Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13794

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
NL18.18576
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, wetsdecreet, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.18576


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Bicer).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.18577, plaatsgevonden op 1 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Kaen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1979 en de Senegalese nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 13 april 2018 een asielaanvraag ingediend.

2. Uit Eurodac en de verklaringen van eiser is gebleken dat hij op 23 mei 2012 in Italië en op 11 januari 2018 in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft verklaard dat zijn aanvraag in Duitsland is afgewezen en dat hij zou worden overgedragen aan Italië. Eiser stelt dat de Italiaanse autoriteiten nog niet op zijn aanvraag hebben beslist. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 11 juni 2018 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk aan het aanvaarden van het terugnameverzoek. Derhalve staat sinds 26 juni 2018 de verantwoordelijkheid van Italië vast. De enkele, niet onderbouwde stelling van eiser dat hij nog geen beslissing in de asielprocedure in Italië heeft ontvangen doet daar niet aan af.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiertoe voert eiser aan dat er sprake is van dusdanig ernstige tekortkomingen met betrekking tot de toegang tot de opvang, de opvangfaciliteiten en de rechtshulp dat overdracht aan Italië zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Eiser verwijst hiervoor naar een nieuwsbericht van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van 26 september 2018 met betrekking tot een Italiaans wetsdecreet dat verregaande beperkingen oplegt aan het Italiaanse asielstelsel. De duur van de behandeling van eisers asielaanvraag in Italië duurt voorts onevenredig lang en eiser stelt in Italië geen opvang te hebben gekregen. Van eiser kan niet worden gevergd dat hij zich bij de Italiaanse autoriteiten beklaagt, nu hij door een politieagent is verkracht. Hij kampt mede als gevolg daarvan met psychische klachten en dient als kwetsbaar persoon in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, met zaaknummer 29217/12, (het Tarakhel arrest) te worden aangemerkt. Ook doet eiser in dat kader een beroep op het arrest van het EHRM in de zaak Paposhvili tegen België van 13 december 2016, met zaaknummer 41738/10 (het Paposhvili-arrest). Ten slotte is volgens eiser sprake van zodanig bijzondere individuele omstandigheden dat overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder had, gelet daarop, de behandeling van eisers asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moeten trekken.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Verweerder mag in zijn algemeenheid ten aanzien van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst in dat kader naar het arrest van het EHRM van 7 juni 2018, 67981/16, H. and others v. Switzerland, waarin het EHRM heeft geoordeeld dat de situatie in Italië niet vergeleken kan worden met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van M.S.S. tegen België en Griekenland en de structuur en algehele situatie van de ontvangstregelingen in Italië op zichzelf geen beletsel vormen voor overdracht naar dat land. Eisers verwijzing op zitting naar het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland slaagt dan ook niet.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft voorts onder meer bij uitspraak van 7 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1910) en bij uitspraak van
6 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2614), geoordeeld dat verweerder voor de situatie in Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Meer recent heeft de Afdeling bij uitspraak van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3246) geoordeeld dat uit de door de vreemdeling overgelegde berichten van de ECRE van 25 mei 2018 en 8 juni 2018 weliswaar volgt dat de nieuwe Italiaanse regering harde retoriek over migratie hanteert en dat anti-migratie en anti-EU sentimenten bestaan, maar dat uit die stukken niet volgt dat in Italië systematische tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen.

4.2

De rechtbank overweegt voorts dat eiser met de verwijzing naar het wetsdecreet niet aannemelijk heeft gemaakt dat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zelfs indien de Italiaanse vreemdelingenwetgeving wordt gewijzigd, brengt dit niet met zich mee dat Italië niet langer is gehouden de verplichtingen uit het Europese Handvest, de Dublinverordening en de richtlijnen na te leven. Verweerder mag er van uitgaan dat Italië zich ook dan zal houden aan deze Europese verplichtingen. Indien eiser na de overdracht gebreken constateert in de opvang of de asielprocedure, dan dient hij hierover te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk zou zijn. Dat hij geen vertrouwen heeft in de autoriteiten omdat hij in Italië stelt te zijn verkracht door een politieagent is onvoldoende voor een ander oordeel. De stelling van eiser dat hij in Italië geen opvang heeft gekregen, wordt niet gevolgd, nu uit het aanmeldgehoor blijkt dat eiser heeft verklaard wel opvang te hebben genoten, maar dat hij daar zelf op enig moment uit is weggegaan.

4.3

Voor wat betreft eisers vrees om te worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst zonder dat toetsing aan de toepasselijke verdragen heeft plaatsgevonden, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat Italië, net als Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag en gebonden is aan de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van het asielrecht. Er mag derhalve vanuit worden gegaan dat de autoriteiten in Italië zich houden aan genoemde verdragen en eiser pas zullen terugsturen naar zijn land van herkomst nadat toetsing aan deze verdragen heeft plaatsgevonden. Gelet daarop is er niet al op voorhand sprake van (indirect) refoulement bij overdracht van eiser aan de autoriteiten van Italië. Indien eiser van mening is dat de Italiaanse autoriteiten niet aan voornoemde standaarden voldoen, ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de desbetreffende autoriteiten. Zoals hierboven reeds is overwogen is niet gebleken dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat.

4.4

Ten aanzien van eisers gestelde psychische klachten die mede het gevolg zouden zijn van de verkrachting in Italië geldt dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en deze ook ter beschikking staan aan zogeheten Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Hierin is eiser niet geslaagd. Uit eisers verklaringen blijkt dat hij in Italië wel toegang heeft gehad tot medische voorzieningen. Eiser heeft enige tijd in het ziekenhuis gelegen en heeft daar een psycholoog gezien. Ook heeft eiser medicatie gekregen. Voorts is niet gebleken dat Nederland het meest aangewezen land zou zijn om eiser te behandelen.

De rechtbank is verder van oordeel dat eisers beroep op het Tarakhel-arrest niet slaagt. Eiser heeft met het door hem overgelegde (summiere) patiëntdossier en met zijn gestelde eerdere ervaringen in Italië niet aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Italië geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Eisers beroep op het Paposhvili-arrest slaagt evenmin. Immers, eiser heeft geen objectieve gegevens overgelegd die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Gelet op het voorgaande was verweerder dan ook niet gehouden een medisch onderzoek te verrichten bij eiser.

4.5

De rechtbank overweegt dat verweerder in individuele gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, indien eiser op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in zijn geval van een onevenredige hardheid getuigt. Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing van verweerder terughoudend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op al het voorgaande, heeft mogen afzien van het gebruik van de bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eisers beroep hierop slaagt derhalve niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.