobbelzwanen, maar niet in alle WBE’s. Er zijn 5 WBE’s waar de afgelopen 5 jaar in het geheel geen schade is getaxeerd en 2 WBE’s waar de getaxeerde schade in die periode ten hoogste € 60,- bedroeg. De stelling van belanghebbende dat in alle WBE’s een dreiging van belangrijke schade aanwezig is zodra de bestrijding van de knobbelzwaan wordt gestaakt, acht de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Bovendien staat geenszins vast dat, indien en voor zover in die 5 WBE’s al schade te verwachten valt, het om belangrijke schade gaat. Daarom heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017, op basis van de schadegegevens van het BIJ12-Faunafonds niet mogen concluderen dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade voordoet in alle in die tabel genoemde WBE’s. Het primaire besluit ontbeert op dit punt dan ook een nauwkeurige en treffende motivering.

10.6

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoeksters voorts terecht gesteld dat knobbelzwanen geen belangrijke schade aan alle gewassen toebrengen. Uit tabel 2 van het faunabeheerplan blijkt immers dat de schade de afgelopen vijf jaar bijna uitsluitend betrekking had op grasland en niet op andere gewassen. Daarom heeft verweerder op basis van de schadegegevens van het BIJ12-Faunafonds niet mogen concluderen dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade voordoet aan alle gewassen. Het primaire besluit ontbeert dan ook tevens op dit punt een nauwkeurige en treffende motivering.

10.7

Ten aanzien van hetgeen verzoeksters hebben gesteld over de periode waarin sprake was van enige mate van schade stelt de voorzieningenrechter vast dat uit tabel 3 van het faunabeheerplan volgt dat in de afgelopen zes jaar in de maanden oktober, november en december geen sprake was van enige schade. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op basis van de schadegegevens van het BIJ12-Faunafonds dan ook evenmin mogen concluderen dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade voordoet in de maanden oktober, november en december. Het primaire besluit ontbeert dus op dit punt eveneens een nauwkeurige en treffende motivering.

11.1

In de uitspraak van 4 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV0107) heeft de Afdeling geoordeeld dat uit artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn volgt dat in een wettelijk voorschrift moet zijn bepaald met welke middelen beschermde inheemse vogels mogen worden gedood. Dat oordeel geldt ook voor de in artikel 9, tweede lid, onder c, van de Vogelrichtlijn bedoelde voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen.

11.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat in artikel 5.2, vijfde lid, van de Verordening is bepaald met welke middelen beschermde inheemse vogels mogen worden gedood. In het zevende lid van dat artikel is vermeld onder welke omstandigheden van tijd en plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen, zodat is voldaan aan hetgeen in de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2012 is overwogen.

11.3

Verzoeksters stellen naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat onduidelijk is wanneer volgens het faunabeheerplan het doden van knobbelzwanen met het geweer vanwege de veiligheid niet mogelijk is. Pas hangende deze procedure is in de zienswijze van belanghebbende naar voren gebracht dat het gebruik van het jachtgeweer niet veilig is indien bijvoorbeeld publiek aanwezig is binnen een hoek van 45 graden vanuit de rechte lijn vanuit de loop of als de ondergrond ricochet kan veroorzaken. Dit betekent dat het primaire besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert.

12. Voorts hebben verzoeksters naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aangevoerd dat afschot van knobbelzwanen op grond van het primaire besluit niet uitvoerbaar is, omdat het onvermijdelijk zal leiden tot overtreding van artikel 3.1, eerste en vierde lid, van de Wnb ten aanzien van de kleine zwaan. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat de kleine zwaan niet is genoemd in bijlage 2 van de Verordening, zodat voor deze soort het verbod als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb geldt. Daarnaast is de staat van instandhouding van de kleine zwaan blijkens de website van Sovon zeer ongunstig. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting acht de voorzieningenrechter voorshands niet onaannemelijk dat kleine zwanen zich in groepen samen met knobbelzwanen ophouden en dat het verschil tussen (jonge) knobbelzwanen en (jonge) kleine zwanen zelfs overdag moeilijk te zien is. Dit brengt met zich mee dat kleine zwanen met knobbelzwanen kunnen worden verward, zeker in geval van juveniele exemplaren. De voorzieningenrechter acht evenmin onaannemelijk dat in zeker 20% van de populatie kleine zwanen hagel is aangetroffen of schotwonden zijn geconstateerd, zoals dat volgens verzoeksters uit onderzoek blijkt. Verweerder noch vergunninghouder heeft deze stelling naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende weerlegd. Ter zitting is namens vergunninghouder zelfs erkend dat bij kleine zwanen hagel wordt aangetroffen of schotwonden voorkomen. Reeds hierom kan op voorhand op basis van objectieve gegevens niet worden uitgesloten dat de activiteit zoals toegestaan op grond van het primaire besluit zal leiden tot het verstoren van kleine zwanen of afschot, hetgeen op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb verboden is, terwijl op grond van het voorgaande niet is gebleken dat afschot van knobbelzwanen geen significante effecten voor de instandhoudingsdoelstelling van de kleine zwaan zal hebben. Het primaire besluit ontbeert naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook ten aanzien van dit aspect een deugdelijke motivering en is tevens onzorgvuldig voorbereid.

13.1

Gelet op het vorenstaande bestaat voldoende sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het primaire besluit en is de verwachting dat dit besluit bij de heroverweging in bezwaar niet zonder meer in stand zal kunnen blijven. De verzoeken om een voorlopige voorziening zullen dan ook worden toegewezen in die zin dat het primaire besluit zal worden geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

13.2

Gezien deze uitkomst behoeft hetgeen verzoeksters verder nog hebben aangevoerd geen bespreking meer.

14.1

Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst, zal worden bepaald dat verweerder aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

14.2

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeksters gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter in geval van het verzoek van Dierenradar op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De overige door Dierenradar genoemde kosten, te weten reiskosten, komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 15,40, op basis van kosten openbaar vervoer 2e klas.

Ter zake van het verzoek van de Faunabescherming stelt de voorzieningenrechter deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

­ schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

­ draagt verweerder in beide zaken op het betaalde griffierecht van € 338,- aan verzoeksters afzonderlijk te vergoeden;

­ veroordeelt verweerder in de door Dierenradar gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.017,40;

­ veroordeelt verweerder in de door de Faunabescherming gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in

aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2018.

griffier voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.