Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13695

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
18.14646
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is afkomstig uit Iran en legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij gedetacheerd was bij de metro en hier achter fraudepraktijken is gekomen. Nadat eiser hierover verklaringen heeft afgelegd, is hij aangevallen, bedreigd en heeft hij uiteindelijk ontslag genomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de metro heeft gewerkt. Hierdoor acht verweerder het niet geloofwaardig dat eiser achter de fraude is gekomen en de daaruit voortvloeiende problemen heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser over zijn werk onterecht als wisselend heeft beoordeeld. De verklaringen van eiser zijn niet volledig gelijkluidend, maar de kern blijft hetzelfde en doordat verweerder geen aandacht heeft besteed aan het feit dat eiser meermaals met verschillende rapporteurs en tolken is gehoord, is onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen wisselend zijn. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.14646


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] 1980,

v-nummer [nummer] ,

van Iraanse nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. I. Vreeken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.


Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde L.M.F. Verhaegh.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat hij op

zijn werk bij de metro achter fraudepraktijken van zijn meerdere is gekomen. Eiser heeft hierover verklaringen afgelegd bij een onafhankelijke commissie. Na het afleggen van deze verklaringen is eiser aangevallen en bedreigd, waarop hij ontslag heeft genomen. Daarna is eiser uit angst naar het noorden van Iran gereisd en is hij bij zijn vader gaan wonen. Op een dag heeft de inlichtingendienst een inval gedaan in het ouderlijk huis en hebben zij persoonlijke spullen van eiser meegenomen. Hieronder waren notities van eiser van een eigen onderzoek waaruit voor hem blijkt dat de islam niet deugt. Eiser heeft er toen voor gekozen om zijn land te verlaten. Ook is eiser in 2010 en 2012 door de inlichtingendienst meegenomen voor verhoor. Hij werd toen valselijk beschuldigd van religieuze en politieke praktijken. Daarna heeft eiser vanwege dit incident geen problemen ondervonden.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante

elementen:

- de identiteit en nationaliteit van eiser;

- de problemen in 2010 en 2012;

- de fraudepraktijken op werk;

- de bedreiging en inval;

- de afvalligheid.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiser en de problemen in 2010 en 2012 geloofwaardig worden geacht. De overige elementen acht verweerder niet geloofwaardig omdat, kort weergegeven, eiser volgens verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de metro werkte en onderzoek naar de islam heeft gedaan. Verweerder heeft eisers aanvraag dan ook afgewezen als ongegrond.

3. Eiser voert aan dat hij door middel van zijn verklaringen en het bewijs dat hij heeft

overgelegd wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de metro werkte, hier fraude heeft ontdekt en daarom is bedreigd en dat een inval bij hem is gedaan. Bovendien had verweerder naar aanleiding van eisers verklaringen onderzoek moeten doen naar de fraude. Tevens heeft eiser wel aannemelijk gemaakt dat hij onderzoek naar de islam heeft gedaan en afvallige is.

4. Niet in geschil is dat de geloofwaardig geachte problemen van eiser in 2010 en 2012

op zichzelf onvoldoende reden zijn om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Tussen partijen is in geschil of eiser de fraudepraktijken op werk, de bedreiging en inval en de afvalligheid aannemelijk heeft gemaakt.

Opmerkingen medewerker VNW bij zienswijze

5. Eiser voert aan dat verweerder de opmerkingen van [medewerker] , medewerker van

Vluchtelingenwerk te AZC Zutphen die als bijlage bij de zienswijze waren gevoegd onterecht ter kennisgeving heeft aangenomen. Eiser heeft aangegeven dat deze opmerkingen als in de zienswijze herhaald en ingelast dienden te worden beschouwd. Daarmee is de vraag die verweerder opwerpt of deze persoon gemachtigd is om namens eiser te spreken overbodig. Bovendien had verweerder kunnen vragen aan eiser of deze persoon gemachtigd was om namens hem te spreken.

5.1.

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat ten onrechte in de

beschikking niet is ingegaan op het commentaar van [medewerker] en dat dit onzorgvuldig en betreurenswaardig is. Het besluit kan echter, ondanks dit gebrek, in stand blijven omdat dit commentaar geen aanleiding voor verweerder vormt om tot een ander standpunt te komen. Bovendien bestaat tussen het commentaar en de zienswijze een aanzienlijke overlapping. Nu verweerder in de beschikking wel is ingegaan op de zienswijze is verweerder daarmee ook ingegaan op het gros van het commentaar, aldus verweerder.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht aanvoert dat verweerder de

opmerkingen van [medewerker] niet enkel ter kennisgeving had mogen aannemen. Door niet in te gaan op deze opmerkingen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld. De beroepsgrond slaagt en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) . Ook om andere redenen komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Hierop zal de rechtbank hierna ingaan.

Bewijsstukken en verklaringen over werkgever

6. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat

eiser zijn werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt met de door hem overgelegde documenten en zijn verklaringen. Eiser werkte via detacheerder [werkgever] bij de metro van Teheran. Ter staving hiervan heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

- een verzekeringsboekje, waaruit kan worden afgeleid dat hij bij [werkgever] heeft gewerkt;

- screenshot vanaf de website van de metro van Teheran met een mededeling van 3 september 2011 omtrent eisers aanstelling;

- een arbeidsovereenkomst tussen eiser en [werkgever] van 27 augustus 2011 waaruit onder andere volgt dat eiser bij de metro van Teheran werd gedetacheerd.

Verweerder werpt ten onrechte aan eiser tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wie zijn werkgever was. Eiser heeft van meet af aan verklaard dat er sprake was van twee bedrijven, de metro en de detacheerder.

6.1.

