Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13748

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
C/09/477560 / HA ZA 14-1296
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ZIE OOK ECLI:NL:RBDHA:2017:1107.

Octrooirecht. Uitvinderschap. Recht om als uitvinder genoemd te worden op octrooi. Valt geoctrooieerde materie onder bereik R&D overeenkomst, waardoor recht om octrooi aanvragen te doen bij opdrachtgever ligt? Uitleg overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/477560 / HA ZA 14-1296

Vonnis van 21 november 2018

in de zaak van

AIMM THERAPEUTICS B.V.,

te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. G. Kuipers te Amsterdam,

tegen

JANSSEN VACCINES & PREVENTION B.V. (voorheen genaamd CRUCELL HOLLAND B.V.),

te Leiden,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk.

Partijen zullen hierna AIMM en Crucell genoemd worden. De zaak wordt voor AIMM behandeld door de advocaat voornoemd, mrs. T. Douma en C.A. van Staveren, advocaten te Amsterdam. De zaak wordt voor Crucell behandeld door S.C. Dack, barrister, en mr. P. van Schijndel, advocaat, beiden te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidenteel vonnis van 8 februari 20171, waarin de gevorderde exhibitie en (in reconventie) opheffing van het bewijsbeslag zijn afgewezen, en de daar vermelde stukken voor zover relevant voor de hoofdzaak, waaronder:

- de dagvaarding van 21 oktober 2014, met producties 1 tot en met 13;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 11 februari 2015 met producties 1 tot en met 22;

- de conclusie van repliek [in conventie], conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende vermeerdering/wijziging van eis van 20 mei 2015 met producties 14 en 15 en verbeterde productie 10;

- de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie en antwoord op vermeerdering van eis van 12 augustus 2015, met producties 23 tot en met 32;

- de conclusie van dupliek in reconventie van 7 oktober 2015 met producties 15 (met een andere inhoud dan de bij repliek/antwoord al overgelegde productie 15) tot en met 23;

- de akte houdende aanvullende producties van AIMM van 14 oktober 2016, ingekomen op 30 september 2016, met producties 30 en 31;

- de per e-mail, fax en post verzonden brief van mr. Dack van 10 oktober 2016, ingekomen op dezelfde dag, met producties 40 en 41;

- de per fax en e-mail verzonden brief van mr. Kuipers van 13 oktober 2016, ingekomen op dezelfde dag, met productie 32;

  • -

    de op 29 mei 2017 ingekomen akte aanvullende producties van AIMM, met producties 32 tot en met 36;

  • -

    de eveneens op 29 mei 2017 ingekomen akte aanvullende producties van Crucell tevens houdende aanvulling van de grondslag van eis, met producties 42 tot en met 45;

  • -

    de aanvullende proceskostenoverzichten van AIMM en Crucell;

  • -

    het pleidooi gehouden op 9 juni 2017 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities van AIMM en Crucell, met uitzondering van de randnummers 59 (deels) 64 tot en met 66, 76 (deels), 81 tot en met 83, 88, 142 en 143 in de pleitnota van AIMM, die niet zijn gepleit.

1.2.

Ter zitting heeft Crucell bezwaar gemaakt tegen de overlegging van productie 32 van AIMM, een rapport van prof. Gordon (hierna: het Gordon-rapport). Zij heeft daartoe gesteld dat zij door de late indiening (minder dan veertien dagen voor het pleidooi) ervan in haar verdediging is geschaad, omdat zij, mede gelet op de stand van de procedure, de bevindingen in dit rapport niet meer adequaat kan weerleggen.

AIMM heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de aanvulling van de grondslag voor de gevorderde proceskostenveroordeling van Crucell in de op 25 mei 2017 gedateerde akte die is ingekomen op 29 mei 2017. De rechtbank zal hierop bij de materiële beoordeling ingaan.

1.3.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

AIMM is een Nederlands biotechnologisch bedrijf dat zich bezighoudt met onderzoek.

2.2.

Crucell is een van oorsprong Nederlands biofarmaceutisch bedrijf dat zich richt op de productie en marketing van antilichamen en vaccins tegen besmettelijke ziekten. In februari 2011 is Crucell overgenomen door het farmaceutische concern Johnson & Johnson.

2.3.

Begin 2007 toonde Crucell belangstelling in de technologie van AIMM. Crucell onderzocht de mogelijkheid van overname van AIMM. In verband daarmee werd door partijen in april 2007 een Confidentiality Declaration gesloten (hierna: de Geheimhoudingsovereenkomst).

2.4.

Vervolgens sloten partijen op 12 november 2007 een Research Agreement (hierna: Research Agreement), die onder meer de volgende bepalingen bevat:

1. Scope

1.1.

AIMM shall perform the research activities ("Research") for Crucell as set out in the research program ("Program") attached hereto as Appendix 1 and as may be reasonably requested by Crucell from time to time, in accordance with this Agreement. Crucell reserves the right to propose an additional program to the

program set out in Appendix 1 in a mutually agreed upon field. AIMM shall not unreasonably withhold its consent to such addition. Upon AIMM's consent, such additional program shall be deemed incorporated under the defined term "Program" and a new protocol with timelines shall be agreed upon (however, the

monthly compensation for the Research shall not increase). Appendix 1 sets out the timelines within which the Research shall be performed, which timelines AIMM shall use best efforts to meet.

1.2

AIMM shall not unreasonably withhold its consent to any changes or additions to the Program proposed by Crucell.

(…)

2. Supply of Crucell Materials

(…)

2.3

The Crucell Materials shall be delivered to AIMM at the address stated in the caption of this Agreement. The Crucell Materials may only be used in connection with and for purposes of the Research during the term of this Agreement, and may in no event be transferred to any party without the prior written consent of Crucell.

(…)

3. Results and IP

3.1

Subject to the terms and conditions of this Agreement, Crucell hereby grants a non-exclusive, non-transferable, non-sublicenseable, royalty-free license under Crucell's intellectual property rights relating to the Crucell Materials, solely for the purpose of conducting the Research on behalf of Crucell during the term of this Agreement.

3.2

Subject to Clause 3.6, all rights, title and interest to any (intellectual property rights that may arise out of the) data, information, inventions, materials and physical, chemical, biological and/or other results, including methodological innovations, improvements to processes or testing procedures, documentary raw data, specimens, compounds, records, other materials and know-how, obtained in performing, or during the course of, the Research (collectively "Results") will vest in Crucell.

3.3

AIMM shall respond to reasonable inquiries of Crucell regarding the status of the Research and the Results obtained. AIMM will disclose promptly any inventions or improvements conceived or reduced to practice by AIMM, in the course of or as a result of the Research. AIMM shall assign its rights, title and interest in and to any and all such inventions and improvements to Crucell and execute such documents as may be required to file applications and to obtain patents in the name of Crucell or its nominees, in any countries, covering such inventions or improvements. Crucell shall compensate AIMM for all reasonable costs incurred in connection with the aforementioned execution of documents. AIMM will refrain from any and all acts that may jeopardize the patentability of any inventions or improvements in any jurisdiction.

3.6

AIMM shall remain the owner and holder of the exclusive rights to the patent applications set out in Appendix 2 ("Patents"). AIMM shall also remain the owner of all rights, title and interest to (i) any intellectual property rights that it owned prior to the commencement of the Research or makes or otherwise

develops in connection with research and/or development activities outside the scope of the Research and (ii) any improvements to the methods claimed in the Patents conceived and reduced to practice by AIMM in the course of the Research ("AIMM Property").

3.7.

Except as expressly set forth otherwise herein, nothing in this Agreement grants either Party rights or a license to any patent, copyright, trademark, or other intellectual property rights of the other Party.

(…)

4 Research contribution

4.1

Crucell shall pay AIMM a total compensation of EUR 50,333, exclusive of VAT, for each full month that the Research is performed. Such compensation has been calculated on the basis of the research budget set out in Appendix 1.

(…)

5. License

5.1.

AIMM hereby grants to Crucell a worldwide, perpetual, non-exclusive, assignable and sub-licenseable license under the Patents to develop, make, use, import, offer to sell and sell (or have the aforesaid done in respect of) any human antibody that is developed pursuant to the Results and using a method that would - but for the license granted herein - infringe one or more claims of any Patent.

5.2.

In consideration of the aforementioned grant of license, AIMM shall be entitled to the following milestones and royalties:

5.2.1.

upon the first Product entering a Phase I human clinical study (first administration to patient): EUR 0.05 million;

5.2.2.

upon the first Product entering a Phase II human clinical study (first administration to patient): EUR 0.15 million;

5.2.3.

upon the first Product entering a Phase III human clinical study (first administration to patient): EUR 0.2 million;

5.2.4.

upon the first filing of a BLA with the FDA or EMEA regarding the first Product: EUR 0.5 million;

5.2.5.

upon receipt of the first notification from the FDA or EMEA that the first Product has regulatory approval for marketing in the US or the European Union: EUR 0.6 million;

5.2.6.

upon first commercial sale of a Product within the US or European Union after receipt of regulatory approval: EUR 1.0 million;

5.2.7.

royalty on net sales (the scope of which term is to be agreed between the Parties) of Product: EUR 1.5%.

"Product" shall mean any human antibody or combination of antibodies for therapeutic use that is developed pursuant to the Results and using a method that would - but for the license granted herein - infringe any Relevant Patent Claim.

"Relevant Patent Claim" shall mean any claim of any Patent, to the extent (a) such Patent (i) is issued or (ii) is pending as a patent application for not longer than 3 years before a national or regional office in the US or Europe and (b) the claim or Patent has not (i) expired, (ii) been revoked, (iii) been abandoned or withdrawn, (iv) been held invalid or (v) otherwise become unenforceable, to be determined on a country-by-country basis.

(…)

8. Term and Termination

8.1

This Agreement shall take effect on the date indicated in the caption of this Agreement and may not be terminated other than as set out in Clauses 8.2 and 8.3.

8.3

Either Party may terminate this Agreement with immediate effect (1) in the event the other Party is in material default in the performance of its obligations under this Agreement and such default is not remedied within 20 business days after written notice specifying such default or (ii) in the event of the winding-up,

insolvency or bankruptcy of the other Party.

8.4

Upon termination of this Agreement, Clauses 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5, 3.6, 3.7, 3.8, 4.3, 4.4, 6, 7, 8.4, 9, 10 and 11 shall remain in full force and effect.

(…)

2.5.

Appendix 1 bij de Research Agreement heeft de hierna weergegeven inhoud:

2.6.

Tijdens de onderhandelingen over de Research Agreement heeft AIMM een ‘mark-up’ aan Crucell toegezonden met het hierna weergegeven wijzigingsvoorstel voor artikel 3.2 en een toelichting bij dat voorstel, gericht aan de jurist van Crucell:

2.7.

Tijdens de onderhandelingen over Appendix 1 (zie 2.5, bij Stage 2 onder A) wijzigde [X], projectleider bij Crucell (hierna: [X]) een tekstvoorstel van [A] van AIMM (hierna: [A]) op de hierna vermelde wijze:

2.8.

In een e-mailwisseling in februari 2008 stelt prof [B] (hierna: [B]), Chief Scientific Officer van AIMM, de volgende vraag:

> Is it correct that you guys only want IgM producing clones derived

> from the memory B cell pool (CD27+IgM+)?

[X] antwoordt hierop als volgt:

We are really not concerned with isotype but rather the VH/VL

combination that confers specificity. In our program we were successful in finding cross-reactive clones in the IgM+ memory B cell pool that's why we asked you to look there as well.

