Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13750

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
C/09/562705 / KG ZA 18-1150
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil betreffende een inmiddels onherroepelijk vonnis. Aan de vraag of sprake is van (juridische of feitelijke misslag) wordt dan niet meer toegekomen. Toetsingscriterium of sprake van misbruik bevoegdheid (nog) marginaler toepassen. Geen ‘noodtoestand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/562705 / KG ZA 18-1150

Vonnis in kort geding van 9 november 2018

in de zaak van

LOWBUDGET STORE B.V.,

mede handelend onder de namen Sammy's Outlet, Olea en Sammy's Rijwielhersteller,

te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. J.H.E. Wanrooij te Den Haag,

tegen:

STICHTING STAEDION,

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. van den Oord te Woerden.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Lowbudget Store' en 'Staedion'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van Staedion van 7 november 2018, met producties;

- de op 8 november 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 9 november 2018 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 21 november 2018.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Tussen partijen zijn overeenkomsten tot stand gekomen waarbij Lowbudget Store van Staedion huurt de bedrijfsruimten aan de [adres 1] en de [adres 2] .

2.2.

Bij onherroepelijk vonnis van 1 februari 2018 heeft de kantonrechter van deze rechtbank (zittingsplaats Den Haag) de huurovereenkomsten wegens een ontstane huurachterstand ontbonden, met veroordeling van Lowbudget Store om de bedrijfsruimten te verlaten, te ontruimen en - onder afgifte van de sleutels - ter vrije beschikking van Staedion te stellen. Daarnaast is Lowbudget Store veroordeeld om aan Staedion te voldoen een bedrag van € 23.669,16, te vermeerderen met rente over € 18.099,46, waarop in mindering strekt een bedrag van € 1.171,62 en te vermeerderen met een bedrag van
€ 1.103,33 voor iedere maand dat Lowbudget Store de bedrijfsruimten vanaf 1 november 2017 in bezit houdt. Voorts is Lowbudget Store veroordeeld in de proceskosten, tot op het vonnis aan de zijde van Staedion begroot op € 1.442,10.

2.3.

Lowbudget Store is in voormelde procedure 'in persoon' verschenen, maar heeft geen verweer gevoerd.

2.4.

Bij exploot van 29 maart 2018 heeft Staedion het vonnis van 1 februari 2018 laten betekenen aan Lowbudget Store, met bevel om daaraan te voldoen.

2.5.

Het gebruik door Lowbudget Store van de bedrijfsruimte aan de [adres 2] is geëindigd per 31 maart 2018.

2.6.

Partijen hebben getracht het geschil met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres 1] in onderling overleg op te lossen.

2.7.

Bij exploot van 11 oktober 2018 heeft Staedion het vonnis van 1 februari 2018 andermaal laten betekenen aan Lowbudget Store, met bevel om (i) tot betaling van het - volgens Staedion - nog openstaande bedrag over te gaan en (ii) de bedrijfsruimte aan de [adres 1] vóór 12 november 2018 te ontruimen, bij gebreke waarvan Staedion op die dag zal overgaan tot ontruiming van de ruimte.

3 Het geschil

3.1.

Lowbudget Store vordert - zakelijk weergegeven - Staedion op straffe van verbeurte van een dwangsom te:

- verbieden de bedrijfsruimte aan de [adres 1] op 12 november 2018, dan wel op een andere datum, te ontruimen;

- gebieden de voorgenomen ontruiming van de bedrijfsruimte aan de [adres 1] te schorsen, dan wel op te schorten;

een en ander met veroordeling van Staedion in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert Lowbudget Store - samengevat - het volgende aan.

In de procedure bij de kantonrechter, die heeft geleid tot het vonnis van 1 februari 2018, heeft Lowbudget Store geen verweer (meer) gevoerd, omdat zij ervan uitging dat partijen hadden afgesproken dat Staedion de procedure zou intrekken na betaling door Lowbudget Store van een bedrag van € 7.000,--, welk bedrag ook is voldaan. Dat is ook de reden waarom Lowbudget Store geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het vonnis; zij nam aan dat Staedion niet tot tenuitvoerlegging zou overgaan, omdat partijen een regeling hadden getroffen. Het geschil tussen partijen is dus nooit inhoudelijk beoordeeld door de kantonrechter. Voorts klopt het bedrag dat Lowbudget Store volgens Staedion nog verschuldigd zou zijn (ruim € 16.000,--) niet; er staat op dit moment nog slechts een bedrag van circa € 3.500,-- open. Daar komt bij dat de ontruiming van de bedrijfsruimte aan de [adres 1] ernstige gevolgen heeft voor Lowbudget Store. Op grond van een en ander staat het Staedion niet vrij om thans over te gaan tot (gerechtelijke) ontruiming van de bedrijfsruimte.

3.3.

