Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1354

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
09.748002.16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte als rechter bij het Iraqi High Tribunal betrokken is geweest bij het (laten) opmaken van valse arrestatiebevelen tegen zijn schoonzoon en diens broer, ter zake van oorlogsmisdrijven, om een familieruzie te beslechten. Door dit arrestatiebevel is de broer van de schoonzoon in Irak twee dagen van zijn vrijheid beroofd. Toen bleek dat de familieruzie nog altijd niet was beslecht, heeft de verdachte een internationaal arrestatiebevel (laten) opmaken tegen de schoonzoon. Daardoor is de schoonzoon in Nederland door de politie klem gereden en gedurende meer dan een uur van zijn vrijheid beroofd. De verdachte heeft bij dit alles gebruik gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter. De rechtbank legt aan de verdachte - rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn - een gevangenisstraf op voor de duur van 66 maanden. Voorts beveelt de rechtbank de gevangenneming van de verdachte. Aan de schoonzoon wordt een schadevergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/748002-16

Datum uitspraak: 9 februari 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboorteland] op [geboortedatum],

BRP-adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 augustus 2017 (regiezitting), 25 januari 2018 en 26 januari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. T. Berger en mr. M.A. van der Vlugt en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. R. Malewicz en mr. B. Polman, advocaten te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 25 januari 2018 - tenlastegelegd dat:

1.

hij in de periode van 6 april 2011 tot en met 19 februari 2012 te Cuijk en/of Nijmegen, in elk geval in Nederland, en/of in Irak, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd of heeft doen beroven, door met dat opzet een vals internationaal arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1] te laten uitvaardigen, waardoor deze door de Nederlandse politie is aangehouden;

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij en/of president van het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 23 april 2017 in Nederland en/of Irak tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven of te doen beroven, een vals Iraaks arrestatiebevel en/of internationaal arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1] heeft uitgevaardigd en/of laten uitvaardigen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij en/of president van het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

2.

hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 27 december 2010 in Nederland en/of Irak tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd of heeft doen beroven en/of beroofd heeft gehouden of beroofd heeft doen houden, al dan niet met het oogmerk om zijn broer [slachtoffer 1] te dwingen om een scheidingsregeling te treffen met zijn ([slachtoffer 1]’s) vrouw (tevens dochter van verdachte) en/of een geldbedrag te betalen, door met dat opzet en al dan niet met dat oogmerk een vals Iraaks arrestatiebevel tegen [slachtoffer 2] uit te (laten) vaardigen, waardoor deze door de Iraakse autoriteiten is aangehouden;

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij en/of president van het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 27 december 2010 in Nederland en/of Irak, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven of te doen beroven, al dan niet met het oogmerk om zijn broer [slachtoffer 1] te dwingen om een scheidingsregeling te treffen met zijn ([slachtoffer 1]’s) vrouw (tevens dochter van verdachte) en/of een geldbedrag te betalen, tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij [slachtoffer 2] zou laten arresteren en/of een vals Iraaks arrestatiebevel tegen [slachtoffer 2] heeft uitgevaardigd en/of laten uitvaardigen en/of (na de inval in de woning van de familie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) in onderhandeling is getreden met (een of meer vertegenwoordigers van) [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid,

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij en/of president van het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 27 december 2010 in Nederland en/of Irak [slachtoffer 1] (meermalen) heeft bedreigd met gijzeling van zijn broer [slachtoffer 2] door [slachtoffer 1] (meermalen) te laten weten dat hij (verdachte) een [slachtoffer 2] zou (laten) arresteren en dat hij (verdachte) pas van die arrestatie zou afzien als [slachtoffer 1] een scheidingsregeling zou treffen met zijn ([slachtoffer 1]'s) vrouw (tevens dochter van verdachte) en/of een geldbedrag zou betalen;

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij en/of president van het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

3.

hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 23 april 2017 in Nederland en/of Irak tezamen en in vereniging met een ander of anderen of alleen, opzettelijk een of meer geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken met het oogmerk om dat/die als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

en/of

opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of doen maken van een of meer valselijk opgemaakte geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst,

door valselijk melding te (laten) doen in Iraakse arrestatiebevelen en/of een internationaal arrestatiebevel dat [slachtoffer 1] en/of (zijn broer) [slachtoffer 2] zich schuldig hebben/heeft gemaakt aan misdrijven (moord en/of genocide)

en/of

die/dat arrestatiebevel(en) ter uitvoering aan Iraakse en/of Nederlandse autoriteiten en/of het Algemeen Secretariaat van Interpol te (laten) sturen en/of daaraan uitvoering te laten geven, waardoor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werden gesignaleerd en/of aangehouden en/of onderworpen aan een meldplicht en/of reisbeperkingen,

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij en/of president van het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 15 mei 2011 in Irak (meermalen) aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte tegenover Iraakse autoriteiten melding gedaan dat [slachtoffer 1] en/of (zijn broer) [slachtoffer 2] zich schuldig hebben/heeft gemaakt aan misdrijven (moord en/of genocide) in Irak;

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij en/of president van het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal).

3 Rechtsmacht en bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft zich ambtshalve gebogen over de vraag of Nederland rechtsmacht heeft en of zij bevoegd is om kennis te nemen van de zaak.

Deze zaak ziet op een verdenking met betrekking tot het opstellen en gebruiken van valse Iraakse (internationale) arrestatiebevelen, waardoor twee personen van de vrijheid zouden zijn beroofd. In de tenlastelegging zijn als pleegplaatsen Irak en Nederland (Cuijk en Nijmegen) opgenomen. De verdachte heeft naast de Iraakse ook de Nederlandse nationaliteit. Blijkens de bijgevoegde strafbepalingen uit het Iraaks Wetboek van Strafrecht zijn de tenlastegelegde feiten ook strafbaar naar Iraaks recht. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat Nederland rechtsmacht heeft.

Interpol Den Haag heeft op 16 mei 2011 in Den Haag een internationaal arrestatiebevel uit Irak ontvangen. Het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte is aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland, die op grond van de woonplaats van de verdachte bevoegd is. Lopende het onderzoek heeft de officier van justitie van het Landelijk Parket in overleg met de verdediging besloten om het onderzoek alhier voort te zetten met inschakeling van de aan deze rechtbank verbonden rechter-commissaris Wet internationale misdrijven en de zaak aan te brengen bij deze rechtbank, vanwege de expertise op het gebied van het internationaal recht. De rechtbank acht zich dan ook bevoegd om kennis te nemen van deze zaak.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding


In februari 2012 kreeg het Team Internationale Misdrijven een arrestatiebevel van het Iraqi High Tribunal (hierna ook wel: Iraakse Hoge Strafhof) in handen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]). In het begeleidend schrijven werd vermeld dat tegen [slachtoffer 1] de verdenking bestaat dat hij in 1999 als lid van de Ba’ath partij leiding heeft gegeven aan een georganiseerde aanval van het Iraakse leger op de dorpen Chabaish en Panthers in de Thi-Qar provincie in Irak. Na nader onderzoek en het horen van [slachtoffer 1] ontstond echter de verdenking dat de verdachte, de toenmalig schoonvader van [slachtoffer 1], betrokken zou zijn geweest bij het op valse gronden (laten) opstellen van het arrestatiebevel en het (laten) opstellen van een arrestatiebevel tegen de broer van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]). Dit heeft ertoe geleid dat de verdachte thans wordt verdacht van valsheid in geschrift dan wel het doen van valse aangifte (feit 3), (poging tot) gijzeling van [slachtoffer 2] dan wel bedreiging (feit 2) en (poging tot) vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] (feit 1). De verdachte wordt er daarbij van verdacht dat hij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen die hem zouden zijn geschonken door een ambt als rechter en/of president van het Iraqi High Tribunal.