Hierop reageert [B] als volgt:

It would really help if you indicate what the criteria for your satisfaction are. I understood that you had about 10 cross reactive IgM's iso[l]ated from your immune library of which one was neutralizing (correct me if I am wrong). If two of our current 7 are neutralizing are you satisfied or not. If not why not?

2.9.

AIMM heeft uit bloedmonsters die zij had ontvangen van Crucell in het kader van de Research Agreement zogenaamde B-cellen (een bepaald type witte bloedcellen) geselecteerd2. Deze B-cellen heeft AIMM opgekweekt en daaruit 16 antilichamen geïsoleerd en geïdentificeerd, die kruisreactiviteit vertoonden met groep 1 en/of groep 2 influenza. In die groep bevonden zich 10 IgM antilichamen en 6 IgG antilichamen (hierna ook: de AIMM IgG Antilichamen).

2.10.

AIMM heeft medio 2008 120 antilichamen, waaronder de 16 kruisreactieve antilichamen, verstrekt aan Crucell in de vorm van supernatanten. Daarbij bevond zich een IgG antilichaam dat door Crucell het kenmerk CR8020 is gegeven (hierna ook: ‘CR8020’).

2.11.

De werkzaamheden die AIMM in het kader van de Research Agreement heeft verricht, zijn uitgevoerd door [B], [A], dr. [C] (hierna: [C]) en [D] (hierna: [D] en gezamenlijk: de AIMM-Medewerkers).

2.12.

Op 11 april 2008 hebben Crucell en AIMM een Exclusive Option Agreement (hierna: EOA) gesloten, waarin partijen met verwijzing naar de Research Agreement nadere afspraken hebben gemaakt over de door Crucell in het licht van een overname uit te voeren evaluatie van de samenwerking en due diligence. In deze EOA is de volgende optie opgenomen:

2.13.

Op 16 mei 2008 gaf [C] een presentatie voor Crucell waarin de volgende slides voorkwamen:

2.14.

Op 1 september 2008 zond [D] van AIMM aan [X] van Crucell het hieronder afgebeelde overzicht van alle kruisreactieve antilichamen die AIMM had geïsoleerd en geïdentificeerd, en waarvan supernatanten aan Crucell waren geleverd. In het overzicht is in de tweede kolom het isotype van de antilichamen vermeld (G voor IgG’s en M voor IgM’s).

2.15.

Op 23 september 2008 gaven partijen presentaties over het research project aan het senior management van Crucell. De hieronder weergegeven slides maakten deel uit van de presentatie van AIMM:

2.16.

Op 23 september 2008 gaf [X] (van Crucell) tijdens dezelfde bijeenkomst een presentatie, waarin de volgende slides voorkwamen (aangebrachte markeringen zijn afkomstig van Crucell):

2.16.1.

2.16.2.

2.17.

Crucell heeft verder onderzoek gedaan naar de van AIMM ontvangen resultaten. Zij heeft daarbij het door AIMM als 40C7 aangeduide antilichaam (zie 2.14 tweede regel van het overzicht) verder aangeduid als CR8020. Op de in 2.16.3 weergegeven slide is dat antilichaam eveneens op de tweede regel te zien.

2.18.

In een met betrekking tot de samenwerking tussen Crucell en AIMM opgemaakt evaluatierapport van 5 augustus 2008 schreef [X]:

This resulted in a total panel of 65 clones (Table 11). Supernatant was generated by culturing for 14 days. Population doubling time (~ 40 hours) and concentrations of secreted antibody measured be specific ELISA suggested the B cells were healthy and secreting antibody normally. However surprisingly it was noted that most of the clones were IgG secreting clones while they had been sorted based on an IgM+ phenotype. Reanalysis of the data determined that in one of the sorting experiments there had been contamination from the IgG+ memory pool into the IgM+ memory B cell sort. Subsequent refinement of the sorting protocol resulted in the correct segregation of the expected isotypes. But this event, which was due to operator error, highlights the need for well trained and experienced personnel to generate the highly pure sort of the bulk cultures required to properly separate the B cell compartments.

2.19.

Bij brief van 10 oktober 20083 heeft Crucell de EOA (zie 2.12) opgezegd.

2.20.

In 2009 hebben partijen gesproken over een verdere samenwerking ten behoeve van een influenzaproject. Deze gesprekken hebben niet tot een (nieuwe) samenwerking geleid.

2.21.

In een e-mail van 22 maart 2009 schreef [E] (hierna: [E]) van AIMM het volgende aan Crucell:

In hoofdstuk 3.2. staat dat alle resultaten van het vorig jaar uitgevoerd programma op naam komen van C. [Rb: Crucell]. Eventuele octrooien komen op naam van C. Dat betreft dus het eigendom van die specifieke resultaten. Wat betreft het maken en op de markt brengen van producten, is artikel 5 van belang. Daar staat dat Crucell een non-exclusieve licentie krijgt om gebruik makend van de hierboven genoemde specifieke resultaten humane antilichamen te maken, te produceren en op de markt te brengen. Da[t] houdt in dat AIMM zelf ook alle ruimte heeft om op dit gebied in de volle breedte producten te ontwikkelen. Dit is altijd de uitleg van [… 1] geweest, waarom de getallen in deze Research Overeenkomst zo laag zijn. Dit naast het feit de allereerste prioriteit van Crucell op dat moment was om via een aan Crucell zeer bekende target, de AIMM -technologie te evalueren.

2.22.

Crucell heeft wereldwijd octrooiaanvragen gedaan die beogen onder meer CR8020 onder bescherming te stellen. Het gaat daarbij om de Europese aanvragen EP 09159 947 en EP 10 151 155 (ingediend op 11 mei 2009 en 20 januari 2010) en de Amerikaanse aanvrage US 61/215,890 (ingediend op 11 mei 2009). Voorts gaat het om de op 6 mei 2010 ingediende PCT-aanvrage PCT/EP2010/056217, die is gepubliceerd als WO 2010/130636 (hierna: ‘WO 636’) en de prioriteit van vorenbedoelde drie aanvragen inroept, alsmede alle voortzettingen daarvan en eventueel reeds daarop verleende octrooien, waaronder de Europese octrooiaanvrage EP 10 718 169.5 gepubliceerd op 21 maart 2012 onder EP 2 430 046 (hierna: ‘EP 046’). Daarnaast heeft Crucell zelfstandige octrooi-aanvragen gedaan in Taiwan en Argentinië, aangevraagd in Taiwan onder nummer TW 2010 0114829 en gepubliceerd als TW 2010 043248, en in Argentinië als AR 2010 P101631 en gepubliceerd onder AR 076570 (hierna worden alle aanvragen en octrooien samen ‘de Octrooien en Aanvragen’ genoemd).

2.23.

WO 636 betreft ‘Human binding molecules capable of neutralizing influenza virus H3N2 and uses thereof’. De beschrijving van de aanvrage bevat onder meer de volgende tekst:

2.24.

De Octrooien en Aanvragen vermelden de volgende uitvinders: [X], [Y], [W] en [Z]. Deze personen zijn allen werknemers van Crucell (geweest).

2.25.

Bij e-mail van 6 januari 2010 schreef [B] het volgende aan prof [Q] (hierna: [Q]) van Crucell:

Dank voor de update. Uiteraard zijn wij er trots op dat een van onze antilichamen verder

wordt ontwikkeld. Ik neem aan dat het gaat om onze anti Clade 2 antistof. Je hebt die niet al

te duur in handen gekregen maar daar staat voor AIMM tegenover dat jullie steun heel

belangrijk was voor de vroege ontwikkeling van de company en de technologie. Wij zijn jullie daar natuurlijk erkentelijk voor. Dat komt bovenop twee andere antilichamen die momenteel door twee companies verder worden ontwikkeld en tonen de kracht aan van onze technologie (om die vervelende reclame taal maar eens te gebruiken). Wij zijn erg benieuwd naar je presentatie over de vooruitgang met de Flu antistoffen. Laat ons weten wanneer je komt.

2.26.

Bij e-mail van 11 februari 2011 schreef [B] het volgende aan [Q]:

In [een] Keystone symposium over Antibodies as drugs zag ik een poster van jullie waarin twee van onze antistoffen werden beschreven. [… 2] liet de structuur zien in zijn presentatie. Ik neem aan dat jullie dit nu snel gaan publiceren. Op mijn vraag hoe jullie de

bron van deze antistoffen gaan beschrijven werd mij verteld dat er waarschijnlijk verwezen gaat worden naar onze paper in Nature Medicine dat de technologie beschrijft. Ik heb daar geen bezwaar tegen maar ik zou wel met jullie willen praten of op die paper ook niet medewerkers van AIMM die een belangrijke rol bij het genereren van deze antistoffen hebben gespeeld op deze paper moeten komen. Intern moet ik nog even kortsluiten of dat wel in het belang van AIMM is. Ik zal je de uitkomst van die discussie snel laten weten. Als jullie het eens kunnen zijn met een co auteursschap van AIMM medewerkers zou volgens mij onze overeenkomst aangepast moeten worden.

2.27.

Bij e-mail van 15 februari 2011 schreef [B] het volgende aan [Q]:

Ik wil nog even terugkomen op de auteursschappen van AIMM mensen op een eventuele Flu paper. Wij zijn er trots op dat jullie in staat zijn geweest om deze data te verzamelen, zonder meer prima science, en zeker dat jullie deze antistoffen naar de kliniek gaan brengen. Je zult begrijpen dat het voor AIMM belangrijk is om public relation redenen dat zij erkend wordt als de partij die deze antistoffen heeft gemaakt. Het contract dat was afgesloten was nog toen wij een zeer kleine partij waren en nog niet goed wisten hoe sterk onze technologie is. Vandaar dat wij onze handen wb anti Flu antistoffen wilden vrijhouden. De situatie is nu veranderd. Onze technologie heeft zich bewezen, we hebben al redelijk wat geld via licenties binnengehaald. Ik hoop dat je begrijpt dat wij graag de erkenning willen hebben dat we antistoffen hebben gemaakt die ook daadwerkelijk de kliniek in gaan. Als wij kunnen refereren aan een paper over zulke antistoffen waar mensen van ons opstaan zou dat ons zeer kunnen helpen.

2.28.

In een e-mail van eveneens 15 februari 2011 schreef [B] het volgende aan [Q]:

De nieuwe antistoffen zijn geheel onafhankelijk gemaakt met nieuwe donoren. Ze hebben ook andere sequenties dan die van jullie. Ze zijn in 2010 gemaakt. Er zijn ook andere eigenschappen waarin onze antistoffen verschillen van die van jullie. Dat willen we graag aan [Y] laten zien. Of deze antistoffen onder jullie patent vallen weten we niet want we kennen jullie patent niet. Inderdaad omdat de research overeenkomst beperkt is tot de antistoffen die we samen met jullie hebben gemaakt ligt het veld nog voor ons open. Dus in principe (mits ze niet onder jullie patent vallen natuurlijk) kunnen onze antistoffen concurrerend zijn met die we voor jul1ie hebben gemaakt. We hebben echter nog geen partner om deze verder te ontwikkelen.

2.29.

In een e-mail van 3 april 2011 schreef [B] het volgende aan Crucell:

Ik neem aan dat je de presentatie die we over onze nieuwe anti Flu antistoffen (...) opgestuurd hebt gekregen. We hebben nu de neutraliserende activiteit van onze antistoffen tegen H3 virus vergeleken met CR8020 zoals dat is gepubliceerd in jullie patent aanvraag W02A130636Al. In onze handen heeft AT10_002 heeft een 6-10x hogere in vitro neutraliserende activiteit vergeleken met CR8020. AT10_004, dat ook H1 zwak neutraliseert in onze handen, heeft ruw weg dezelfde neutraliserende activiteit als CR8020. We zijn nog bezig te kijken of deze biologische verschillen worden veroorzaakt in verschillen in affiniteit van de antistoffen voor H3. Er is nu belangstelling voor deze antistoffen van andere partijen maar ik vind het wel zo correct deze gegevens aan jullie te laten weten. Hebben jullie nog interesse in deze antistoffen?