Ter zitting heeft verweerder alsnog aannemelijk geacht dat eiser bij [werkgever]

werkte. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiser nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de metro gedetacheerd was. Hiervoor acht verweerder redengevend dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wie zijn werkgever was, nu eiser eerst heeft verklaard dat hij bij de metro werkte en pas later dat hij bij de metro was gedetacheerd. Tevens werpt verweerder aan eiser tegen dat hij het screenshot en de arbeidsovereenkomst pas in beroep heeft overgelegd. Verweerder acht verder van belang dat eiser tijdens het aanvullend gehoor heeft verklaard geen bewijsstukken te kunnen overleggen van zijn werk.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de metro gedetacheerd was. De verklaringen van eiser over wie zijn werkgever was zijn niet tegenstrijdig, maar passen bij de detacheringsconstructie waarbinnen hij zijn werk uitvoerde. De metro van Teheran was de feitelijke werkgever van eiser en [werkgever] zijn juridische werkgever. Hierdoor is het niet onnavolgbaar dat eiser de metro van Teheran in eerste instantie als zijn werkgever noemt. Dat bij doorvragen blijkt dat het gaat om een detacheringsconstructie, maakt de verklaringen van eiser niet tegenstrijdig, maar aanvullend. Tevens acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat eiser heeft willen verhullen wie zijn juridische werkgever was. Eiser heeft namelijk bij de start van zijn procedure direct het verzekeringsboekje overgelegd waaruit blijkt dat [werkgever] zijn werkgever was. Dat eiser in beroep alsnog onder meer een arbeidsovereenkomst heeft overgelegd, terwijl hij eerder heeft verklaard geen bewijsstukken te kunnen overleggen, doet hier niet aan af nu hij ook heeft verklaard dat zijn echtgenote dit stuk alsnog in eisers ouderlijk huis heeft gevonden. De beroepsgrond slaagt.

Verklaringen over inhoud functie

7. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat

hij wisselend over zijn functie bij de metro heeft verklaard. Zijn verklaringen zijn grosso modo hetzelfde. Dat de verklaringen over zijn functie op detailniveau verschillen, zal deels te maken hebben met het feit dat bepaalde woorden en begrippen in het Farsi op verschillende manieren te vertalen zijn.

7.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn

functie bij de metro. Verweerder heeft in dit kader onder meer verwezen naar verklaringen op pagina 14 en 15 van het nader gehoor, waarin eiser verklaard heeft hoofdverantwoordelijk te zijn geweest voor reparatie en onderhoud. Op pagina 20 van datzelfde gehoor heeft eiser echter verklaard hoofd én toezichthouder van de technische zaken te zijn geweest. Op bladzijde 22 van het nader gehoor geeft eiser aan dat hij het hoofd van technische zaken en ook wel de uitvoering was. Op bladzijde 34 en 35 van het aanvullend gehoor heeft eiser verklaard dat hij hoofd uitvoerende taken reparatie en onderhoud was en dat [collega] het hoofd van de afdeling reparatie en onderhoud was. Het is aan eiser om consistent te verklaren. Voor zover eiser aanvoert dat zijn verklaringen verschillen doordat bepaalde woorden en begrippen in het Farsi op verschillende manieren te vertalen zijn, stelt verweerder zich op het standpunt dat het op de weg van eiser ligt om hier in de correcties en aanvullingen op in te gaan. Nu eiser dit niet heeft gedaan, blijft verweerder bij het standpunt dat zijn verklaringen wisselend zijn.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat

eiser wisselend heeft verklaard over zijn functie bij de metro. In de verklaringen van eiser komt steeds terug dat hij bij spoor 3 van de metro werkte aan reparatie en onderhoud en dat hij een leidinggevende functie had met ondergeschikten. Eisers verklaringen zijn weliswaar niet volledig gelijkluidend, maar verschillen niet dermate van elkaar dat zij als basis voor de conclusie kunnen dienen dat eiser zijn functie niet aannemelijk heeft gemaakt omdat er geen sprake is van consistente verklaringen. In dit kader acht de rechtbank tevens van belang dat eiser vijfmaal is gehoord door verschillende rapporteurs en met medewerking van verschillende tolken. Verweerder heeft door enkel het noemen van de verschillen in eisers verklaringen, zonder in te gaan op de samenhang van die verklaringen en zonder aandacht te besteden aan de mogelijke invloed van meermaals horen, onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser wisselend zijn. De beroepsgrond slaagt.

8. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de gronden over

eisers werk bij de metro en zijn functie daar terecht zijn aangevoerd. Reeds daarom kan het standpunt van verweerder over de geloofwaardigheid van het door eiser naar voren gebrachte asielrelaas niet in stand blijven. Omdat verweerder bij de beoordeling van het verdere relaas van eiser telkens terug komt op en steeds de redenering opbouwt vanuit het standpunt dat eiser zijn werk en functie niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft een nieuwe beoordeling en motivering ten aanzien van eisers werk en functie per definitie ook gevolgen voor verweerders beoordeling van zijn verdere verklaringen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden.

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De

rechtbank ziet geen aanleiding voor instandlating van de rechtsgevolgen of om zelf in de zaak te voorzien, nu een geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen van eiser niet aan de rechter, maar aan verweerder is. Door de aard en omvang van het gebrek ziet de rechtbank evenmin aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid in artikel 8:51a van de Awb. De rechtbank zal verweerder derhalve opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.

10. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Verweerder heeft ingestemd

met een wegingsfactor ‘zwaar’. Naar het oordeel van de rechtbank wordt daarmee aan het gewicht van deze zaak voldoende recht gedaan. Daarom worden de proceskosten op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.503 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1,5).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- draag verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.503,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van

M.M. Neutgens, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op 12 november 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.