De verdachte heeft alle tenlastegelegde feiten ontkend en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij in de tenlastegelegde periode niet heeft gewerkt als rechter en nimmer verbonden is geweest aan het Iraqi High Tribunal. Ook heeft de verdachte betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een valse beschuldiging zolang de zaak rondom de arrestatiebevelen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nog niet is afgerond in Irak.

4.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair is tenlastegelegd, onder de strafverzwarende omstandigheid van ambtelijke hoedanigheid, met vrijspraak op onderdelen van de tenlastelegging.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen van de tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Verklaringen [slachtoffer 1]

Op 28 maart 20112 en 3 april 20113 heeft [slachtoffer 1] bij de politie melding gemaakt van problemen tussen hem en zijn schoonvader, de verdachte. Op 30 juli 20124, 8 mei 20135 en 4 februari 20146 is [slachtoffer 1] als getuige door de politie gehoord. Op 3 februari 2016 is [slachtoffer 1] door de rechter-commissaris gehoord.

[slachtoffer 1] heeft onder meer verklaard dat de problemen tussen hem en de verdachte in 2007 zijn begonnen en dat deze problemen verband zouden houden met de scheiding tussen [slachtoffer 1] en de dochter van de verdachte, [betrokkene 1]. De verdachte woont sinds lange tijd in Nederland maar zou rechter zijn in het Iraqi High Tribunal.7 De verdachte zou [slachtoffer 1] in juni 2010 een papier hebben getoond en daarbij hebben gezegd dat dit een arrestatiebevel was om zijn broers in Irak te laten aanhouden, als [slachtoffer 1] problemen zou maken over het feit dat zijn schoonfamilie in Irak het huwelijk tussen hem en [betrokkene 1] had laten ontbinden. [slachtoffer 1] heeft de ontbinding toen toch tegengehouden, omdat de verzorging en opvoeding van de dochter van [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] nog niet was geregeld8. In december 2010 heeft [slachtoffer 1] van zijn broer [slachtoffer 2] gehoord dat dertig familieleden waren opgepakt en na betaling van een bedrag weer waren losgelaten9 en dat [slachtoffer 2] door de politie werd gezocht. [slachtoffer 1] heeft contact opgenomen met de gouverneur van [plaats in Irak].., [betrokkene 2] en met het parlementslid tevens hun stamhoofd sjeik [betrokkene 3] en hun bemiddeling ingeroepen. Zij hebben afgesproken in de woning van de gouverneur en daar over de kwestie onderhandeld10. De verdachte en [betrokken 4], een andere schoonzoon van de verdachte, zijn daar ook bij aanwezig geweest11. Er is toen een overeenkomst gesloten, die in zijn geheel ging over het arrestatiebevel. De afspraken over de scheiding waren de voorwaarden voor de vrijlating van de broer van [slachtoffer 1]12. Die voorwaarden waren dat [slachtoffer 1] moest scheiden van zijn vrouw, alle rechtszaken in Nederland moest afsluiten, de hypotheek alleen op [slachtoffer 1]’s naam kwam, geen belemmering meer zou bestaan in [slachtoffer 1]’s rechten tegenover zijn dochter en - indien bewezen zou worden dat [slachtoffer 1] een foto van zijn vrouw [betrokkene 1] op het internet heeft gezet - hij een bedrag moest betalen van honderd miljoen Iraakse Dinar. De verdachte moest in ruil hiervoor alle rechtszaken in Irak en het Iraakse arrestatiebevel tegen de broer van [slachtoffer 1] intrekken. Vervolgens moest [slachtoffer 2] zich melden bij de politie13 en deze is toen vastgehouden. De verdachte kwam daar met twee getuigen die zeiden dat [slachtoffer 1] de foto op internet had geplaatst en eiste dat de boete werd betaald. [slachtoffer 2] is toen vastgehouden totdat [slachtoffer 1] het bedrag zou hebben betaald. [betrokkene 3] heeft onderhandeld over het bedrag en toegezegd dat zou worden betaald, waarna [slachtoffer 2] is vrijgelaten14. De verdachte was aanwezig bij het sluiten van de overeenkomst en ook toen [slachtoffer 2] zich bij de politie heeft gemeld en later is vrijgelaten15. [slachtoffer 1] heeft echter geweigerd het bedrag te betalen en ook gezegd dat het stamhoofd niet moest betalen, omdat hij ontkende de foto’s geplaatst te hebben. Daarom heeft zijn schoonvader het arrestatiebevel naar Nederland laten sturen16. [slachtoffer 1] heeft voorts bij de politie verklaard dat [slachtoffer 2] een papier heeft gekregen van de verdachte dat hij niet zal worden vervolgd wegens gebrek aan bewijs. Dit bericht van vrijlating is echter nooit in het land verspreid, zodat zijn broer toen hij ging reizen opnieuw werd aangehouden en weer na korte tijd werd vrijgelaten. Hij moest zich gedurende een jaar elke dag melden in het politiebureau. Pas sinds 2012 is geregeld dat hij in heel Irak niet meer voorkomt op een arrestatiebevel, zodat hij zich weer vrij kan bewegen, aldus [slachtoffer 1]17.

De verdachte heeft de beschuldigingen ontkend. Hij heeft verklaard dat hij rechter was in Irak onder het regime van Saddam Hoessein, maar niet meer nadat hij naar Nederland is gevlucht. Hij heeft dus nooit als rechter gewerkt voor het Iraqi High Tribunal, noch is hij hiervan President geweest, aldus de verdachte. Hij heeft tevens iedere betrokkenheid bij het arrestatiebevel ontkend en heeft gesteld geen problemen te hebben met [slachtoffer 1].

Hoewel de verklaringen van [slachtoffer 1] bijzonder consistent zijn, zijn zij gelet op de ontkenning van de verdachte op zichzelf onvoldoende voor een bewezenverklaring, temeer nu [slachtoffer 1] er belang bij kan hebben om het arrestatiebevel in diskrediet te brengen bij de Nederlandse autoriteiten.

De rechtbank zal derhalve in het navolgende nagaan of de verklaring van [slachtoffer 1] op alle belangrijke onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Hierbij zullen de volgende onderdelen worden besproken:

  1. Is de verdachte in de ten laste gelegde periode in Irak werkzaam geweest als rechter (paragraaf 4.4.1);

  2. Is de verdachte betrokken geweest bij het uitvaardigen van arrestatiebevelen (paragraaf 4.4.2);

  3. Is de verdenking in de arrestatiebevelen vals (paragraaf 4.4.3);

  4. Wat zijn de consequenties geweest voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (paragraaf 4.4.4).

Daarna zal de rechtbank bezien of hetgeen zij heeft vastgesteld tot bewezenverklaring kan leiden van de tenlastegelegde feiten (paragraaf 4.4.5).

4.4.1

Is de verdachte in de tenlastegelegde periode in Irak als rechter werkzaam geweest?

Publicatie van de Official Gazette of Iraq 2009

De politie heeft een publicatie van de Official Gazette of Iraq 2009 op het internet gevonden. Dit document betreft een pdf-bestand afkomstig uit de Official Gazette of Iraq en bevat presidentiële decreten uit het jaar 2009, een specifiek nummer, een datum en een beschrijving van het specifieke decreet, in zowel de Engelse als de Arabische taal.

Onder nummer 4136 van 7 september 2009 staat vermeld: "benoeming van de heer [verdachte] tot een van de rechters van het Hoge Iraakse Strafhof, in de eerste categorie rechters"18.

Twee perspublicaties

Tevens heeft de politie in open bronnen op het internet twee perspublicaties gevonden. De eerste perspublicatie is van 21 april 2011 met als titel: “[betrokkene 5] benoemt rechter [verdachte] als president van het Hoge Strafhof”19. De tweede perspublicatie is ook van 21 april 2011 en heeft als titel: “[betrokkene 5] benoemt een rechter uit [plaats in Irak] als president van het Hoge Iraakse Strafhof”20. Opvallend hierbij is dat de levensbeschrijving van de persoon die hier wordt genoemd, overeenkomt met de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd over zijn tijd in Irak en de tijd erna, toen hij is gevlucht uit Irak21. Het is derhalve onaannemelijk dat het over een ander dan de verdachte zou gaan.