2.30.

In augustus 2011 heeft Crucell een artikel met betrekking tot CR8020 gepubliceerd in het tijdschrift Science. In dat artikel werden de AIMM-Medewerkers niet vermeld.

2.31.

Bij e-mail van 25 januari 2013 scheef [B] het volgende aan [Q]:

Het was inderdaad een samenspel en wel een heel succesvolle. Echter de sequentie van events is volgens ons iets anders dan jij noemt. Jullie verwachting was inderdaad dat de kruisreagerende group 2 antistoffen van het IgM type zouden zijn. Ik herinner mij een felle

discussie met [X]) jullie lead Scientist toendertijd, waarin ik postuleerde dat deze

antistoffen helemaal niet in het IgM repertoire maar in het IgG repertoire aanwezig zouden

zijn. Mijn voorspelling was dat de frequentie in de IgM+ B cellen buitengewoon laag zou zijn. Ik was en ben van mening dat de isolatie van jullie anti H1 IgM clone een toevalstreffer is geweest. Ik had gelijk. Die antistoffen zitten voornamelijk in het IgG repertoire zoals wij

en ook anderen hebben laten zien. Hadden wij ons zoals jullie scientists wilden ons gericht

op het IgM repertoire dan hadden wij deze antistoffen niet gevonden. Wij hebben onze unieke technologie toegepast op B cellen uit bloed van gevaccineerde individuen die Crucell had aangeleverd. AIMM had al zwaar geinvesteerd in deze technologie en met antistoffen tegen RSV (waarvan, ter zijde, een nu in ontwikkeling is bij Medimmune) de waarde aangetoond. Wij hadden jullie ook gewezen op de unieke eigenschap van onze B cel clonen, namelijk expressie van membraan gebonden IgG. We hadden aangetoond dat met gelabeld tetanus toxine zeer snel tt-specifieke clones geisoleerd konden worden en hadden zelf voorgesteld die truuk ook toe te passen om H3-specifieke clones te isoleren. [X] was daar zeer sceptisch over maar ook daar hebben we ons, achteraf terecht, niets van aangetrokken. Voor deze proeven is inderdaad H3 gebruikt dat jullie hadden aangeleverd en dat jullie volgens de betrokken Crucell scientists zelf bij Protein Sciences hadden gekocht. De antistof genen van de clones die wij jullie hebben aangeleverd zijn bovendien door ons gesequenced voordat die werden geleverd aan Crucell om er zeker van te zijn dat iedere clone uniek was. Die sequenties zijn met jullie gedeeld. Het kan best zijn dat jullie de sequenties hebben gecheckt maar de primaire data waren toch echt van ons afkomstig. We hebben jullie van onze clones supernatants gegeven, daaruit hebben jullie IgG gezuiverd en getest op neutralisatie. Van de positieve clones heeft [D] heeft het DNA gegeven waarmee vervolgens door jullie recombinant antistoffen zijn gemaakt. Ik kan dus stellen dat de inbreng van ons in de opzet en uitvoering van dit project essentieel is geweest. Al met al beschouwen wij deze antistoffen als te zijn gemaakt door AIMM en gekarakteriseerd en verder ontwikkeld [d]oor Crucell. Dus inderdaad was Crucell essentieel was voor verdere ontwikkeling van dit antistof. Jullie hebben daarin zwaar geinvesteerd en de revenuen zijn dientengevolge voor jullie. Al met al is wel duidelijk dat dit een volledige en zeer soepele en productieve samenwerking is geweest en het is erg jammer dat dit nooit een vervolg heeft gekregen. Hopelijk is er een herkansing in de vorm van een samenwerking op het gebied van kanker.

Wat betreft het persbericht: Voor AIMM als een start up is het buitengewoon belangrijk dat we aan de buitenwacht kunnen laten weten dat met onze technologie gemaakte antistoffen klinisch getest worden. Ik hoop dat je dat kunt begrijpen. Zulk een persbericht kan gemakkelijk zo worden opgezet dat de rol van Crucell niet wordt onderbelicht. Ik geloof ook dat we Crucell daarmee niets tekort doen en ik kan me niet voorstellen dat jullie commerciële belangen hiermee geschaad warden. Wij zouden dus heel graag een persbericht hier over doen uitgaan. Ik kan me voorstellen dat JnJ zelf geen persbericht wil publiceren in dit stadium maar ik kan me wel voorstellen dat er een quote van jullie geplaatst wordt. Ik hoop dat we hier uit kunnen komen.

2.32.

Op 5 februari 2013 schreef [F] van AIMM (hierna: ‘[F]’) in een e-mail aan Johnson & Johnson, het moederbedrijf van Crucell:

2.33.

Bij e-mail van 5 maart 2013 schreef [Q] van Crucell het volgende aan [B] van AIMM:

Hierop heeft [B] diezelfde dag als volgt geantwoord:

2.34.

Bij e-mail van 7 maart 2013 schreef [C] (AIMM) het volgende:

2.35.

Op 25 juni 2013 schreef [F] (van AIMM) aan Crucell:

2.36.

Op of omstreeks 27 juni 2013 heeft Crucell een bedrag van € 50.000,- betaald aan AIMM.

2.37.

In de periode augustus tot en met oktober 2014 heeft AIMM als ‘Assignee’ met ieder van de AIMM-Medewerkers als ‘Assignor’ een overeenkomst gesloten. Deze vier overeenkomsten bevatten allemaal de volgende overwegingen en bepaling:

WHEREAS:

(a) In view of the contract, Rb] entered into by and between Assignor and Assignee, Assignee is inter alia entitled to any and all rights to Assignor's knowhow, inventions and concepts, pertaining to certain subject matter.

(b) To the extent that any of the rights referred to in recital (a) still rest with Assignor, Assignor

wishes to assign and deliver such rights to Assignee, and Assignee wishes to acquire such

rights.

IT IS AGREED AS FOLLOWS:

1 ASSIGNMENT AND DELIVERY

To the extent that any such rights still rest with Assignor, Assignor hereby assigns and delivers

any and all rights to Assignor's knowhow, inventions and concepts conceived as from [commencement date of the contract, Rb] to Assignee and Assignee hereby accepts such assignment and delivery. For the avoidance of doubt, this also includes the right to file own patent applications thereon and to start entitlement proceedings in respect of such rights, including claiming entitlement to:

(…)

2.38.

Op 9 februari 2015 heeft [Q] een schriftelijke verklaring ondertekend, waarin hij onder andere heeft verklaard:

Appendix 1- the Program outline

92. Appendix 1 to the Research Agreement was intended as an outline of the work that AIMM would perform. Two stages were envisaged. Stage 1 was to immortalize the B-cells found in the blood of the donors as supplied by Crucell. The B-cells would be sorted into a pool of IgM producing B-cells and IgG producing B-cells.

93. The purpose of this sort was to be able to analyse the natural frequency of occurrence of such antibodies in the IgM and IgG pools respectively. We had previously isolated a cross-neutralizing antibody (CR6161) from the IgM pool. Other research groups had found similar antibodies in mixed lgM and IgG pools, but no data was available to allow a comparison between the IgM and IgG pool. We were interested in investigating which pool had the highest frequency.

94. From the perspective of developing a product, however, it did not matter to us from which pool the antibodies actually came from. The end product was always intended to be an engineered IgG antibody.

95. Stage 2 was the actual selection of antibodies that bind to various subtypes of the HA protein using standard solid phase or capture ELISA techniques. To remove duplicates, AIMM would also sequence the variable domains of the binding antibodies. The sequence of the variable domain is important for the binding properties of the antibody. After selection, AIMM was to transfer all binding antibodies to Crucell in the form of supernatants: solutions containing the separated and multiplied antibodies of interest. AIMM would also transfer the DNA sequences of the variable domains (both in the form of actual DNA (PCR product) as well in the form of data (written sequences)).

96. This section of the program outline mentions the working hypothesis that the cross-reactive antibodies of interest were most likely to be found in the lgM memory compartment.

97. The main reason for this hypothesis is that, as mentioned above in paragraph 33, the primary response of the immune system entails the production of IgM antibodies. One week post-vaccination, which is when we collected the blood samples, the IgM titre is the highest. IgGs are produced in a

later phase of the immune response, and its titre peaks roughly after the second week. Given that the blood samples had been collected one week post-vaccination, it was expected that the frequency of the cross-binding anti-HA antibodies (i.e. the antibodies of interest) in our donor blood would be higher in the lgM compartment. In an earlier project, we had in fact isolated anti-influenza antibody from the IgM memory B cell pool that was cross-reactive and neutralizing for H1, H2, HS, H6 and H9 (CR6261).

(…)

100. That the goal of the project was to find cross-reactive antibodies, irrespective of the isotype, is also apparent from contemporaneous documents, including the presentation that [C] of AIMM gave on 16 May 2008 (Exhibit JG-8). AIMM discusses this presentation briefly in paragraph 53 of its writ of summons. The presentation sets out the primary objective of the work that was being carried out, and the "working hypothesis" at the start of the project:

[waarna de in 2.13.1 weergegeven slide in de verklaring is afgebeeld, Rechtbank]”

2.39.

Op 23 mei 2017 hebben AIMM en [A] een document ondertekend, waarin zij onder meer het volgende overeenkomen:

Op 23 en 24 mei 2017 hebben AIMM en ieder van de andere AIMM-medewerkers een gelijksoortig document ondertekend.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

AIMM vordert – zakelijk weergegeven – na eisvermeerdering, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

3.1.1.

Primair: opeising gehele Octrooien en Aanvragen

  1. een verklaring voor recht dat de AIMM-Medewerkers de (enige) uitvinders zijn van het onderwerp van de Octrooien en Aanvragen;

  2. een verklaring voor recht dat de daarop thans genoemde uitvinders niet de uitvinders zijn van de Octrooien en Aanvragen;

  3. een verklaring voor recht dat AIMM aanspraak heeft op de Octrooien en Aanvragen;

  4. een gebod aan Crucell tot overdracht aan AIMM van de Octrooien en Aanvragen en tot het verlenen van alle medewerking aan de zekerstelling van deze aanspraak, op straffe van een dwangsom;

  5. bepaling dat op grond van artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte notariële akte van overdracht van de Octrooien en Aanvragen;

  6. een bevel dat Crucell volledige medewerking dient te verlenen, op welke wijze dan ook, die nodig is om zeker te stellen dat de AIMM Medewerkers en niet de thans vermelde personen geregistreerd staan als uitvinders van de Octrooien en Aanvragen, op straffe van een dwangsom;

3.1.2.

Subsidiair: opeising van aandeel en/of gedeelte in de Octrooien en Aanvragen

een verklaring voor recht dat AIMM aanspraak heeft op een aandeel of gedeelte van de Octrooien en Aanvragen;

een gebod aan Crucell tot overdracht aan AIMM van het onder g) bedoelde aandeel/gedeelte, op straffe van een dwangsom;

bepaling dat op grond van artikel 3:300 BW de uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte notariële akte van overdracht van het onder g) bedoelde aandeel/gedeelte van Crucell aan AIMM;

3.1.3.

