Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1366

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
C/09/16/291 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling. Art. 350 Fw. Inspanningsverplichting. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat schuldenares na verhoor wel fulltime heeft gewerkt, maar dat uit loonstroken niet is op te maken dat zij het minimumloon betaald heeft gekregen. Dat voor nakoming van de inspanningsverplichting is vereist dat een schuldenaar het minimumloon dient te ontvangen volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de doelstellingen van de wettelijke schuldsaneringsregeling en uit artikel 288, eerste lid, onder c Fw. Toerekenbare tekortkoming maar niet van dien aard dat regeling beëindigd wordt. Allerlaatste kans. Verschil tussen ontvangen loon en minimumloon vergoeden aan de boedel.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

Vonnis van 1 februari 2018

in de schuldsaneringsregeling van:

[Schuldenares],
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],
wonende te [adres, postcode en woonplaats].
[Schuldenares] zal hierna worden aangeduid als ‘schuldenares’.

1 Verloop van de procedure

1.1

Ten aanzien van schuldenares is bij vonnis van 17 juni 2016 de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. M.M.F. Holtrop tot rechter-commissaris en S.A.M. Koppelman (Koppelman & Perez Bewindvoering), kantoorhoudende te Zuidland, tot bewindvoerder.

1.2

Naar aanleiding van een verhoor dat op 20 juli 2017 namens de rechter-commissaris met schuldenares heeft plaatsgevonden, heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 20 juli 2017 de looptijd van de schuldsaneringsregeling van schuldenares verlengd met zeven maanden, derhalve tot 17 januari 2020.

1.3

Op 13 december 2017 heeft de bewindvoerder een verzoek ingediend strekkende tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 350 van de Faillissementswet (Fw).

1.4

De bewindvoerder heeft, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de inspannings- en afdrachtverplichting (wederom) niet worden nagekomen. De rechter-commissaris heeft te kennen gegeven dit verzoek te ondersteunen.

1.5

Vooruitlopend op de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 350 lid 2 Fw heeft de bewindvoerder de rechtbank bij brief van 15 januari 2018 geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.6

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- schuldenares,

- B.M. Larsen, beschermingsbewindvoerder,

- mr. R.G. van der Laan, advocaat van schuldenares,
- mr. J. Perez Herrera namens de bewindvoerder.

1.7

De rechtbank heeft hierna vonnis bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Van personen ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen en dat zij de uitvoering van de regeling door doen of nalaten ook niet anderszins belemmeren dan wel frustreren. Niet nakoming van één of meer van deze verplichtingen kan leiden tot tussentijdse beëindiging van de regeling.

2.2

Ter beoordeling staat of hetgeen schuldenares wordt tegengeworpen gegrond is en zo ja, of dit dient te leiden tot de door de bewindvoerder verzochte beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.3

Uit het dossier is op te maken dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling van schuldenares op 20 juli 2017 met zeven maanden is verlengd, omdat schuldenares met name voor de duur van zeven maanden de inspanningsverplichting niet – althans onvoldoende – is nagekomen. Op grond van de overgelegde stukken en het ter terechtzitting verhandelde is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat schuldenares na het verhoor op 20 juli 2017 wel fulltime, te weten minimaal 36 uur per week, heeft gewerkt, maar dat uit de loonstroken niet is op te maken dat schuldenares voor dat fulltime werk het minimumloon betaald heeft gekregen. Dat voor nakoming van de inspanningsverplichting is vereist dat een schuldenaar voor zijn of haar (fulltime) werkzaamheden het minimumloon dient te ontvangen volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de doelstellingen van de wettelijke schuldsaneringsregeling en uit artikel 288, eerste lid, onder c van de Faillissementswet waarin onder meer is bepaald dat een schuldenaar zich tot het uiterste dient in te spannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het minimumloon is vastgelegd in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zie tevens “Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 oktober 2017, nr. 2017-0000159683, tot aanpassing wettelijk minimumloon per 1 januari 2018”, zodat een werkgever ook gehouden is aan betaling voor verricht arbeid van minimaal het minimumloon. Anders dan schuldenares heeft betoogd, leidt de omstandigheid dat schuldenares door de bewindvoerder niet uitdrukkelijk is gewezen op het ‘minimumloonvereiste’ en de daaruit vloeiende aanvullende sollicitatieverplichting bij het verrichten van fulltime werkzaamheden tegen minder loon dan het minimumloon er niet toe dat geen sprake is van een tekortkoming dan wel de tekortkoming schuldenares niet kan worden toegerekend. De rechtbank is aldus van oordeel dat vanaf 20 juli 2017 opnieuw sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de inspanningsverplichting.

2.4

De rechtbank is echter ook van oordeel dat de onder 2.3. geconstateerde tekortkoming niet van dien aard is dat dit tot tussentijdse beëindiging van de regeling dient te leiden. Gebleken is dat schuldenares zich naar aanleiding van het verhoor op 20 juli 2017 voldoende heeft ingespannen ten einde te voldoen aan de op haar rustende inspanningsverplichting. De rechtbank zal schuldenares daarom een allerlaatste kans bieden door het verzoek tot tussentijdse beëindiging af te wijzen en schuldenares in de gelegenheid te stellen het financiële nadeel dat de boedel heeft ondervonden te compenseren. Schuldenares dient daarvoor, gerekend vanaf het verhoor van 20 juli 2017, het verschil tussen haar ontvangen loon bij fulltime werk en het wettelijk netto minimumloon aan de boedel te vergoeden. Het is aan de bewindvoerder de hoogte van voormeld verschil te berekenen en vast te stellen.

2.5

Uiteraard dient schuldenares vanaf heden alle verplichtingen spontaan, stipt en volledig na te komen, waaronder de aanvullende sollicitatieverplichting indien fulltime arbeid word verricht tegen minder dan het minimumloon. Indien de bewindvoerder genoodzaakt zal zijn schuldenares wederom op toerekenbare tekortkomingen te wijzen, loopt schuldenares het risico dat haar schuldsaneringsregeling, al dan niet tussentijds, zonder de zogenoemde “schone lei” zal worden beëindigd.

3 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [schuldenares], voornoemd.

Gewezen door mr. D. Nobel, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2018 in aanwezigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.