Het YouTube-filmpje

Op YouTube staat een kort filmfragment met als titel: “Dr. [betrokkene 6] ontvangt een aantal rechters”. In dit fragment is onder meer een man te zien wiens gelaat een zeer grote gelijkenis vertoont met de beschikbare pasfoto van de verdachte22. De verdachte heeft niet ontkend dat hij degene is die op het fragment is te zien, maar heeft verklaard dat hij [betrokkene 6] wel eens bezoekt en heeft betoogd dat het enkele feit dat mogelijk anderen in het fragment rechter zijn nog niet betekent dat hij dat toen ook was23.

De eerste verklaring van [betrokkene 7]

De politie heeft [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7]), Iraakse rechter en Chief Investigative Judge van het Iraqi High Tribunal van 2004 tot 2011, op 29 juli 2014 in de Verenigde Staten van Amerika als getuige gehoord24. Dit verhoor is letterlijk uitgewerkt en in het dossier gevoegd25.

[betrokkene 7] heeft in zijn eerste verklaring onder meer verklaard dat de man die voor hem in het YouTube-filmpje loopt, [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) is en dat het filmpje van maart 2011 is26. Hij heeft tevens verklaard dat [verdachte] van 2009 tot en met 2012 rechter bij het Tribunaal is geweest27.

[betrokkene 7] is op 24 september 2015 tevens door de rechter-commissaris gehoord en in dit verhoor wijkt zijn verklaring af van zijn eerdere verklaring.

Uit het proces-verbaal van 9 oktober 2015 van de officier van justitie blijkt dat [betrokkene 7] op 15 november 2014 een e-mailbericht aan één van de twee Nederlandse rechercheurs heeft gestuurd die hem eerder in de Verenigde Staten heeft verhoord. In deze mail heeft [betrokkene 7] kort gezegd verklaard dat zijn familie problemen heeft gekregen met de familie van de verdachte, nadat zij in het bezit zouden zijn gekomen van een opname van het eerste verhoor van [betrokkene 7]. Hierna is niet meer van [betrokkene 7] vernomen tot zijn verhoor bij de rechter-commissaris28.

Door de verdediging is bepleit dat de eerste verklaring van [betrokkene 7] niet voor het bewijs kan worden gebezigd, gelet op zijn latere - afwijkende - verklaring bij de rechter-commissaris. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de eerste verklaring van [betrokkene 7] voor het bewijs kan worden gebezigd. Daarbij hecht de rechtbank belang aan het letterlijk uitgewerkte verhoor van 29 juli 2014. Hier is te zien dat er weliswaar soms sturende vragen zijn gesteld, doch ook dat er weerstand is getoond door [betrokkene 7] om nadelig over de verdachte te verklaren. De rechtbank krijgt uit dit verhoor dan ook niet de indruk dat [betrokkene 7] bezig is om zijn eigen straatje schoon te vegen. De rechtbank neemt in haar overweging ook mee het hiervoor genoemde proces-verbaal van de officier van justitie. Hieruit is gebleken dat [betrokkene 7] en/of zijn familie door zijn verklaring over de verdachte in de problemen is/zijn gekomen en dat hij daarna niet meer wilde verklaren en ten overstaan van de rechter-commissaris plotseling het antwoord op veel vragen schuldig bleef, belastende verklaringen heeft teruggenomen en zelfs heeft ontkend deze te hebben afgelegd. De rechtbank heeft gezien de overige hierna te noemen bewijsmiddelen, - in onderlinge samenhang bezien - ook overigens geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de eerste verklaring van [betrokkene 7] en zal deze verklaring dan ook als bewijs bezigen.

Het tapgesprek van Um [betrokkene 9] van 18 juni 2013

De verklaring van [betrokkene 7] en de overige hiervoor genoemde bewijsmiddelen passen bij de bevindingen uit het tapgesprek van 19 juni 2013 waar Um [betrokkene 9] zegt: “Maar bij Abu [betrokkene 9] is het anders…als hij erheen gaat, gaat hij voor zijn werk; hij is een rechter”29.

Om vast te kunnen stellen dat Um [betrokkene 9] de echtgenote van de verdachte is en dat de verdachte onder meer Abu [betrokkene 9] wordt genoemd, heeft de rechtbank acht geslagen op het proces-verbaal betreffende de stemherkenning op de gebruikte taplijnen. Uit het proces-verbaal volgt dat het aannemelijk is dat de verdachte en zijn echtgenote gebruik maken van de getapte nummers. Voorts is uit het onderzoek telecommunicatie gebleken dat de verdachte zowel Abu [betrokkene 9] als Abu [betrokkene 10] wordt genoemd. Zijn echtgenote wordt zowel Um [betrokkene 9] als moeder genoemd30. Het telefoongesprek waarop de verdediging heeft gewezen, waarin Um [betrokkene 9] zou hebben gezegd dat haar man al lang geleden met pensioen is gegaan, ziet de rechtbank niet als ontlastend. Integendeel, de strekking van dit gesprek uit 2015 is dat men inmiddels niet meer terecht kan bij haar man voor een referentie om te werken bij het Iraqi High Tribunal omdat hij met pensioen is. Dat de verdachte inmiddels - na sluiting van het Iraqi High Tribunal in 2012 - met pensioen is gegaan, betekent niet dat hij dat in de tenlastegelegde periode ook al was. Bovendien is opvallend dat juist een referentie wordt gevraagd voor het Iraqi High Tribunal, terwijl de verdachte heeft verklaard daar nooit gewerkt te hebben.

De aangetroffen dvd’s

Tot slot zijn bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 2 december 2013 dvd’s met daarop beelden van het verhoor van Saddam Hoessein aangetroffen. Deze dvd’s hebben een code IST en bevatten zeer gevoelige informatie en zijn volgens [betrokkene 7], die destijds onderzoeksrechter was op de zaak tegen Saddam Hoessein en deze verhoren heeft afgenomen31, authentiek32.

[betrokkene 7] heeft verklaard dat dit heel gevoelig materiaal is, dat hij deze dvd’s niet heeft gekregen ondanks dat hij er wel al vier jaar om heeft gevraagd33. De president van het Iraqi High Tribunal had destijds wel toegang tot dergelijk onderzoeksmateriaal. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van de verdachte voor zijn bezit van dit materiaal, inhoudende dat hij de dvd’s op de markt heeft gekocht, volstrekt ongeloofwaardig.

De verklaring van [slachtoffer 2]

De hiervoor genoemde bewijsmiddelen vinden tevens steun in de verklaring van de broer van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte begin 2004 in [plaats in Irak] als rechter is benoemd. Daarna zou de verdachte naar [plaats in Irak] zijn gegaan en hierna zou de verdachte tot president van het Strafhof zijn benoemd34

Tussenconclusie

De verdachte heeft betoogd dat al hetgeen van internet afkomstig is onbetrouwbaar is, omdat dit kan worden vervalst. Ten aanzien van het filmfragment heeft hij aangevoerd dat het enkele feit dat hij op die bijeenkomst was, nog niet betekent dat hij rechter was. De rechtbank acht evenwel gelet op alle bewijsmiddelen ten aanzien van dit punt in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte vanaf 7 september 2009 in Irak als rechter werkzaam is geweest en rond 21 april 2011 tot president van het Iraqi High Tribunal is benoemd. De door de verdachte overgelegde stukken zijn onvoldoende in het licht van het hiervoor weergegeven overtuigende bewijs.

4.4.2

Is de verdachte betrokken geweest bij het uitvaardigen van de arrestatiebevelen?

De arrestatiebevelen met betrekking tot [slachtoffer 1]

Uit het bericht van Interpol Bagdad van 15 mei 2011 aan Interpol Den Haag blijkt dat er op 6 april 2011 door het Iraqi High Tribunal onder nr. 89 een arrestatiebevel is afgegeven tegen [slachtoffer 1]35.