Primair: onrechtmatige daad / wanprestatie

een verklaring voor recht dat activiteiten van Crucell die verband houden met de AIMM IgG Antilichamen en/of andere knowhow van AIMM waarop Crucell geen rechten heeft, onrechtmatig zijn jegens AIMM, in het bijzonder dat Crucell onrechtmatig handelt jegens AIMM door CR8020 en/of andere AIMM IgG Antilichamen te gebruiken in klinische studies in Europa en in de Verenigde Staten, en in haar influenza-programma;

een verklaring voor recht dat Crucell door de AIMM IgG Antilichamen te gebruiken en te openbaren toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de Geheimhoudingsovereenkomst;

een bevel aan Crucell haar activiteiten die verband houden met AIMM IgG Antilichamen en/of andere knowhow van AIMM waarop Crucell geen rechten heeft, te staken en gestaakt te houden;

veroordeling van Crucell tot het betalen van schadevergoeding aan AIMM in verband met alle door AIMM geleden en nog te lijden schade als gevolg van de onder j) en k) genoemde omstandigheden, door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

een bevel aan Crucell om op de homepagina van de websites www.crucell.nl en www.crucell.com een rectificatie te plaatsen met de in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie tevens vermeerdering van eis vermelde tekst;

een bevel om in een aantal internationale Engelstalige dagbladen de onder n) bedoelde rectificatie te plaatsen;

3.1.4.

Subsidiair: vernietiging Research Agreement

voor zover de rechtbank van oordeel is dat Crucell op basis van de Research Agreement aanspraak kan maken op de AIMM IgG Antilichamen:

een verklaring voor recht dat de Research Agreement vatbaar is voor vernietiging door AIMM op grond van i) misbruik van omstandigheden door Crucell althans ii) dwaling aan de zijde van AIMM;

een verklaring voor recht dat AIMM de Research Agreement rechtsgeldig heeft ontbonden en de rechten op de IgG-Antilichamen daarom (thans) bij AIMM liggen;

3.1.5.

Meer subsidiair: betaling

voor zover de rechtbank van oordeel is dat Crucell op basis van de Research Agreement recht heeft op de AIMM IgG Antilichamen en dat deze overeenkomst (nog) van kracht is:

een verklaring voor recht dat Crucell aan AIMM milestone-betalingen verschuldigd is in de zin van artikel 5.2. van de Research Agreement, meer in het bijzonder dat zij in verband met artikel 5.2.2. van de Research Agreement een bedrag van € 150.000,- aan AIMM dient te voldoen;

veroordeling van Crucell tot betaling van € 150.000,-;

3.1.6.

Primair en subsidiair voorts:

met veroordeling van Crucell tot betaling van de kosten van deze procedure zoals bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), althans voor zover de rechtbank met Crucell zou menen dat artikel 1019h Rv van toepassing is, conform artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.1.7.

De hiervoor in 3.1.1 tot en met 3.1.5 opgesomde onderdelen a) tot en met s) van de vordering worden hierna ook aangeduid als ʽonderdeelʼ of ʽvorderingʼ aangevuld met de betreffende letter.

3.2.

AIMM legt aan haar vorderingen onder meer het volgende ten grondslag.

3.2.1.

De AIMM-Medewerkers hebben de uitvinding gedaan die de materie van de Octrooien en Aanvragen vormt. Met name CR8020 is een antilichaam dat de AIMM-Medewerkers hebben geïdentificeerd en geïsoleerd. De AIMM-Medewerkers – en niet de thans daarop vermelde personen – dienen derhalve op de Octrooien en Aanvragen als uitvinders te worden vermeld. CR8020 is een IgG antilichaam. De Research Agreement is daarop niet van toepassing, omdat de opdracht onder de Research Agreement was beperkt tot het identificeren en isoleren van IgM antilichamen. Dat volgt uit Appendix 1 bij de Research Agreement en wordt onder meer bevestigd door de verklaring van [A]. De AIMM-Medewerkers hebben, voor zover nodig, al hun rechten ter zake van de resultaten van hun research overgedragen aan AIMM. AIMM kan derhalve aanspraak maken op de Octrooien en Aanvragen op grond van artikel 60 en 61 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (EOV) en vergelijkbare bepalingen in andere toepasselijke octrooiwetgeving.

3.2.2.

AIMM is op grond van artikel 62 EOV en vergelijkbare toepasselijke wetgeving ook gerechtigd te vorderen dat de AIMM-Medewerkers als uitvinders op de Octrooien en Aanvragen worden genoemd.

3.2.3.

Voor zover de AIMM-Medewerkers al niet de enige uitvinders van de materie van de Octrooien en Aanvragen zijn, zijn zij in ieder geval mede-uitvinder daarvan.

3.2.4.

Crucell heeft in strijd gehandeld met haar verplichtingen onder de Geheimhoudingsovereenkomst door de Octrooien aan te vragen en/of Aanvragen te doen. Ook handelt zij onrechtmatig jegens AIMM met deze handelwijze.

3.2.5.

AIMM lijdt schade door de toerekenbare tekortkoming en onrechtmatige daad van Crucell, voor de vergoeding waarvan Crucell aansprakelijk is. Crucell heeft aanzienlijke financiële steun ontvangen van de US National Institute of Allergy and Infectious Diseases (NIAID). Daarnaast heeft Crucell de antilichamen van AIMM gebruikt in haar vaccinatieprogramma. Hierbij heeft Crucell de rol van AIMM bij de identificatie van de antilichamen die de spil vormen van het programma steeds onvermeld gelaten.

3.2.6.

Subsidiair: voor zover de rechtbank zou menen dat IgG’s wel onder het bereik van de Research Agreement vallen, vordert AIMM een verklaring voor recht dat zij de Research Agreement rechtsgeldig heeft ontbonden, althans vernietiging van de Research Agreement

op grond van misbruik van omstandigheden, althans op grond van dwaling. Bij het sluiten van de Research Agreement was Crucell ervan op de hoogte dat AIMM in een kwetsbare financiële positie verkeerde. Er was sprake van een ongelijkheid van partijen in het vooruitzicht van een mogelijke overname heeft Crucell AIMM bewogen tot het sluiten van de Research Agreement, terwijl zij haar daarvan had behoren te weerhouden.

3.2.7.

Voor zover de rechtbank mocht oordelen dat de IgG’s wel onder het bereik van de Research Agreement vallen en dat die overeenkomst nog van kracht is, vordert AIMM een verklaring voor recht dat zij op grond van artikel 5.2 van de Research Agreement recht heeft op een (milestone)betaling van € 150.000,-.

3.3.

Crucell voert gemotiveerd verweer.

3.3.1.

Primair voert zij (onder meer) aan dat niet AIMM maar Crucell de uitvinding heeft gedaan die de materie vormt van de Octrooien en Aanvragen. AIMM heeft bij het onderzoek dat zij heeft gedaan alleen maar openbaar bekende technieken van AIMM gebruikt, maar geen inventieve arbeid verricht. De inventieve arbeid is gelegen in de bewerking door Crucell van de door AIMM geïsoleerde antilichamen.

3.3.2.

Voorts beroept Crucell zich op niet-ontvankelijkheid van AIMM in haar vorderingen, omdat AIMM niet heeft gesteld dat en hoe zij is gevolmachtigd door de AIMM-Medewerkers om de vorderingen in te stellen, althans anderszins gerechtigd is de vorderingen op eigen naam in te stellen.

3.3.3.

Voor de vordering tot vermelding als uitvinder op het octrooi geldt in ieder geval dat er sprake is van een persoonlijk recht dat door de AIMM-Medewerkers niet overgedragen kan worden.

3.3.4.

Ook bestrijdt Crucell dat er in alle rechtstelsels waarvoor de Octrooien en Aanvragen zijn gedaan, een grondslag is voor de vorderingen van AIMM.

3.3.5.

Subsidiair stelt Crucell dat, zelfs als er (mede) door de AIMM-Medewerkers uitvinderswerkzaamheid is verricht, AIMM geen aanspraak heeft op de Octrooien en Aanvragen, omdat partijen in de Research Agreement zijn overeengekomen dat die aanspraken aan Crucell toekomen. Gelet op alle omstandigheden van het geval dient de Research Agreement zo uitgelegd te worden dat die aanspraken niet alleen betrekking hebben op de door AIMM geïsoleerde IgM’s, maar ook op de IgG’s.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Crucell vordert – zakelijk weergegeven – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. een verklaring voor recht dat AIMM ongerechtvaardigd de Research Agreement heeft trachten te ontbinden;

  2. een verklaring voor recht dat de Research Agreement van kracht is en blijft;

  3. veroordeling van AIMM in de kosten van het geding.

3.6.

Crucell legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.

3.6.1.

De IgG antilichamen die Crucell van AIMM heeft ontvangen, waren onderzoeksresultaten die onder het bereik van de Research Agreement vielen. Op grond van artikel 3.2. van de Research Agreement heeft Crucell derhalve recht op de intellectuele eigendomsrechten die die resultaten onder bescherming stellen. Beide partijen zijn daar ook van uitgegaan, zowel gedurende de overeenkomst als lange tijd daarna. AIMM heeft de Research Agreement zelfs ontbonden omdat Crucell haar niet tijdig een milestone betaling

zou hebben gedaan voor de met CR8020 behaalde resultaten. Crucell had AIMM voor die ontbinding echter al toegezegd dat zij haar betalingsverplichtingen waarvan AIMM nakoming vorderde, zou nakomen. Deze betaling heeft Crucell ook voldaan, zij het dat deze door omstandigheden later heeft plaatsgevonden dan de bedoeling was. Gelet op voormelde toezegging handelde AIMM in strijd met de redelijkheid en billijkheid door de Research Agreement te beëindigen.

3.7.

AIMM voert gemotiveerd verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Technische achtergrond

De hierna volgende beschrijving van de technische achtergrond van de Octrooien en Aanvragen is ontleend aan de processtukken van AIMM en tussen partijen niet (langer) in geschil. Deze beschrijving was al in het incidentele vonnis opgenomen, maar wordt voor een goed begrip van de techniek herhaald.

4.1.

Het influenzavirus

4.1.1.

Influenza, ook wel “griep” genoemd, is een zeer besmettelijke virale infectie van neus, keel en longen. Influenza behoort tot de meest voorkomende ziekten; jaarlijks worden wereldwijd drie tot vijf miljoen mensen ernstig ziek en sterven er 250.000 tot 500.000. Influenza verbreidt zich razendsnel in seizoensepidemieën, waarbij 5 tot 15% van de bevolking wordt besmet.

4.1.2.

Er bestaan drie soorten griepvirussen: Type A, B en C. Griepvirussen type B

en C zijn voornamelijk menselijke virussen. Influenza A-virussen besmetten zowel mensen als andere zoogdieren en een groot aantal vogelsoorten. In deze procedure draait het om antilichamen tegen influenza A.

4.1.3.

Influenza A-virussen kunnen worden onderverdeeld in subtypen op basis van

variaties van twee karakteristieke genen en de daarmee samenhangende eiwitten, te weten hemagglutine ("HA") en neuraminidase ("NA"). Deze eiwitten zijn nodig voor de virale hechting en het loslaten van cellen. Het HA eiwit wordt voorts wel onderscheiden in een (bolvormige) kopregio en een stamregio. Er zijn momenteel minstens zeventien bekende subtypes van HA (H1-H17) en negen subtypes van NA (N1-N9). Subtypen van influenzavirussen kunnen op basis van hun evolutionaire kenmerken worden ingedeeld in twee hoofdgroepen: groep 1 met onder andere subtypes H1, H2, H5 en H9 en groep 2 met onder andere de subtypes H3, H4, H7 en H10. Deze subgroepen zijn onderling verschillend. De materie waarop de Octrooien en Aanvragen betrekking hebben, betreft in het bijzonder antilichamen tegen HA eiwitten van influenza A van groep 2, in het bijzonder subtypes H3 en H7.

4.1.4.