Staedion voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het onderhavige geschil betreft een executiegeschil ex artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ten aanzien daarvan geldt als uitgangspunt de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, aan wie de vordering bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen de uitspraak kunnen worden aangevoerd, behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Slechts indien de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij executie kan de tenuitvoerlegging van het vonnis worden verboden. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan voor de geëxecuteerde, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, NJ 1984/145).

4.2.

Aan het voorgaande moet worden toegevoegd dat - anders dan in het hiervoor vermelde arrest aan de orde was - het in het onderhavige geval niet gaat om de vraag of de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis - hangende een procedure daartegen in hoger beroep - moet worden verboden, maar om de vraag of de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, waartegen geen enkel rechtsmiddel is ingesteld en dat in kracht van gewijsde is gegaan, dient te worden verboden. Reeds die laatste omstandigheid impliceert dat in gevallen als de onderhavige niet wordt toegekomen aan de vraag of zich een juridische of feitelijke misslag in het vonnis voordoet. Omdat in de onder 4.1 beschreven situatie wel een executoriale titel aanwezig is, maar deze nog niet definitief is, terwijl deze in het hier aan de orde zijnde geval wel definitief vaststaat, is bovendien aangewezen om een strenger en dus (nog) marginaler toetsingscriterium aan te leggen om tot misbruik te (kunnen) concluderen, zoals de in artikel 3:13 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek geformuleerde onevenredigheidsmaatstaf, inhoudend dat sprake is van misbruik indien, kort gezegd, geen weldenkend mens in redelijkheid tot die uitoefening had kunnen komen.

4.3.

Met inachtneming van het voorgaande zal het onderhavige geschil dan ook (moeten) worden beoordeeld.

4.4.

Lowbudget Store kan niet worden gevolgd in haar stelling dat tussen partijen een (betalings)regeling tot stand is gekomen, op grond waarvan het Staedion niet (meer) vrij staat om tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 februari 2018 over te gaan. Anders dan Lowbudget Store stelt valt uit de door haar - als producties 3 tot en met 11 - overgelegde stukken geenszins af te leiden dat tussen partijen een (finale) regeling tot stand is gekomen, waarmee het tussen partijen ontstane geschil (geheel) uit de wereld was, noch dat Staedion de procedure bij de kantonrechter niet zou voortzetten, dan wel het daarin uitgesproken vonnis niet zal executeren, na betaling door Lowbudget Store van een bedrag van € 7.000,--. Uit die producties volgt slechts dat partijen (deel)afspraken hebben gemaakt, zoals verlaging van de huurtermijnen, het vervallen van verschuldigde huurtermijnen en betaling ineens van een bedrag van € 7.000,-- als deelbetaling op de bestaande - substantieel hogere - huurachterstand. Uit die producties kan voor het overige in feite niet meer worden afgeleid dan dat Lowbudget Store vragen stelt op allerlei gebieden, voorstellen doet en begrip vraagt voor het ontstaan van de achterstand. Voor wat betreft dit laatste moet daaraan worden toegevoegd dat uit de processtukken en het verhandelde ter zitting volgt dat Staedion Lowbudget Store verschillende kansen heeft geboden om de ontruiming van de bedrijfsruimte te voorkomen.

4.5.

Voorts heeft Staedion op de zitting duidelijk gemaakt dat zij met alle hiervoor bedoelde (deel)afspraken rekening heeft gehouden bij de berekening van het volgens haar op het moment van de zitting nog openstaande bedrag ad € 16.361,83. Mede bezien in het licht daarvan heeft Lowbudget Store de juistheid van dat bedrag in ieder geval niet voldoende gemotiveerd weersproken, zodat de door Staedion gestelde achterstand in het bestek van dit kort geding voor waar zal worden gehouden.

4.6.

Verder moet op grond van de stukken worden aangenomen dat het standpunt dat Staedion in deze procedure inneemt al duidelijk was voor Lowbudget Store vóór het verstrijken van de appeltermijn van het vonnis van 1 februari 2018. Gelet hierop moet de omstandigheid dat Lowbudget Store geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis, dat daardoor in kracht van gewijsde is gegaan, geheel voor haar eigen rekening en risico komen.

4.7.

Tot slot begrijpt de voorzieningenrechter op zichzelf dat de ontruiming van de bedrijfsruimte ernstige schadelijke gevolgen voor Lowbudget Store zal meebrengen. Dat is echter het voorzienbare gevolg van het onbetaald laten van huurpenningen. Daarmee kan die omstandigheid niet worden aangemerkt als een 'noodtoestand' in de onder 4.1. bedoelde zin.

4.8.

De slotsom is dat de vorderingen van Lowbudget Store zullen worden afgewezen. In een executiegeschil, zoals hier aan de orde, is geen ruimte (meer) voor een terme de grâce, zodat aan het verzoek daarom van Lowbudget Store zal worden voorbijgegaan.

4.9.

Lowbudget Store zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van Lowbudget Store af;

- veroordeelt Lowbudget Store in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Staedion begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018.

jvl