Het arrestatiebevel zelf is ondertekend door rechter [betrokkene 7]. Opvallend hierbij is dat in het arrestatiebevel de volledige adresgegevens van [slachtoffer 1] in Nederland en diens telefoonnummer vermeld staan36. De officier van justitie heeft geverbaliseerd dat deze gegevens niet door Nederlandse autoriteiten aan Irak zijn verstrekt37. De rechtbank stelt vast dat de verdachte over deze gegevens beschikte: [slachtoffer 1] was immers zijn schoonzoon. De verdachte heeft betoogd dat deze informatie ook door de familie van [slachtoffer 1] zelf kan zijn verstrekt, maar de rechtbank ziet niet in waarom zij dit zou hebben gedaan.

De verklaring van [betrokkene 7]

[betrokkene 7] heeft verklaard dat [verdachte] één van de twee onderzoeksrechters is geweest die op deze zaak zaten. [verdachte] zou het arrestatiebevel hebben opgemaakt en naar hem hebben gezonden, omdat het arrestatiebevel naar Nederland moest38. Anders dan voor arrestatiebevelen binnen Irak, waarvoor een handtekening van een onderzoeksrechter volstond, was voor een arrestatiebevel dat naar het buitenland moest namelijk een handtekening nodig van het hoofd van de onderzoeksrechters. [betrokkene 7] heeft het arrestatiebevel in die hoedanigheid ondertekend39. [betrokkene 7] heeft tevens verklaard dat hij heeft gehoord dat er een familieprobleem achter het arrestatiebevel zat40. Het was niet gebruikelijk dat hij als hoofd van de onderzoeksrechters in die fase al kennis nam van het onderliggende bewijs. Hij heeft alleen gecontroleerd of er een arrestatiebevel was dat was ondertekend door een onderzoeksrechter41.

Het nationale arrestatiebevel met betrekking tot [slachtoffer 2]

In het proces-verbaal is opgenomen een geschrift met opschrift “annulering arrestatiebevel” van 27 december 2010. In dit geschrift wordt in vervolg op een schrijven met nummer Q1/188 van 21 juli 2010 medegedeeld dat [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2]) ten aanzien van wie een arrestatiebevel was uitgevaardigd conform artikel 12/15 van de Wet op het Iraakse Hoge Strafhof zich heeft aangegeven42.

In het proces-verbaal is eveneens opgenomen een geschrift met opschrift “bekendmaking arrestatiebevel” van 2 januari 2011. In dit geschrift wordt gemeld dat ter uitvoering van het arrest van het Hoge Iraakse Strafhof van 2 juni 2010 een afschrift wordt gestuurd van een arrestatiebevel dat is uitgevaardigd tegen [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2])43.

Het voorgaande komt overeen met de al weergegeven verklaring van [slachtoffer 1] dat de verdachte hem in juni 2010 een papier heeft laten zien en daarbij zou hebben gezegd dat dit een arrestatiebevel was om zijn broers in Irak te laten aanhouden, alsook met de verklaring van [slachtoffer 1] dat het arrestatiebevel, na de aanvankelijke annulering op 27 december 2010, toch weer werd ingezet begin januari 2011, nadat [slachtoffer 1] had geweigerd de schadevergoeding te betalen.

De overeenkomst van 22 december 2010

Het voorgaande past ook bij de overeenkomst van 22 december 2010, die zich in het dossier bevindt. De inhoud van deze overeenkomst komt overeen met hetgeen [slachtoffer 1] hierover heeft verklaard44. Op de overeenkomst staat ook een handtekening die grote gelijkenis vertoont met de handtekening van de verdachte, zoals deze op zijn paspoort staat45. De verklaring van de verdachte dat hij dit niet heeft ondertekend, maar dat [slachtoffer 1] deze handtekening heeft nagemaakt, omdat hij dit had geleerd toen hij in Nederland vaak formulieren namens de verdachte invulde, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Niet alleen is niet voorstelbaar dat de verdachte, als rechter, een ander zou vragen zijn handtekening op verschillende officiële formulieren na te maken, maar ook wordt deze gang van zaken weersproken door de verklaring van een andere schoonzoon van de verdachte, [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]).

Verklaring [betrokkene 4]

[betrokkene 4] heeft verklaard ook bij het sluiten van bovengenoemde overeenkomst aanwezig te zijn geweest. [betrokkene 4] heeft aangegeven dat hij zijn handtekening onder de overeenkomst herkent. Het verhaal komt hem bekend voor, maar hij kan het zich niet zo goed herinneren46. Later heeft [betrokkene 4] niet meer willen verklaren. Hij heeft daarbij meegedeeld dat de situatie voor hem een beetje moeilijk was47.

Uitgaande van de authenticiteit van deze overeenkomst heeft de verdachte niet verklaard welke andere gedingen die in Irak zijn aangespannen tegen [slachtoffer 2] door de verdachte zouden worden afgesloten. Bovendien valt op dat op 27 december 2010 - vlak na het sluiten van deze overeenkomst - het arrestatiebevel tegen [slachtoffer 2] officieel is geannuleerd48.

Verklaringen van een getuige bij de overeenkomst

De verklaring van [slachtoffer 1] met betrekking tot de overeenkomst van 22 december 2010 en hetgeen hiervoor met betrekking tot die overeenkomst is gerelateerd sluit aan bij de verklaring van [betrokkene 3]. Deze persoon heeft verklaard dat de verdachte een valse aangifte heeft gedaan en een arrestatiebevel heeft uitgevaardigd tegen [slachtoffer 1] en zijn broer en dat ze bij elkaar zijn gekomen om de zaak op te lossen. Er is een overeenkomst opgesteld waarmee de verdachte akkoord is gegaan. Er zou een bedrag worden betaald, zodat de volgende dag de aangifte tegen [slachtoffer 2] zou worden ingetrokken. De aangifte tegen [slachtoffer 1] zou blijven staan. [slachtoffer 1] moest volgens de verdachte ook nog een geldbedrag aan hem betalen49. De verdachte heeft de getuige zelf gevraagd om hierbij aanwezig te zijn, nadat hij met de verdachte contact heeft gezocht op verzoek van [slachtoffer 2]. De overeenkomst is gesloten in de woning van [betrokkene 2], deze locatie heeft de verdachte uitgekozen. Later heeft de verdachte [slachtoffer 1] beschuldigd dat hij een foto van zijn dochter [betrokkene 1] op internet zou hebben gezet, waarop zij ongesluierd te zien zou zijn. De verdachte wilde hierom dat [slachtoffer 1] aan hem een geldbedrag zou betalen. [slachtoffer 1] wilde dit niet, omdat hij die foto niet had geplaatst50.

De rechtbank heeft deze verklaring met de nodige behoedzaamheid gewogen, nu deze is weergegeven in een proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van een telefonisch verhoor. In onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, kan de verklaring evenwel niet iedere bewijswaarde worden ontzegd.

De tapgesprekken van de echtgenote van de verdachte

De echtgenote van de verdachte heeft op 2 december 2013, na de doorzoeking van de woning, met haar dochter [betrokkene 8] gebeld en in dit telefoongesprek onder meer gezegd dat “die van Interpol is kennelijk aangekomen”51. De rechtbank stelt vast dat dit gesprek aansluit bij de verklaring van [slachtoffer 1] en bij de voorgaande bewijsmiddelen. Kennelijk weet de familie van de verdachte op dat moment al van iets dat via Interpol onderweg is. De politie heeft geverbaliseerd dat bij de doorzoeking van de woning dergelijke informatie niet is verstrekt52.

Ook het tapgesprek van 23 mei 2013 past bij het voorgaande. In dit tapgesprek zijn door Um [betrokkene 9] de problemen met [slachtoffer 1] besproken53.