Jaarlijkse griepepidemieën doen zich voor wanneer de antigene eigenschappen van het virale oppervlakte-eiwit HA en/of NA veranderen. Dit mechanisme is tweeledig: (i) antigene shift, veroorzaakt door een genetische herschikking tussen menselijke en dierlijke virussen na een dubbele infectie van gastheercellen. Dit fenomeen kan pandemieën veroorzaken; en (ii) antigene drift, veroorzaakt door kleine wijzigingen in de HA- en NA-eiwitten op het virusoppervlak. Deze kleine wijzigingen maken het virus onherkenbaar

voor bestaande gastheer-immuniteit, waardoor evasie van het immuunsysteem van de gastheer mogelijk wordt. Dit kan leiden tot epidemieën. De bolvormige kop van het HA eiwit van het influenzavirus is zeer gevoelig voor antigene drift. De stamregio van het influenzavirus heeft daarentegen een beter geconserveerde structuur.

4.1.5.

Deze eigenschappen van influenza maken het tot een ziekte die moeilijk te bestrijden is. Dankzij de antigene shift en antigene drift heeft het influenzavirus een effectief evasiemechanisme. Antilichamen die tot kruisreactiviteit in staat zijn en binden aan een geconserveerd gedeelte van het influenza HA virus, zijn minder gevoelig voor dit mechanisme.

4.2.

Antilichamen: hoe het immuunsysteem influenza bestrijdt

4.2.1.

Het immuunsysteem van de mens kan grofweg worden onderverdeeld in twee functionele afdelingen, namelijk het aangeboren immuunsysteem en het adaptieve immuunsysteem. Het aangeboren immuunsysteem treedt op als een eerstelijns verdediging tegen materiaal dat als schadelijk wordt gezien, zoals virussen en bacteriën (die pathogenen worden genoemd wanneer zij een ziekte veroorzaken). Het adaptieve immuunsysteem vormt een aanvulling op de werking van het aangeboren immuunsysteem. Het adaptieve systeem brengt een specifieke reactie teweeg bij elk pathogeen.

4.2.2.

Antilichamen, ook wel immunoglobuline, (afgekort: "Ig") genoemd, zijn belangrijke componenten van het adaptieve immuunsysteem. Antilichamen worden aangemaakt door zogenoemde B-cellen.

4.3.

B-cellen

4.3.1.

B-cellen zijn witte bloedcellen en kunnen worden onderscheiden van andere

subtypen witte bloedcellen door de aanwezigheid van een eiwit op de buitenkant van de B-cel, dat een B-celreceptor wordt genoemd. Deze receptor zorgt ervoor dat de B-cel zich kan hechten aan een pathogeen. Na een eerste ontmoeting van een B-cel met een pathogeen, kunnen B-geheugencellen ontstaan die in het lichaam overleven en dezelfde pathogeen onthouden. Zo kunnen de B-cellen bij een toekomstige blootstelling aan het pathogeen sneller reageren. Vaccinaties zijn op dit mechanisme geënt. B-cellen kunnen uitgroeien tot

en differentiëren in plasmacellen die antilichaam aanmaken. De door (opgekweekte) B‑cellen geproduceerde antilichamen komen in de kweekvloeistof terecht. Kweekvloeistof waar geen cellen meer in zitten wordt supernatant genoemd.

4.4.

Antilichamen (Ig's)

4.4.1.

Antilichamen - die in hun basale vorm de vorm van een groot Y-vormig eiwit

hebben - worden door het immuunsysteem gebruikt om pathogenen te identificeren, te binden en (mogelijk ook) te neutraliseren. Elk antilichaammolecuul bindt zich aan een van vele moleculen op het oppervlak van een pathogeen. Moleculen waar antilichamen zich aan binden worden antigenen genoemd (een afkorting van antibody generators). Elk antilichaam bindt zich aan een specifiek deel van het antigeen; dit deel wordt epitoop genoemd.

De onderstaande afbeelding toont B-cellen (cirkelvorming, roze en grijs) die antilichamen hebben aangemaakt, die zich aan hun oppervlak hechten (Y-vormig) en reageren op antigene moleculen (uiterst links en uiterst rechts).

4.4.2.

Hoewel de algemene structuur, of basis, van alle antilichamen gelijk is, bestaan grote verschillen in een klein deel aan de kop of de armen van het eiwit. Hierdoor kunnen miljarden antilichamen met minimale verschillen bestaan. Elk van de varianten kan zich aan een ander antigeen binden. Door deze enorme diversiteit aan antilichamen kan het immuunsysteem een even groot scala aan antigenen herkennen. De geschatte totale diversiteit aan antilichamen bij de mens is 1011 verschillende antilichamen.

4.4.3.

De volgende afbeelding toont de basisstructuur van een antilichaam. De Y-vorm van het antilichaam bestaat uit twee identieke zware aminozuur ketens en twee identieke lichte aminozuur ketens (in de Y-vorm). De basis van het antilichaam heeft altijd dezelfde vorm. De vorm van de bovenkant van de armen van de Y-vorm kan variëren (variabele regio). Deze regio wordt ook wel de antigeen-bindingsplaats genoemd (Engels: antigen binding site).

De relatie tussen antigeen, epitopen en antilichamen wordt geïllustreerd in de volgende afbeelding. Op deze afbeelding is te zien dat het antilichaam (althans de bindingsplaats, de antigen binding sites) zich in het bijzonder bindt aan de epitopen die zich op het antigeen bevinden. Epitopen worden wel in kaart gebracht aan de hand van hun aminozuursequenties.

De meeste antilichamen functioneren door eerst aan een antigeen te binden en dit antigeen vervolgens te markeren voor verdere verwerking en vernietiging door andere witte bloedcellen. Er bestaan ook antilichamen die pathogenen niet alleen binden maar ook (de biologische effecten hiervan) neutraliseren. De antilichamen waarop de Octrooien en Aanvragen betrekking hebben, althans in ieder geval CR8020, behoren tot die laatste groep en binden niet alleen influenza H3 en H7, maar vertonen ook een neutraliserende activiteit tegen deze subtypen.

4.5.

Eerste- en tweedelijns adaptief immuunsysteem: IgM's en IgG's

4.5.1.

Antilichamen kunnen zich in verschillende variaties voordoen. De variaties worden wel isotypes genoemd. In de meeste hogere zoogdieren wordt onderscheid gemaakt tussen vijf verschillende isotypes antilichamen, te weten: IgA, IgD, IgE, IgG, en IgM. Deze isotypes vertonen grote verscheidenheid in hun biologische eigenschappen, functionele locaties en hun vermogen om verschillende of meerdere antigenen aan te pakken. Naast

de verschillen tussen de isotypes zijn ook de antilichamen binnen elke isotype vrij heterogeen. Voor deze zaak moeten in het bijzonder IgM en IgG antilichamen worden onderscheiden. IgM en IgG antilichamen vervullen verschillende functies in de respons van het immuunsysteem.

4.5.2.

Bij een eerste (dreigende) infectie stuurt het immuunsysteem eerstelijns verdedigers - straatvegers, als het ware - die voornamelijk bestaan uit IgM's. IgM's zijn relatief groot en hebben een herkenningssysteem dat vaak gericht is tegen conservatieve structuren die door verschillende pathogenen worden gedeeld. Bepaalde IgM's zijn hierdoor in staat met meerdere pathogenen te reageren (kruisreactiviteit).

4.5.3.

IgM heeft als gezegd de Y-vorm als basisstructuur (met twee zware en twee lichte ketens). Het gehele IgM-molecuul is gevormd als een pentameer (vijf - soortgelijke - ketens) van de basiseenheid. De volgende afbeelding toont de structuur van IgM met een pentameervorm en vijf van de Y -vormige basisstructuren.

4.5.4.

De IgG antilichamen vormen een enkele eenheid van de Y –vormige basisstructuur (monomeer) zoals hieronder afgebeeld.

5 De overwegingen

in conventie

primaire en subsidiaire vorderingen a) tot en met i)

Uitvinderschap AIMM-Medewerkers

5.1.

De primaire vorderingen van AIMM hebben als grondslag dat de AIMM-Medewerkers de werkelijke uitvinders zijn van het onderwerp van de Octrooien en Aanvragen. De Octrooien en Aanvragen stellen (onder andere) CR8020 onder bescherming. Uit de beschrijving van WO 636 (zie 2.23) volgt dat de inventiviteit van de Octrooien en Aanvragen zit in het identificeren van een molecuul, dat zowel een kruisreactief als neutraliserend antilichaam is ten opzichte van H3, H7 en/of H10 en in het bijzonder H3N2.

5.2.

Niet is in geschil dat de vier AIMM-Medewerkers de isolatie en identificatie van CR8020 feitelijk hebben uitgevoerd. Deze werkzaamheden moeten naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als uitvinderswerkzaamheid, aangezien het een niet-routinematig verkregen resultaat betrof. Ten eerste hebben de AIMM-Medewerkers kennelijk uit het donorbloed de antilichamen met de gewenste eigenschappen geïsoleerd (lees: de onder bescherming gestelde antilichamen, waaronder CR8020). Ten tweede zijn die medewerkers daarbij tegen de toen heersende trend ingegaan door (ook) IgG’s te isoleren en niet alleen IgM’s. Onweersproken is immers dat de verwachting van de Crucell-medewerkers was, dat goede resultaten (met betrekking tot de gewenste kruisreactiviteit) juist uit de IgM’s zouden worden verkregen. In de door Crucell overgelegde verklaring van [Q] (par. 96 tot en met 100, zie r.o. 2.38), die daarbij ook verwijst naar de in de gezamenlijke presentatie van partijen (weergegeven in 2.15.1) verwoorde ‘working hypothesis’, wordt dat bevestigd. Tegen de verwachting van de Crucell-medewerkers in hebben de AIMM-Medewerkers uit een pool met IgG’s CR8020 geïsoleerd en geïdentificeerd als een antilichaam met mogelijk goede kruisreactiviteit en neutraliserende activiteit. Crucell heeft niet betoogd dat de gemiddelde vakman daarover andere verwachtingen zou hebben gehad dan haar eigen medewerkers ten tijde van het onderzoek. Er was dus sprake van een vooroordeel bij de vakman ten tijde van het onderzoek. Dat het vinden van een geschikt antilichaam in de pool met IgG's niet in de lijn der verwachting lag voor de gemiddelde vakman, kan ook worden afgeleid uit de omstandigheid dat Crucell een verwijzing naar specifiek IgM’s (en dus niet IgG’s) in de te onderzoeken materialen in de Appendix van de Research Agreement heeft opgenomen (zie r.o. 2.7) en wordt bevestigd door de e-mail van 25 januari 2013 van [B] (zie 2.31).

5.3.

Uit het voorgaande volgt dat de AIMM-Medewerkers het recht hebben om als uitvinder op de Octrooien en Aanvragen te worden genoemd. Dit geldt op grond van artikel 62 EOV voor alle Octrooien en Aanvragen waarop het EOV van toepassing is. Het geldt echter ook, gelet op de verplichting van artikel 4ter Unieverdrag van Parijs (UvP) voor de rechtsstelsels waaronder alle overige Octrooien en Aanvragen vallen. Aangezien het uitvinderschap een persoonlijk recht is dat niet overdraagbaar is, is dit ongeacht de gestelde overdracht (zie 2.37) en de Research Agreement (zie 2.4) bij de AIMM-Medewerkers blijven rusten.

5.4.

Dat brengt de rechtbank bij de vraag of AIMM vordering a) kan instellen. Een procespartij kan op eigen naam een vordering (ten behoeve) van een derde instellen, indien

die derde daartoe last heeft gegeven aan de procespartij.4 Dat krachtens lastgeving wordt gehandeld, hoeft de eisende partij niet te stellen bij dagvaarding, maar die partij kan niet van hoedanigheid veranderen gedurende de procedure. Aan Crucell kan worden toegegeven dat de datering van de volmachten (zie 2.39) van de AIMM-Medewerkers in combinatie met het standpunt van AIMM in het incident dat zij de betreffende morele rechten door overdracht had verkregen, niet consistent is. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat in dit geval is voldaan aan de eisen voor een geldige lastgeving. Redengevend daarvoor is het volgende. AIMM heeft bij dagvaarding niet uitdrukkelijk gesteld in welke hoedanigheid zij optrad. In het incident heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij gerechtigd was de vordering tot vermelding als uitvinder in te stellen op grond van de in 2.37 beschreven deed of transfer. Uit de tekst van de in 2.37 vermelde deed of transfer en de omstandigheid dat deze is opgesteld daags voor het uitbrengen van de dagvaarding volgt dat de AIMM-Medewerkers vanaf de aanvang bekend waren met de onderhavige procedure en dat zij voor het uitbrengen van de dagvaarding hebben ingestemd met de door AIMM in te stellen vorderingen (waaronder de vermelding van het uitvinderschap van deze medewerkers). De AIMM-Medewerkers hebben die instemming met de in te stellen vorderingen in mei 2017 (zie 2.39) schriftelijk bevestigd. De lastgeving die blijkt uit deze bevestiging voldoet ook aan de daarvoor vereiste wederkerigheid. Uit de in 2.39 beschreven bevestiging blijkt niet alleen een opdracht van de AIMM-Medewerkers tot het voeren van de onderhavige procedure mede krachtens volmacht van hen, maar tevens de aanvaarding van die verplichting door AIMM. Artikel 1 van deze overeenkomst bepaalt immers: "Parties agree and hereby confirm that [AIMM-Medewerker] appointed AIMM as its representative to (also, in as far as necessary, on [AIMM-Medewerker]'s behalf) initiate entitlement proceedings (including but not limited to claiming (declaratory judgement) that [AIMM-Medewerker] is to be mentioned as inventor) against Crucell with respect to the Patent Rights (Procesvolmacht /Lastgeving) (…)." Naar het oordeel van de rechtbank brengt een en ander mee dat AIMM bevoegd moet worden geacht om krachtens lastgeving van de AIMM-medewerkers, op eigen naam de vordering in te stellen. Van een duidelijke wijziging van hoedanigheid is in dit geval geen sprake, terwijl ook niet gesteld of gebleken is dat Crucell in haar verdediging is geschaad door de latere duiding van haar hoedanigheid door AIMM.

5.5.

Gelet op het voorgaande zal onderdeel a) van de vordering worden toegewezen, met dien verstande dat voor recht zal worden verklaard dat de AIMM-Medewerkers (mede) uitvinders zijn van de Octrooien en Aanvragen. In de onder b) gevorderde verklaring voor recht tot schrapping van de thans vermelde uitvinders dient AIMM niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien die uitvinders - wier persoonlijke aanspraak het betreft - niet in deze procedure zijn betrokken. Om dezelfde reden kan ook niet voor recht worden verklaard dat de AIMM-Medewerkers de enige uitvinders zijn. Bij deze stand van zaken kan ook in het midden blijven of de Crucell medewerkers die nu als uitvinders zijn genoemd enige uitvinderswerkzaamheid hebben verricht, naast de uitvinderswerkzaamheid van de AIMM-Medewerkers.

5.6.

Voorts zal Crucell worden veroordeeld om haar medewerking te verlening aan de vermelding van de AIMM-Medewerkers als uitvinders van de Octrooien en Aanvragen. De termijn waarbinnen Crucell die medewerking dient te verlenen zal worden bepaald op 28 dagen na betekening van dit vonnis. Oplegging van een dwangsom is passend en geboden. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd zoals vermeld in het dictum van dit vonnis.

Aanspraak AIMM op Octrooien en Aanvragen

5.7.

Het antwoord op de vraag of AIMM (op grond van de in 2.37 beschreven deed of assignment) vervolgens ook aanspraak kan maken op de Octrooien en Aanvragen hangt af van de uitleg van de Research Agreement. Indien CR8020 onder het bereik van de Research Agreement valt, is het recht om daarvoor octrooi aan te vragen bij Crucell komen te rusten.

5.8.

Bij de uitleg van de Research Agreement stelt de rechtbank voorop dat de rechten en verplichtingen van de partijen ten opzichte van elkaar niet alleen bepaald worden door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, maar ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst.5 Anders dan AIMM heeft betoogd, is ook bij de uitleg van commerciële contracten de Haviltex-maatstaf leidend. Bij de uitleg van commerciële contracten mag een groter gewicht worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige uitleg, maar ook hier kunnen de (overige) omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.6 De omstandigheid dat partijen (in dit geval in ieder geval Crucell) juridische bijstand genoten dwingt evenmin tot een zuiver taalkundige uitleg, aangezien daaruit niet zonder meer volgt dat daarom de gekozen bewoordingen de door partijen bereikte overeenstemming nauwkeurig weergeven. Gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen mede van betekenis zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg, aangezien ook uit die gedragingen kan worden afgeleid wat de bedoeling was van partijen ten tijde van de totstandkoming ervan.7

5.9.

Zoals ook is overwogen in het incidentele vonnis bepaalt artikel 3.2 van de Research Agreement dat Crucell gerechtigd is tot de resultaten van de ‘Research’. Dat begrip is in artikel 1.1 van de Research Agreement gedefiniëerd als ‘the research activities for Crucell as set out in the research program attached hereto as Appendix 1 and as may be reasonably requested by Crucell from time to time, in accordance with this Agreement’. Appendix 1 (weergegeven in 2.5) beschrijft dat het research programma 2 fases ‘Stages’ bevat. In Stage 2 worden als werkzaamheden vermeld ‘Selection of cross-reactive antibodies from IgM memory B cell compartment against H3/H7 or H1/H5 or possibly against all subtypes of HA’. Bij de beschrijving van de research wordt bij Stage 1 nog wel gesproken over de vaststelling van IgG en IgM isotypen, maar wordt bij de werkzaamheden van Stage 2 geen melding gemaakt van verder onderzoek naar IgG antilichamen. Een zuiver taalkundige uitleg van de overeenkomst duidt er derhalve op dat de in artikel 3.2 van de Research Agreement bepaalde aanspraak van Crucell is beperkt tot de resultaten die vallen binnen de grenzen van de research in Stage 2, zoals beschreven in Appendix 1 bij de overeenkomst, dus zonder IgG's. Dit wordt ook ondersteund door de totstandkomingsgeschiedenis van Appendix 1 (zie 2.7), waaruit volgt dat Crucell de tekst voor Stage 2 onder A (de selectie van kruisreactieve antilichamen) zelf heeft beperkt tot IgM's. Aan deze letterlijke tekst en de totstandkomingsgeschiedenis kan nog meer gewicht worden toegekend in het voordeel van de uitleg van AIMM, door de omstandigheid dat Crucell bij de opstelling van de Research Agreement werd geadviseerd door haar bedrijfsjurist.

5.10.

Op grond van alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank ondanks het voorgaande van oordeel dat ook resultaten met betrekking tot IgG’s onder de Research Agreement vallen. Redengevend hiervoor is het volgende.

5.10.1.

Zoals hiervoor reeds is overwogen verkeerde Crucell bij het aangaan van de overeenkomst in de veronderstelling dat goede resultaten zouden worden verkregen uit de IgM’s en niet uit de IgG's. Daarom was het haar verwachting dat AIMM werkzaamheden zou uitvoeren met betrekking tot de IgM's. Het is daarom niet onlogisch dat Crucell het bereik van de Research in Appendix 1 bij de beschrijving van de tweede stap in het research traject, heeft beperkt tot IgM’s.

5.10.2.

Daarnaast is van belang dat artikel 1.1 en 1.2 van de Research Agreement erop duiden dat de door AIMM uit te voeren research kon worden aangepast en uitgebreid, hetgeen AIMM niet zomaar mocht weigeren en waarvoor zij ook geen aanvullende vergoeding zou ontvangen. Hieruit blijkt dat het bereik van Appendix 1 niet onaantastbaar was.

5.10.3.

Uit niets blijkt dat tijdens de totstandkoming of uitvoering van de Research Agreement het onderscheid tussen de IgM’s en IgG’s voor partijen doorslaggevend was. AIMM heeft zich in ieder geval geen rechten voorbehouden om eigen, concurrerend influenza-onderzoek (bijvoorbeeld naar IgG’s) te doen (met het door Crucell aangeleverde donorbloed).

5.10.4.

AIMM beroept zich in deze procedure op artikel 3.6 van de overeenkomst, waarin is bepaald dat AIMM rechthebbende blijft op alle intellectuele eigendomsrechten die zij zou ontwikkelen ‘in connection with research and/or development activities outside the scope of the Research’. Uit het in 2.6 weergegeven voorstel van AIMM tijdens de onderhandelingen voor de inhoud van artikel 3.2 blijkt echter, dat bij het aangaan van de overeenkomst ‘outside the scope of the Research’ door AIMM werd opgevat als onderzoek dat geen betrekking had op griepvirussen, maar in dezelfde periode door haar werd uitgevoerd. AIMM schrijft in de in 2.6 weergegeven ‘mark up’ aan (de jurist van) Crucell: ‘if possible we continue our work on other targets and the AIMM-methodology parallel to influenza, if and when possible; this part is not comprised by Research, however it is “during the course of”’. Met die achtergrond stelt zij een tekstuele wijziging van artikel 3.2 voor. De bedoeling van AIMM was daarbij kennelijk om uitdrukkelijk af te spreken dat haar onderzoek dat geen betrekking had op griepvirussen, niet onder het bereik van artikel 3.2 van de Research Agreement zou vallen. AIMM spreekt op dat moment niet over eigen onderzoek naar IgG’s buiten het bereik van de Research Agreement. Indien het de bedoeling van AIMM was geweest om haar onderzoek naar (IgG-antilichamen tegen) griepvirussen, en zelfs specifiek naar dezelfde virussen als het contractonderzoek voor Crucell, buiten de scope van de Research Agreement te houden, had AIMM vast niet geschreven ‘parallel to influenza’. In dat geval had het voor de hand gelegen om duidelijk te maken dat resultaten van eigen onderzoek op basis van het door Crucell aangeleverde donorbloed er in haar ogen ook buiten vielen. Duidelijk is immers dat de eventuele positieve resultaten van dergelijk onderzoek rechtstreeks zouden concurreren met de inspanningen van Crucell op dit gebied.

5.10.5.

De feitelijke stelling van AIMM dat zij parallel aan en los van het IgM-onderzoek ook onderzoek naar IgG’s heeft uitgevoerd om Crucell daarmee in het licht van de overname te overtuigen van de waarde van AIMM’s onderzoek, wordt op geen enkele wijze ondersteund door de overgelegde producties. [B] heeft in februari 2008 namens AIMM

aan Crucell gevraagd of het juist was dat Crucell alleen interesse had in antilichamen uit de pool van IgM’s. In de e-mail van 19 februari 2008 heeft Crucell op die vraag aan AIMM laten weten dat zij het onderscheid tussen de twee isotypes niet relevant achtte (zie 2.8). Ook in het evaluatierapport (zie 2.18) worden de resultaten uit IgM’s en IgG’s als één geheel genomen. AIMM heeft onderzoek gedaan naar zowel IgM’s als IgG’s en later in 2008 heeft AIMM 120 antilichamen aangeleverd, waaronder de 16 kruisreactieve supernatanten, waaronder de IgG die later de naam CR8020 heeft gekregen. In het overzicht van de afgeleverde supernatanten zijn IgM’s en IgG’s door elkaar opgesomd (zie 2.14). Ter zitting heeft [A] verklaard dat hij zich herinnert dat hij bij de afgifte van de supernatanten tegen de medewerkers van Crucell heeft gezegd dat 40C7 (later CR8020) interessant voor hen zou zijn om verder te ontwikkelen. Tevens verklaarde hij dat hij bij die afgifte de IgGʼs niet als ʽextraʼ materiaal heeft aangewezen. In de (gezamenlijke) presentaties van 23 september 2008 heeft AIMM ook in haar deel (zie bijvoorbeeld 2.15.1) geen onderscheid gemaakt tussen IgG’s en IgM’s. Volgens die slides was de doelstelling van het project dat AIMM ‘multiple neutralizing cross-reactive antibodies directed against HA3 and HA7’ zou isoleren.