De reisbewegingen van de verdachte

In het dossier is ook een overzicht met de reisbewegingen van de verdachte gevoegd. Hieruit kan onder meer worden vastgesteld dat de verdachte op de cruciale momenten, te weten in juni 2010, december 2010 en januari 2011 in Irak is geweest54.

Tussenconclusie

Gezien het vorenstaande - alles in onderlinge samenhang bezien - is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij het uitvaardigen van zowel het nationale arrestatiebevel tegen [slachtoffer 2], als bij het uitvaardigen van het internationale arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1].

4.4.3

Is de verdenking in de arrestatiebevelen vals?

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen of er daadwerkelijk een dossier is opgemaakt tegen [slachtoffer 1] dat een redelijke verdenking tegen hem rechtvaardigt, nu de Iraakse autoriteiten, ondanks herhaald verzoek hiertoe, het onderliggende dossier geheel noch gedeeltelijk hebben verschaft55. Daarentegen heeft [slachtoffer 1] met een overvloed aan documenten aangetoond in het jaar, waarop de verdenking zou zien, in Nederland aanwezig geweest te zijn. Het betreft stukken met betrekking tot zijn naturalisatietraject56, tot het salaris dat hij in Nederland heeft ontvangen van een uitzendbureau, tot behaalde tentamens en pintransacties57. Deze stukken die zien op gebeurtenissen verspreid over het gehele jaar, vormen weliswaar geen absoluut onweerlegbaar bewijs, maar maken het wel bijzonder onaannemelijk dat iemand tussendoor zou zijn afgereisd naar Irak om deel te nemen aan oorlogsmisdrijven, voor een regime waarvoor hij was gevlucht.

Daar komt bij dat ook [betrokkene 7] heeft verklaard dat er een familieprobleem achter het arrestatiebevel zat58. Gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] en hetgeen hiervoor reeds is weergegeven met betrekking tot de overeenkomst van 22 december 2010, de snelle vrijlating van [slachtoffer 2] en de daarop volgende annulering van diens arrestatiebevel komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdenking tegen [slachtoffer 2] evenmin een reële was. Indien er desondanks toch reële verdenkingen waren tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], had het op de weg van de verdachte gelegen om hierin inzicht te geven, waartoe de rechtbank hem ter zitting meermalen heeft uitgenodigd. De verdachte heeft dat inzicht niet gegeven, maar slechts ontkend rechter te zijn geweest bij het Iraqi High Tribunal. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de verdachte wel degelijk rechter was bij dit tribunaal en ook dat hij betrokken is geweest bij het uitvaardigen van de arrestatiebevelen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

De rechtbank is derhalve van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de in de arrestatiebevelen vermelde verdenking tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vals en in strijd met de waarheid is.

4.4.4

Wat zijn voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de consequenties van de arrestatiebevelen geweest?

[slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] heeft gedurende zijn telefonisch verhoor verklaard dat hij zichzelf heeft aangegeven en de dag erna is vrijgelaten. Na zes maanden werd hij opnieuw gearresteerd en vervolgens ook weer vrijgelaten op borgtocht en met een meldingsplicht. Gedurende acht maanden moest hij zich elke dag melden op het politiebureau59.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] het verhaal over hetgeen [slachtoffer 2] is overkomen kennelijk heeft vernomen van [slachtoffer 2] zelf. Het verhaal over de eerste aanhouding vindt echter bevestiging in de al vaker genoemde annulering van het arrestatiebevel, gedateerd 27 december 2010, waarin staat vermeld dat [slachtoffer 2] zichzelf op 26 december 2010 heeft aangegeven en dat op 27 december 2010 is besloten om de aanhouding op te heffen60. Op basis van dit geschrift en de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] komt de rechtbank dan ook tot de vaststelling dat [slachtoffer 2] van 26 december 2010 tot 27 december 2010 aangehouden is geweest is naar aanleiding van het arrestatiebevel. In het dossier bevindt zich evenwel geen ondersteuning voor een tweede aanhouding en meldplicht voor [slachtoffer 2].

[slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] heeft over zichzelf verklaard dat hij in februari 2012 staande is gehouden omdat hij gesignaleerd zou staan. De volgende dag hoorde hij op het politiebureau dat hij gesignaleerd stond op verzoek van de Iraakse autoriteiten61.

Dit wordt onderschreven door de politie die heeft geverbaliseerd dat [slachtoffer 1] in het politiesysteem stond gesignaleerd ten behoeve van de autoriteiten van Irak ter zake meervoudige moord en leiding geven aan een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk. Daarbij werd verwezen naar de afdeling AIRS van het ministerie van Justitie en Veiligheid en de KLPD Ipol Interpol. Voorts is door de politie geverbaliseerd dat zij in de nacht van 18 februari 2012 op 19 februari 2012 in Cuijk een personenauto zagen rijden, waarbij de signalering naar boven kwam. Bij Nijmegen is de auto klem gereden en is de bestuurder [slachtoffer 1] gecontroleerd. Na meer dan een uur besloot de Officier van Dienst dat [slachtoffer 1] mocht vertrekken omdat geen contact kon worden gekregen met de in de signalering vermelde afdelingen van het Ministerie van Justitie en het KLPD62. Bij brief gedateerd 23 april 2017 van Interpol Bagdad is medegedeeld dat het arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1] is geannuleerd63.

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat het directe gevolg voor [slachtoffer 1] is geweest dat hij ten gevolge van het arrestatiebevel op 19 februari 2012 gedurende ruim een uur is opgehouden door de politie.

4.4.5

Kan tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten worden gekomen?

De rechtbank heeft in de voorgaande paragrafen vastgesteld dat de verdachte vanaf 2009 als onderzoeksrechter werkzaam is geweest bij het Iraqi High Tribunal en rond 21 april 2011 werd benoemd tot president. In 2010 is hij betrokken geweest bij het uitvaardigen van een (nationaal) arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], teneinde zijn invloed uit te oefenen op de scheiding tussen [slachtoffer 1] en diens (toenmalige) echtgenote. Ten gevolge van dit arrestatiebevel is [slachtoffer 2] in 2010 enkele dagen vastgehouden in Irak. In 2011 heeft de verdachte ervoor gezorgd dat - naar aanleiding van het nationale arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1] - een internationaal bevel werd opgemaakt. Ten gevolge van dit internationale arrestatiebevel is [slachtoffer 1] in 2012 in Nederland gedurende ruim een uur opgehouden.

Tot slot heeft de rechtbank genoegzaam vastgesteld dat de gronden waarop de arrestatiebevelen zagen, te weten de verdenking van betrokkenheid bij strafbare feiten in 1999 in de Thi-Qar provincie, vals zijn.


De rechtbank zal hierna per feit beoordelen of tot bewezenverklaring kan worden gekomen van hetgeen ten laste is gelegd. Daarbij zal - waar nodig - aandacht worden geschonken aan de vraag of sprake is van plegen, medeplegen of doen plegen en of de wettelijke straf verhogende omstandigheid van ambtelijke hoedanigheid aan de orde is. Daartoe zal de rechtbank allereerst de kaders uiteen zetten die zij bij haar beoordeling hanteert.

Plegen, doen plegen of medeplegen

Ingevolge artikel 47, eerste lid, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht worden als daders van een strafbaar feit gestraft zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen. Van plegen is vanzelfsprekend slechts sprake indien iemand zelf een delict pleegt.

Van doen plegen is sprake wanneer iemand een ander een delict laat uitvoeren. Degene die het delict feitelijk uitvoert wordt in zo’n geval de materiële of onmiddellijke dader genoemd en de degene die het feit doet plegen wordt aangeduid als intellectuele of middellijke dader. Voor de strafbaarheid van doen plegen moet niet alleen het opzet van de middellijk dader worden bewezen, maar ook de straffeloosheid van de onmiddellijk dader.

Van medeplegen is tot slot sprake indien een delict wordt gepleegd door twee of meer personen. Hiervoor is vereist dat tussen deze personen (onder meer) sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die gericht is op het plegen van een strafbaar feit.