5.10.6.

Die doelstelling sluit aan bij het doel van de Research Agreement, dat er uit bestond na te gaan of de immortalisatietechnieken van AIMM waardevol waren in vergelijking met de afwijkende techniek die Crucell gebruikte (voorafgaand aan een mogelijke overname van AIMM door Crucell). Voor dat doel werd gekeken welke resultaten AIMM verkreeg, in vergelijking met de resultaten die Crucell met haar eigen onderzoeksmethode had verkregen.

5.10.7.

Indien AIMM het onderscheid tussen IgM’s en IgG’s wel doorslaggevend achtte, dan was te verwachten geweest dat zij ten tijde van de terbeschikkingstelling of bij de nadien gehouden presentaties of in een aparte communicatie aan Crucell het onderscheid duidelijk had gemaakt en/of aanspraak had gemaakt op de door haar gestelde rechten. Dat heeft zij echter niet gedaan, ook niet na het afketsen van de overname in 2008 en evenmin in 2009 toen partijen geen overeenstemming bereikten over een nieuwe samenwerking. Ook gedurende die jaren had zij Crucell natuurlijk al kunnen wijzen op haar vermeende rechten. Voor zover zij in het licht van de wens om overgenomen te worden niet op haar strepen wilde gaan staan, had zij dat in ieder geval na 2009 kunnen doen. Toen werd er niet meer over een overname of samenwerking gepraat. AIMM heeft zich echter ook toen niet op de door haar gestelde rechten beroepen, integendeel, in de email van [E] van AIMM uit maart 2009 (r.o. 2.21) staat dat alle resultaten van het onderzoekprogramma, alsmede de octrooirechten daarop, op naam van Crucell zouden komen. Als CR8020 hiervan was uitgezonderd, zou dit door [E]/AIMM wel (moeten) zijn vermeld.

5.10.8.

Uit de gevoerde correspondentie (zie 2.25 tot en met 2.29 alsmede 2.31) blijkt voorts dat AIMM er al die tijd mee bekend was dat de door Crucell gepresenteerde onderzoeksresultaten (CR8020) een door AIMM geïsoleerde IgG betroffen. Op 6 januari 2010 schrijft [B]: ‘Uiteraard zijn wij er trots op dat een van onze antilichamen verder wordt ontwikkeld. Ik neem aan dat het gaat om onze anti Clade 2 antistof. Je hebt die niet al te duur in handen gekregen maar daar staat voor AIMM tegenover dat jullie steun heel belangrijk was voor de vroege ontwikkeling van de company en de technologie.’ In de e-mail wisseling heeft AIMM tot medio 2013 geen enkele aanspraak gemaakt op (de rechten op) deze uitvinding en Crucell ook niet gewaarschuwd dat zij investeerde in de ontwikkeling van een vaccin op basis van een antilichaam waarop AIMM de rechten had. In de e-mail van 25 januari 2013 (zie 2.31) schrijft [B] met betrekking tot (onder meer)

CR8020 zelfs: ‘Al met al beschouwen wij deze antistoffen als te zijn gemaakt door AIMM en gekarakteriseerd en verder ontwikkeld [d]oor Crucell. (...) Jullie hebben daarin zwaar geïnvesteerd en de revenuen zijn dientengevolge voor jullie.’ [B] was aandeelhouder en bestuurder van AIMM, zodat zijn uitspraken zonder meer aan AIMM toegerekend kunnen worden.

5.10.9.

Op grond van artikel 2.3 van de Research Agreement mocht AIMM het door Crucell geleverde onderzoeksmateriaal (donorbloed van gevaccineerde patiënten) niet gebruiken voor andere doeleinden dan de verstrekking aan Crucell. Met het oog op die bepaling had AIMM toestemming moeten vragen voor verder (eigen) gebruik van de materialen voor selectie van antilichamen uit de IgG-pool, als dat gebruik niet bedoeld was voor Research dat onder de overeenkomst viel. Na Stage 1 van het onderzoek, ging AIMM echter ook verder met de selectie van antilichamen uit de IgG-pool en stak daar dus tijd en geld in. Onduidelijk is wat haar doel daarmee was, als zij niet van plan was de resultaten daarvan als Results aan Crucell te overhandigen. Dat laatste heeft zij vervolgens ook gedaan. Bovendien mocht AIMM, gezien het bepaalde in voornoemd artikel 2.3, niet verwachten dat zij, onder gebruikmaking van het donorbloed dat door Crucell ter beschikking was gesteld ten behoeve van contractonderzoek naar een antilichaam, zonder meer op een concurrerend antilichaam uitsluitende rechten zou kunnen verkrijgen.

5.10.10.

Tot en met 25 juni 2013 (de datum waarop AIMM mededeling deed van de ontbinding van de Research Agreement) heeft AIMM gehandeld alsof IgG’s en de daarop rustende intellectuele eigendomsrechten onder de resultaten van de Research vielen en Crucell daarop rechthebbende was. Bij haar sommaties aan Crucell om een Milestone-betaling te voldoen zal AIMM de overeenkomst goed hebben gelezen. Op dat moment nam zij zelf ook het standpunt in dat CR8020 tot de Results van de Research behoorde.

5.11.

AIMM heeft bij pleidooi nog aangevoerd dat zij voor het gedane onderzoek niet betaald kreeg (pleitnota nr. 3). Dit betoog is evenwel niet te verenigen met artikel 4 van de Research Agreement, waarin is bepaald dat er € 50.333 per maand zou worden betaald voor het onderzoek. Dat die fee enkel zou zien op een “Option Fee” voor de exclusiviteit van de overnamegesprekken tussen Crucell (als potentiele overnemer) en AIMM (als over te nemen partij) is onvoldoende onderbouwd gesteld.

5.12.

Alles overziend heeft AIMM bij de overhandiging van de resultaten van haar onderzoek bewust het antilichaam waarvoor de Octrooien en Aanvragen zijn gedaan aan Crucell verschaft zonder enig voorbehoud, is zij er vanaf 2010 mee bekend geweest dat Crucell met dat antilichaam veelbelovende resultaten verkreeg en heeft zij Crucell zelfs gefeliciteerd met de goedkope verkrijging daarvan. Een waarschuwing dat Crucell materialen ontwikkelde waarop zij geen rechten kon laten gelden heeft AIMM tussen 2008 en 2013 nooit gegeven. Vanaf 2008 heeft Crucell investeringen gedaan in de verdere ontwikkeling van CR8020 in de veronderstelling dat zij daartoe gerechtigd was. AIMM heeft zich dat ook gerealiseerd, getuige de opmerking van [B] in zijn e-mail van 25 januari 2013: ʽJullie hebben daarin zwaar geïnvesteerdʼ. Toen die investeringen tot resultaten leidden, heeft AIMM Crucell gehouden aan haar betalingsverplichting voor Results van de Research. Dat alles is niet in overeenstemming met de letterlijke tekst van de Appendix bij de overeenkomst, die het project beperkt tot IgM’s. Het doel van de overeenkomst, nagaan of de werkwijze van Crucell tot goede uitkomsten leidde, sluit echter beter aan bij een uitleg waarbij alle resultaten van het onderzoek naar de Crucell materialen tot de Results behoorden. Slotsom van het voorgaande is dat een redelijke uitleg van de Research

Agreement meebrengt dat CR8020 valt onder de reikwijdte daarvan. De tussen AIMM en Crucell in acht te nemen redelijkheid en billijkheid brengt mee dat AIMM niet jarenlang, terwijl Crucell aanzienlijke investeringen deed in CR8020, actief de indruk kon bevestigen dat CR8020 een resultaat was onder de Research Agreement, om thans een andere uitleg van die overeenkomst te verdedigen. Dit betekent dat AIMM geen aanspraak heeft op de Octrooien en Aanvragen. De vorderingen c) tot en met i) zullen daarom worden afgewezen.

Onrechtmatige daad/wanprestatie (vorderingen j) tot en met o))

5.13.

Uit het voorgaande volgt dat Crucell de intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot CR8020 heeft verkregen. Het gebruik van CR8020 voor klinische studies en/of in een influenza programma door Crucell, en het aanvragen van de Octrooien en Aanvragen met vermelding van Crucell als rechthebbende, zijn daarom niet onrechtmatig jegens AIMM. Dat Crucell andere geheime kennis van AIMM onrechtmatig heeft gebruikt, heeft AIMM niet nader gemotiveerd. Voor zover de vorderingen j), l) en m) zijn gebaseerd op de grondslag dat Crucell een onrechtmatige daad heeft gepleegd, zijn zij niet toewijsbaar.

5.14.

AIMM heeft rectificaties gevorderd, waarin gepubliceerd zou moeten worden dat Crucell onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door klinische studies te starten met CR8020, de Octrooien en Aanvragen te doen en in dat verband derden te informeren dat AIMM de uitvinding heeft gedaan. Uit het voorgaande volgt dat van het onrechtmatig starten van klinische studies geen sprake is, noch van het ten onrechte aanvragen van de Octrooien en Aanvragen. Reeds daarom zijn de als onderdelen n) en o) gevorderde rectificaties niet toewijsbaar. Voor zover delen van de rectificatietekst wel in lijn zijn met het oordeel van de rechtbank, kan dat niet leiden tot toewijzing van een aangepaste rectificatie. Daarvoor zou de rechtbank de gevorderde tekst zo moeten aanpassen, dat daarmee buiten het geding zou worden getreden.

Niet nakoming geheimhoudingsverplichting door Crucell

5.15.

Bij dagvaarding heeft AIMM voorts nog gesteld dat Crucell in strijd met de Geheimhoudingsovereenkomst heeft gehandeld door de know how van AIMM openbaar te maken. Crucell heeft daartegen ingebracht dat zij op grond van de (latere) Research Agreement en de daarin opgenomen nadere licentie- en geheimhoudingsbepalingen gerechtigd was om over te gaan tot de door AIMM gestelde openbaarmaking van CR8020. AIMM heeft dat vervolgens niet op andere gronden betwist, dan met het hiervoor al beoordeelde en niet gevolgde betoog dat de IgG’s niet onder het bereik van de Research Agreement vielen. Dat Crucell een geheimhoudingsverplichting heeft geschonden kan dan ook niet worden vastgesteld. De als onderdeel k) gevorderde verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar. Voor zover het gevorderde stakingsbevel, de gevorderde rectificaties en schadevergoeding op deze grondslag zijn gebaseerd, zijn zij evenmin toewijsbaar.

(meer) subsidiaire vorderingen p) tot en met s)

Research Agreement ontbonden?

5.16.

De rechtbank begrijpt de stellingen en vordering van AIMM aldus, dat zij - in het verlengde van haar verweer in reconventie - ook in conventie subsidiair (voor het geval IgG’s Results onder de Research Agreement zijn) stelt dat de Research Agreement is ontbonden, zodat de (intellectuele eigendoms-)rechten op de Results van de Research ook om die reden aan haar toekomen. Daarop is de verklaring voor recht gevorderd als onderdeel q) gericht. Die vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking. Zoals Crucell

terecht opmerkt, brengt een eventuele ontbinding van de overeenkomst niet mee dat AIMM weer gerechtigd wordt tot intellectuele eigendomsrechten of andere rechten die op grond van artikel 3.2 van de Research Agreement bij Crucell zijn gevestigd. Partijen zijn in de Research Agreement, in afwijking van het bepaalde in artikel 6:269-271 BW, overeengekomen dat AIMM bij wanprestatie door Crucell recht heeft op een onmiddellijke ‘termination’, waarbij evenwel het bepaalde in artikel 3.2 van de Research Overeenkomst van kracht blijft (zie het bepaalde in artikel 8.1, 8.3 en 8.4 van de Research Agreement). In het licht van die bepaling valt niet in te zien dat de door AIMM gestelde ontbinding (of: termination van de Research Agreement) tot het door AIMM bepleitte resultaat zou leiden dat zij rechthebbende is op Results van de Research.

Verklaring voor recht Milestone-betalingen verschuldigd

5.17.

AIMM heeft subsidiair een verklaring voor recht gevraagd dat Crucell AIMM Milestone betalingen verschuldigd is, meer in het bijzonder dat Crucell gehouden is AIMM € 150.000 te voldoen op grond van artikel 5.2.2 van de Research Agreement (vordering r)).

Uit het samenstel van de vorderingen q, r en s blijkt dat AIMM zich alleen op het standpunt heeft gesteld dat de Research Agreement is ontbonden, met het doel om op grond daarvan de (intellectuele eigendoms-)rechten op CR8020 op te eisen. Voor het geval dat dat beroep niet zou slagen, heeft zij subsidiair een vordering tot betaling van Milestones ingesteld. Daaruit begrijpt de rechtbank dat AIMM, in het geval de opeisingsvordering niet zou slagen, in deze procedure niet langer bestrijdt dat de Research Agreement nog van kracht is. Nu is geoordeeld dat een eventuele ontbinding niet zou leiden tot een geslaagde opeisingsactie, is derhalve niet langer in geschil dat de Research Agreement nog van kracht is.

5.18.

Crucell heeft in dit verband verklaard dat zij het gevorderde bedrag eerder al aan AIMM heeft overgemaakt, maar dat het is teruggestort. Zij bestrijdt niet dat AIMM een opeisbare vordering op haar heeft op grond van genoemd artikel 5.2.2. Zij betwist slechts dat AIMM belang heeft bij deze vordering. Nu Crucell in het verleden heeft bestreden een Milestone-betaling verschuldigd te zijn, heeft AIMM belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Gelet daarop is deze toewijsbaar als gevorderd.

5.19.

Het als onderdeel s) gevorderde betalingsbevel is op dezelfde gronden toewijsbaar, met dien verstande dat de termijn voor betaling op 28 dagen wordt bepaald.

Research Agreement vernietigbaar?

5.20.

AIMM heeft bij conclusie van repliek in conventie voorwaardelijk, voor zover de rechtbank zou oordelen dat Crucell aanspraak kan maken op de IgG antilichamen, een verklaring voor recht gevorderd dat de Research Agreement vatbaar is voor vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden, althans dwaling. Aan die voorwaarde is blijkens het voorgaande voldaan, waarmee de rechtbank aan deze vordering zou toekomen. Bij conclusie van dupliek in reconventie lijkt AIMM echter nog een tweede voorwaarde voor deze vordering toe te voegen, te weten dat de rechtbank zou oordelen dat AIMM geen recht heeft op Milestone-vergoedingen. Aan die voorwaarde is niet voldaan, zo blijkt uit het voorgaande. Daarmee zou aan deze vordering dus niet worden toegekomen. Uitsluitend voor zover AIMM niet heeft bedoeld die tweede voorwaarde aan vordering p) te verbinden, overweegt de rechtbank ten aanzien daarvan als volgt.

5.21.

AIMM baseert deze vordering in de eerste plaats op misbruik van omstandigheden. Zij wijst er op dat haar financiële positie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zeer slecht was, zodat zij hoopte op een overname door Crucell. In de tussentijd had zij de

vergoeding voor de Research hard nodig. Volgens AIMM wist Crucell dat deze omstandigheden AIMM bewogen tot het aangaan van de Research Agreement op de overeengekomen voorwaarden, althans behoorde Crucell dat te begrijpen.

5.22.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden onvoldoende grond voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden. Dat er sprake is geweest van een noodtoestand of afhankelijkheid bij AIMM die Crucell ervan had moeten weerhouden de Research Agreement aan te gaan, volgt niet uit de door AIMM gestelde omstandigheden. AIMM was een commerciële onderneming, zodat een financieel zwakke positie en de keuze om zonder juridisch advies overeenkomsten aan te gaan, in beginsel voor haar eigen rekening en risico komen. De voorwaarden van de onderhavige overeenkomst zijn niet zo eenzijdig dat dat de conclusie kan rechtvaardigen dat Crucell misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Tegenover de onderzoeksopdracht aan AIMM (waarvan de uitkomsten op dat moment nog ongewis waren) stond immers een recht op vergoedingen, niet alleen voor het onderzoek zelf maar ook in de vorm van Milestone-betalingen in het geval er met de Results verdere ontwikkelingsstappen zouden worden gezet. Dat de Milestone-bedragen geen marktconforme bedragen waren heeft AIMM, gelet op de betwisting door Crucell, onvoldoende onderbouwd. Dat AIMM zelf in 2009 een voorstel deed voor een aanpassing van de overeenkomst met veel hogere bedragen, welk voorstel om andere redenen door Crucell van de hand werd gewezen, vormt in ieder geval geen voldoende onderbouwing daarvan. Ook anderszins is onvoldoende gebleken van misbruik door Crucell.

5.23.

AIMM heeft ook nog een beroep gedaan op dwaling. AIMM stelt dat zij de Research Agreement enkel tekende met het oog op de overname en dat haar was voorgehouden door Crucell dat de Research Agreement geen commercieel doel zou hebben. Als het onderzoek niettemin relevante antilichamen zou opleveren, dan zou Crucell haar daarvoor betalen, zo stelt AIMM. Uit de overeenkomst zelf blijkt echter al dat deze mede tot doel had eventuele resultaten te gebruiken voor commerciële doeleinden. Het overeenkomen van een Milestone-regeling maakt dat duidelijk. Daarmee ontbreekt een voldoende feitelijke basis om tot het oordeel te kunnen komen dat AIMM op deze grond heeft gedwaald.

5.24.

Daarnaast betoogt AIMM nog dat zij heeft gedwaald omtrent de voorwaarden voor de Milestone-betalingen. Zij heeft echter niet nader toegelicht welke feiten en omstandigheden tot een dwaling omtrent de Milestone-regeling hebben geleid, zodat ook dit beroep faalt.

5.25.

De Research Agreement is dan ook niet vatbaar voor vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden of dwaling. Vordering p) in conventie kan dan ook niet slagen.

Tot slot in conventie

5.26.

Nu het Gordon-rapport niet is betrokken bij enig onderdeel van de beoordeling, behoeft het bezwaar tegen dat rapport door Crucell geen beoordeling.

5.27.

Beide partijen zijn in conventie op niet-ondergeschikte onderdelen in het ongelijk gesteld, zodat de rechtbank de proceskosten in conventie zal compenseren. Aan de vraag of die kosten begroot dienen te worden volgens het liquidatietarief of artikel 1019h Rv komt de rechtbank derhalve niet toe. Daarmee komt de rechtbank ook niet toe aan de vraag naar de toelaatbaarheid van de uitbreiding door Crucell van de grondslag van de door haar

gevorderde proceskosten in de hoofdzaak (zie r.o. 1.2). Voor zover Crucell die grondslag ook voor de proceskostenvordering in het incident heeft willen uitbreiden, gaat de rechtbank daaraan voorbij omdat op de betreffende vordering al bij het incidenteel vonnis is beslist.

in reconventie

5.28.

Crucell heeft er terecht op gewezen dat AIMM in de aanloop naar en gedurende deze procedure geen eenduidig standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de vraag of de Research Agreement nog van kracht is. Crucell stelt zich op het standpunt dat dat het geval is en vordert een verklaring voor recht daarvan.

5.29.

Op dezelfde gronden als overwogen in 5.17, gaat de rechtbank er ook in reconventie vanuit dat niet langer in geschil dat de Research Agreement nog van kracht is.

5.30.

Tegen deze achtergrond heeft Crucell niet langer belang bij een verklaring voor recht dat AIMM ongerechtvaardigd de Research Agreement heeft trachten te ontbinden. De verklaring voor recht dat de Research Agreement van kracht is, is toewijsbaar. Een verklaring voor recht dat de Research Agreement van kracht blijft is niet toewijsbaar, omdat dat omstandigheden in de toekomst betreft waarover de rechtbank geen oordeel kan vellen.

5.31.

AIMM zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De vorderingen in reconventie vloeien volledig voort uit het verweer in conventie. De proceskosten worden (conform het toepasselijke liquidatietarief) tot op heden daarom begroot op (4 punten x 0,5 x € 543 =) € 1.086 aan salaris advocaat.

6 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

6.1.

verklaart voor recht dat de AIMM-Medewerkers uitvinders zijn van het onderwerp van de Octrooien en Aanvragen;

6.2.

beveelt Crucell om binnen 28 dagen na betekening van dit vonnis, haar volledige medewerking te verlenen, die nodig is om de AIMM-Medewerkers te doen registreren als uitvinders van de Octrooien en de Aanvragen;

6.3.

bepaalt dat Crucell bij overtreding van voormeld bevel een dwangsom verbeurt van € 100.000 per dag, met een maximum van € 2.000.000;

6.4.

verklaart voor recht dat Crucell aan AIMM Milestone-betalingen verschuldigd is zoals bedoeld in artikel 5.2 van de Research Agreement, dat Crucell deze vergoeding verschuldigd is aan AIMM in verband met de in artikel 5.2 van de Research Agreement omschreven handelingen die Crucell uitvoert ten aanzien van de IgG antilichamen en meer in het bijzonder dat Crucell verplicht is aan AIMM € 150.000 te voldoen in verband met artikel 5.2.2 van de Research Agreement;

6.5.

veroordeelt Crucell tot betaling van € 150.000 aan AIMM binnen 28 dagen na betekening van dit vonnis;

6.6.

verklaart dit vonnis behoudens het bepaalde in 6.1 en 6.4 uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;

6.8.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

6.9.

verklaart voor recht dat de Research Agreement van kracht is;

6.10.

veroordeelt AIMM in de proceskosten, aan de zijde van Crucell tot op heden begroot op € 1.086;

6.11.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.12.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus, mr. E.F. Brinkman en mr. C.T. Aalbers en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018.

1 ECLI:NL:RBDHA:2017:1107

2 Voor een uiteenzetting van de technische achtergrond van deze zaak wordt verwezen naar onderdeel 4.

3 In productie GP15 staat als datum 16 november 2013 vermeld, Crucell heeft echter (onweersproken) toegelicht dat dit een automatisch datumveld betreft (CvA, voetnoot 33).

4 HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP9665, NJ 2005/41 (Haantjes/Damstra)

5 HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7024 (Vodafone/ETC).

6 HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx) en HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:260, NJ 2015/274 (Afvalzorg/Slotereind).

7 Zie onder meer HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741, rov. 3.5.