Ambtelijke hoedanigheid

Ingevolge artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht kan de op een feit gestelde straf met een derde worden verhoogd, indien een ambtenaar door het begaan van het strafbare feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van de macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken. Het artikel strekt tot bescherming tegen machtsmisbruik en schending van het bijzonder vertrouwen dat door burgers in de overheid mag worden gesteld.

De wetgever heeft het begrip ‘ambtenaar’ niet gedefinieerd. Voor de rechtbank staat evenwel buiten kijf dat een rechter zonder meer als ambtenaar heeft te gelden, nu deze door het openbaar gezag is aangesteld tot een openbare betrekking om een deel van de taak van de staat of zijn organen te verrichten (zie Hoge Raad 28 februari 1921, NJ 1921, p. 521 en Hoge Raad 16 november 1948, NJ 1949/138).

Uit de wet is evenmin op te maken of het begrip tevens ziet op een buitenlandse rechter. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat - gelet op de strekking van het wetsartikel en de misdrijven die zijn gepleegd - tevens de buitenlandse rechter onder het begrip valt. Door de verdediging is bepleit dat dit echter niet zou opgaan voor rechters van het Iraqi High Tribunal, aangezien deze veelal anoniem waren, vonnissen ondertekenden met een nummer en aldus hun werkzaamheden niet openbaar verrichten. De rechtbank oordeelt anders. Juist bij een tribunaal waarvan veel van de rechters anoniem hun werk verrichten en derhalve geen maatschappelijke controle op hun werkzaamheden mogelijk is, is het des te belangrijker dat de maatschappij kan vertrouwen op de integriteit van de rechters bij de uitoefening van hun publieke functie. De rechtbank concludeert dan ook dat de functie van de verdachte als rechter - en later president van het Iraqi High Tribunal - valt onder het toepassingsbereik van artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 1: vrijheidsberoving van [slachtoffer 1]

Op basis van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte met het laten uitvaardigen van het internationaal arrestatiebevel van 6 april 2011 in Irak, waarbij hij gebruik maakte van de macht, gelegenheid en/of middelen die hij had door zijn ambt als rechter bij het Iraqi High Tribunal, het opzet had om [slachtoffer 1] van de vrijheid te laten beroven. De verdachte wilde [slachtoffer 1] er immers toe bewegen de scheiding van zijn (toenmalige) vrouw te laten verlopen op de wijze zoals gewenst door de verdachte en de enkele dreiging met een arrestatiebevel was niet afdoende gebleken om dat te bewerkstelligen. Ten gevolge van het arrestatiebevel is [slachtoffer 1] op 19 februari 2012 in Nederland ook daadwerkelijk gedurende ruim een uur van zijn vrijheid beroofd door de Nederlandse politie. [slachtoffer 1] kon immers gedurende de controle niet weg. Aangezien de gronden van het arrestatiebevel vals waren, was de vrijheidsberoving wederrechtelijk. De rechtbank komt aldus tot bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] en zal ten laste van de verdachte bewezen verklaren dat hij dit feit als intellectueel dader heeft doen plegen door de Nederlandse politieagenten, die straffeloos moeten worden geacht omdat zij uit mochten gaan van de juistheid van het arrestatiebevel. Voorts zal zij de strafverzwarende ambtelijke hoedanigheid bewezen verklaren.

Feit 2: gijzeling van [slachtoffer 2]

De rechtbank komt eveneens tot de vaststelling dat de verdachte opzet heeft gehad om [slachtoffer 2] van de vrijheid te beroven, teneinde [slachtoffer 1] te dwingen om een geldbedrag te betalen voor het op internet plaatsen van foto’s van de dochter van de verdachte. Hierdoor is [slachtoffer 2] op 26 en 27 december 2010 in Irak van zijn vrijheid beroofd, nadat hij zichzelf had aangegeven. Ook deze vrijheidsberoving was wederrechtelijk, aangezien de gronden van het arrestatiebevel vals waren. De rechtbank komt daarom tot bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde gijzeling van [slachtoffer 2] en zal voor dit feit - evenals voor feit 1 - ten laste van de verdachte bewezen verklaren dat hij dit feit als intellectueel dader heeft doen plegen. De rechtbank gaat er van uit dat de overheidsfunctionarissen die de vrijheidsberoving hebben uitgevoerd, hebben gehandeld conform de daar geldende regels en aldus straffeloos moeten worden geacht. Dit volgt uit het feit dat er tegen [slachtoffer 2] een door de bevoegde autoriteit opgemaakt arrestatiebevel bestond en dat er bij zijn vrijlating een vrijlatingsbewijs is verstrekt. Ook bij dit feit zal de strafverzwarende ambtelijke hoedanigheid bewezen verklaren.

Feit 3: valsheid in geschrift

Zoals hiervoor onder 4.4.2 uiteen is gezet staat voor de rechtbank zonder meer vast dat de verdachte betrokken was bij en verantwoordelijk is geweest voor het uitvaardigen van zowel het nationale arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als bij het internationale arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1]. Voor het nationale arrestatiebevel zal de rechtbank de verdachte echter vrijspreken van valsheid in geschrift, nu zij vanwege het ontbreken van deze bevelen en verdere informatie over de totstandkoming hiervan niet heeft kunnen vaststellen of de verdachte dit feit heeft gepleegd, heeft medegepleegd of heeft doen plegen. Dit is anders voor het internationale arrestatiebevel betreffende [slachtoffer 1]. Blijkens de eerder weergegeven verklaring van [betrokkene 7] heeft deze immers voor ondertekening van dit bevel gezorgd op verzoek van de verdachte, op een wijze die kennelijk gebruikelijk was bij het Iraqi High Tribunal. Naar het oordeel van de rechtbank is [betrokkene 7] dan ook straffeloos, terwijl voor de verdachte geldt dat hij opzet had op het valselijk doen opmaken van het arrestatiebevel met het oogmerk om dat als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. De rechtbank komt dan ook ten aanzien van het internationale arrestatiebevel tot bewezenverklaring van de onder 3 primair tenlastegelegde valsheid in geschrift in de deelnemingsvorm doen plegen in de periode van 6 april 2011 tot de intrekking van het arrestatiebevel op 23 april 2017 in Irak. De verdachte heeft dit valse arrestatiebevel ook zelf gebruikt en doen gebruiken door het ter uitvoering aan Iraakse en Nederlandse autoriteiten te (laten) sturen en daaraan uitvoering te laten geven, met signalering en aanhouding van [slachtoffer 1] tot gevolg. Tot slot heeft ook voor dit feit te gelden dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij het Iraqi High Tribunal.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 19 februari 2012 te Nijmegen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft doen beroven, door op 6 april 2011 met dat opzet in Irak een vals internationaal arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1] te laten uitvaardigen, waardoor deze door de Nederlandse politie is aangehouden;

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

2.

hij op 26 december 2010 en 27 december 2010 in Irak opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft doen beroven en beroofd heeft doen houden, met het oogmerk om zijn broer [slachtoffer 1] te dwingen om een geldbedrag te betalen, door met dat opzet en met dat oogmerk op 2 juni 2010 in Irak een vals Iraaks arrestatiebevel tegen [slachtoffer 2] uit te (laten) vaardigen, waardoor deze door de Iraakse autoriteiten is aangehouden;

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal).

3.

hij in de periode van 6 april 2011 tot en met 23 april 2017 in Nederland en Irak opzettelijk een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft doen opmaken met het oogmerk om dat als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, en opzettelijk gebruik heeft gemaakt en doen maken van dat valselijk opgemaakte geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst,

door valselijk melding te laten doen in een internationaal arrestatiebevel dat [slachtoffer 1] zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven (moord en/of genocide)

en door dat arrestatiebevel ter uitvoering aan Iraakse en Nederlandse autoriteiten te (laten) sturen en daaraan uitvoering te laten geven, waardoor die [slachtoffer 1] werd gesignaleerd en aangehouden,

terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring gecursiveerd verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd van zes jaren. De officieren van justitie hebben tevens gevorderd dat bij vonnis van de rechtbank de gevangenneming van de verdachte dient te worden bevolen op grond van de geschokte rechtsorde en vluchtgevaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat - indien en voor zover aan de verdachte een straf wordt opgelegd - rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het gegeven dat er sprake is van schending van de redelijke termijn.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

Tussen de verdachte en zijn toenmalige schoonzoon [slachtoffer 1] is een conflict ontstaan toen deze wilde scheiden van de dochter van de verdachte. De verdachte heeft getracht om zijn invloed uit te oefenen op deze scheiding. Nadat een enkel dreigement met een arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1]’s familie niet afdoende was gebleken om zijn eisen te realiseren, heeft de verdachte in 2010 daadwerkelijk een arrestatiebevel laten opmaken tegen [slachtoffer 1] en diens broer [slachtoffer 2]. Nadat de familieleden van [slachtoffer 1] zijn aangehouden, heeft de verdachte [slachtoffer 1] gedwongen in te stemmen met een overeenkomst, waarin de verdachte zijn eisen gerealiseerd zag. [slachtoffer 2] is desondanks vastgehouden teneinde veilig te stellen dat ook een hoge schadevergoeding zou worden betaald. Eerst toen door de stam van [slachtoffer 1] toezeggingen waren gedaan, is [slachtoffer 2] vrijgelaten. Toen later bleek dat [slachtoffer 1] niet voornemens was om deze schade te (laten) vergoeden heeft de verdachte het arrestatiebevel voor de verdachte naar Nederland laten sturen, waarop [slachtoffer 1] in Nederland door de politie gedurende meer dan een uur van zijn vrijheid werd beroofd. Pas in 2017 is het internationaal aanhoudingsbevel tegen [slachtoffer 1] geannuleerd, maar blijkens de slachtofferverklaring is het Iraakse aanhoudingsbevel tegen hem nog altijd van kracht. In zijn schriftelijke slachtofferverklaring heeft [slachtoffer 1] beschreven hoe groot de impact van de arrestatiebevelen is geweest op hem en zijn familie. Door het arrestatiebevel is het voor hem niet mogelijk om zijn familie in Irak te bezoeken. De verdachte had vanuit zijn functie als rechter bij het Iraqi High Tribunal de macht om dergelijke bevelen uit te vaardigen.

De gedragingen van de verdachte zijn zeer ernstig. Onder het regime van Saddam Hoessein zijn jaren lang gruwelijke misdrijven begaan tegen de Iraakse bevolking. Na de val van het regime van Saddam Hoessein is het Iraqi High Tribunal opgericht om de ernstigste van deze misdrijven te berechten. Het uitvaardigen van een arrestatiebevel met de verdenking van het plegen van deze gruwelijke (internationale) misdrijven is dan ook zeer stigmatiserend, niet alleen voor [slachtoffer 2] die nog steeds in Irak woont, maar ook voor [slachtoffer 1] in Nederland. Nota bene heeft de verdachte zelf verklaard dat hij destijds Irak heeft verlaten, omdat hij onder het regime van Saddam Hoessein werd gedwongen om valse arrestatiebevelen uit te vaardigen en hij zich hier niet in kon vinden. Het is daardoor des te verwerpelijker dat de verdachte later als rechter van het Iraqi High Tribunal in alle vrijheid, misbruik heeft gemaakt van zijn ambt door een familiegeschil te beslechten met valse arrestatiebevelen.

Bovendien heeft de verdachte bij de uitvoering hiervan ook nog eens anderen betrokken. De verdachte is daarbij telkens een stapje verder gegaan door na het uitvaardigen van een nationaal arrestatiebevel, ook de stap te nemen om [slachtoffer 1] internationaal te laten signaleren, waardoor hij door de Nederlandse politie aangehouden is. In het internationale rechtshulpverkeer moet worden uitgegaan van het vertrouwensbeginsel: als een ander land Nederland vraagt om iemand aan te houden mag en moet Nederland er vanuit gaan dat zo’n verzoek op goede gronden wordt gedaan. Nederland hoeft immers niet de bewijzen te toetsen die er in het verzoekende land zijn. Omgekeerd geldt precies hetzelfde. Door daarvan op een dergelijke manier misbruik te maken, heeft de verdachte de internationale betrekkingen tussen Nederland en Irak op het spel gezet. De rechtbank weegt dit alles ten nadele van de verdachte mee.

De persoon van de verdachte

De verdachte heeft op geen enkel moment spijt betuigd en uit niets is gebleken dat hij heeft getracht om het thans nog bestaande arrestatiebevel in Irak te laten annuleren. De verdachte heeft consequent ontkend, niet alleen met betrekking tot zijn rol bij het uitvaardigen van de arrestatiebevelen, maar ook over zijn rechterschap.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 januari 2018. Hieruit komt naar voren dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Door de verdediging is naar voren gebracht dat de verdachte nog altijd de gevolgen ondervindt van een detentie eind jaren tachtig onder het regime van Saddam Hoessein. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit voor de verdachte moeilijk moet zijn geweest, ziet zij - gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan - niet in op welke wijze zij hiermee rekening zou kunnen en moeten houden bij de bepaling van de straf.

Gevangenisstraf

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen enkele andere straf dan vrijheidsbeneming volstaat. De eis van de officieren van justitie van een gevangenisstraf van zes jaren acht de rechtbank de enige passende en geboden straf. De rechtbank komt weliswaar niet tot volledige bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten - terwijl de officier van justitie hier wel van uit is gegaan - maar dit betreft technische vrijspraken op onderdelen.

Overschrijding van de redelijke termijn

Het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte heeft meerdere jaren geduurd. De verdachte nam voor het eerst kennis van het tegen hem lopende onderzoek toen zijn woning werd doorzocht op 2 december 2013. Op 9 december 2013 is hij op uitnodiging van de politie gehoord, maar hij is daarbij niet aangehouden. Op 15 april 2015 is door de officier van justitie een concept-tenlastelegging verstrekt aan de verdediging. Deze concept-tenlastelegging was volgens de officier van justitie slechts bedoeld ter bepaling van het bereik van het verhoor van een getuige door de rechter-commissaris. De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de verdachte hieraan in redelijkheid nog geen verwachting kon ontlenen dat hij vervolgd zou worden. De rechtbank komt evenwel tot een ander oordeel. Hoewel door de officier van justitie bij het verstrekken van de concept-tenlastelegging een duidelijk voorbehoud is gemaakt, is een dergelijke concept-tenlastelegging een dusdanig concretisering van de verdenking dat de verdachte op dat moment in redelijkheid kon verwachten dat hij zou worden vervolgd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de termijn voor de berechting op 15 april 2015 is gaan lopen en dat de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg aldus met negen maanden is overschreden. De rechtbank zal dit compenseren met een aftrek van de gevangenisstraf van zes maanden.

Bevel gevangenneming

De rechtbank zal tot slot de gevangenneming van de verdachte bevelen. Dit bevel zal apart worden geminuteerd met daarbij een motivering.

8 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

Inleiding

[slachtoffer 1], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 6.859,86. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 350,00 ter zake van materiële schade, een bedrag van € 6.500,00 ter zake van immateriële schade en een bedrag van € 9,86 voor reis- en parkeerkosten ten behoeve van het opstellen van de vordering.

8.2

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.859,86.

Voorts hebben de officieren van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het verzoek om integrale vrijspraak.

Subsidiair heeft de verdediging gezocht om slechts gedeeltelijke toewijzing van de immateriële schade. Gelet op de door de verdediging genoemde vergelijkbare zaken meent de verdediging dat een bedrag van maximaal € 1.200,00 aan immateriële schade passend is. Ten aanzien van de materiële kosten heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat - ondanks dat een onderbouwing ontbreekt - het aannemelijk is dat de benadeelde deze kosten heeft gemaakt en dus niet betwist.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, namens de verdachte niet is betwist en derhalve voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 primair en 3 primair eerste en tweede cumulatief, bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag ter zake van gemaakte kosten voor juridische bijstand van € 350,00 toewijzen.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 1.200,00 toewijzen en de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen. De rechtbank wil de gevolgen voor [slachtoffer 1] niet bagatelliseren, maar kan deze niet vergelijken met de gevolgen voor het slachtoffer in de ter onderbouwing van de geleden immateriële schade aangehaalde zaak. De schade die een moeder lijdt als gevolg van de vermissing gedurende een jaar van haar drie minderjarige kinderen is van een andere orde dan de door [slachtoffer 1] geleden schade, die in de betreffende periode contact kon onderhouden met zijn (meerderjarige) familieleden.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.550,00

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen. Voor de materiële schade is komen vast te staan dat de schade met ingang van 2 april 2012, de dag dat de machtiging is ondertekend, is ontstaan. Voor de immateriële schade is komen te staan dat deze met ingang van 19 februari 2012 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op € 9,86 aan reis- en parkeerkosten, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 primair en 3 primair eerste en tweede cumulatief bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.550,00, vermeerderd met de wettelijke rente wat de materiële schade betreft vanaf 2 april 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan en wat de immateriële schade betreft vanaf 19 februari 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 44, 47, 57, 225, 282, 282a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid doen beroven, terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

ten aanzien van feit 2 primair:

doen plegen van gijzeling, terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

ten aanzien van feit 3 primair, eerste en tweede cumulatief:

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, doen opmaken, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

en

opzettelijk gebruik maken en doen maken van een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middelen geschonken door zijn ambt als rechter bij het Iraakse Hoge Strafhof (Iraqi High Tribunal);

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 66 (ZESENZESTIG) MAANDEN;

beveelt de gevangenneming van de verdachte (apart geminuteerd);

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 1.550,00, bestaande uit € 1.200,00 aan immateriële schade en € 350,00 aan materiele schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over de immateriële schade vanaf 19 februari 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan en over de materiele schade vanaf 2 april 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 9,86, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.550,00, vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade vanaf 2 april 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan en over de immateriële schade vanaf

19 februari 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.T. Renckens, voorzitter,

mr. E.J. van As, rechter,

mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Ekkart en mr. M. Sepmeijer-Kovacevic, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer 26DLR12131, van de Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Recherche Team Internationale Misdrijven, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 1058).

2 Proces-verbaal chronologie onderzoeksbevindingen rondom Irakees arrestatiebevel, blz. 444.

3 Proces-verbaal chronologie onderzoeksbevindingen rondom Irakees arrestatiebevel, blz. 445.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], blz. 770 tot en met 773.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] met bijlagen, blz. 774 tot en met 800.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] met bijlagen, blz. 801 tot en met 821.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , blz. 771 en 772.

8 Proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris van 3 februari 2016, onder punt 24.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], blz. 772.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], blz. 772.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], blz. 777.

12 Proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris van 3 februari 2016, onder punt 31.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], blz. 778.

14 Proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 1], blz. 778.

15 Proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris van 3 februari 2016, onder punt 33 en 34.

16 Proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris van 3 februari 2016, onder punt 49.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], blz. 778 en 779.

18 Proces-verbaal onderzoek rechterschap Arabische open bronnen, blz. 453 en 454 en de bijlagen blz. 456 tot en met 458.

19 Proces-verbaal onderzoek rechterschap Arabische open bronnen, blz. 454, 458 en 459.

20 Proces-verbaal onderzoek rechterschap Arabische open bronnen, blz. 454, 460 en 460 (dubbel genummerd).

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 320.

22 Proces-verbaal onderzoek rechterschap Arabische open bronnen, blz. 455.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 325.

24 Proces-verbaal van bevindingen inzake verhoor [betrokkene 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 940 tot en met 971.

25 Onderzoek Durian, proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [betrokkene 7], ongenummerd.

26 Proces-verbaal van bevindingen inzake verhoor [betrokkene 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 951.

27 Proces-verbaal van bevindingen inzake verhoor [betrokkene 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 958.

28 Proces-verbaal in het onderzoek Durian van 9 oktober 2015, ongenummerd.

29 Een geschrift, te weten een weergave van het tapgesprek van 19 jun 2013, blz. 1023.

30 Proces-verbaal stemherkenning, blz. 308 tot en met 310.

31 Proces-verbaal van bevindingen verhoor getuige [betrokkene 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 954 en 955.

32 Proces-verbaal algemeen relaas/verloop opsporingsonderzoek Durian, blz. 33; een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, blz. 87 tot en met 89.

33 Proces-verbaal van bevindingen inzake verhoor [betrokkene 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 954.

34 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2], blz. 617.

35 Een geschrift, te weten een bericht van Interpol Bagdad van 15 mei 2011, opgesteld in de Engelse taal, blz. 392.

36 Een geschrift, te weten een arrestatiebevel op naam van [slachtoffer 1], opgesteld in de Arabische en Engelse taal, blz. 404.

37 Proces-verbaal van bevindingen over de persoonsgegevens in het arrestatiebevel van de officier van justitie van 9 oktober 2015.

38 Proces-verbaal van bevindingen inzake verhoor [betrokkene 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 955.

39 Proces-verbaal van bevindingen inzake verhoor [betrokken 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 950.

40 Proces-verbaal van bevindingen inzake verhoor [betrokkene 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 948.

41 Proces-verbaal van bevindingen inzake verhoor [betrokkene 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 947 en 952.

42 Een geschrift, te weten de annulering arrestatiebevel van 27 december 2010, opgesteld in de Arabische taal en de vertaling in de Nederlandse taal, blz. 484 en 485.

43 Een geschrift, te weten de bekendmaking van een arrestatiebevel, opgesteld in de Arabische taal en vertaling in de Nederlandse taal, blz. 534 en 536.

44 Een geschrift, te weten de overeenkomst van 22 december 2010, opgesteld in de Arabische taal en de vertaling in de Nederlandse taal, blz. 494 en 495.

45 Proces-verbaal van vergelijking handtekening [verdachte], blz. 586 en 588.

46 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 4], blz. 925.

47 Proces-verbaal van bevindingen weigering afleggen getuigenverklaring [betrokkene 4], blz. 926.

48 Een geschrift, te weten de annulering arrestatiebevel van 27 december 2010, opgesteld in de Arabische taal en de vertaling in de Nederlandse taal, blz. 484 en 485.

49 Een geschrift, te weten een uitgewerkt telefoongesprek van 26 mei 2013, blz. 613.

50 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3], blz. 624.

51 Proces-verbaal algemeen relaas/verloop opsporingsonderzoek Durian, blz. 33 en een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, blz. 34.

52 Proces-verbaal bevindingen tijdens een doorzoeking in de woning [adres], blz. 93 en 94.

53 Een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek van 23 mei 2013, blz. 1028 tot en met 1031.

54 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 743 tot en met 745; een geschrift, te weten een overzicht reisbewegingen van de verdachte, blz. 746.

55 Proces-verbaal van bevindingen van de officier van justitie van 9 oktober 2015.

56 Een geschrift, te weten een naturalisatie dossier betreffende [slachtoffer 1], blz. 824 tot en met 893.

57 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 904 en 905.

58 Proces-verbaal van bevindingen inzake verhoor [betrokkene 7] in de Verenigde Staten van Amerika, blz. 948.

59 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 618.

60 Een geschrift, te weten de annulering arrestatiebevel van 27 december 2010, opgesteld in de Arabische taal en de vertaling in de Nederlandse taal, blz. 484 en 485.

61 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], blz. 773.

62 Proces-verbaal effect arrestatiebevel en OPV signalering, blz. 433.

63 Een geschrift, te weten een brief gedateerd 23 april 2017 van afzender Interpol Bagdad aan geadresseerde IP The Hague.