Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13505

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2961
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/2961

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.A. van de Weerd),

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder

(gemachtigde: mr. V.P. Valten).

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw):

- over de maanden maart en september 2012, januari, april en juli 2013, maart, april, augustus en oktober 2014, maart, april, juli en oktober 2015, januari, maart juli, november en december 2016, januari en maart 2017 herzien; en

- het recht over de maanden juni en november 2011, september 2013, november 2014, februari, mei, september en november 2015, april, juni, augustus en september 2016 en februari 2017 ingetrokken.

Voorts heeft verweerder van eiseres een bedrag van € 23.722,36 bruto alsmede bedragen van € 1.222,41 en € 53,- netto aan algemene en bijzondere bijstand teruggevorderd.

Bij besluit van 9 november 2017, gewijzigd bij besluit van 29 november 2017, heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 8.200,-.

Bij besluit van 16 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de boete heeft verweerder gegrond verklaard en daarbij de opgelegde boete verlaagd tot een bedrag van € 5.466,67.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontving van 7 januari 2011 tot en met 27 september 2017 bijstand van verweerder. In het kader van een onderzoek naar de woonsituatie van eiseres heeft verweerder bankafschriften van haar opgevraagd en op 25 april 2017 ontvangen. De consulent heeft vervolgens geconstateerd dat eiseres in de periode van 2011 tot en met april 2017 bedragen op haar ING bankrekening met nummer [nummer] heeft ontvangen van en heeft betaald aan [X] . Ook hebben er geregeld contante stortingen op eigen rekening plaatsgevonden. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan nader onderzoek ingesteld. De resultaten van dat onderzoek hebben ertoe geleid dat verweerder het recht van eiseres op bijstand over de periode van juni 2011 tot en met maart 2017 gedeeltelijk heeft herzien en ingetrokken en de ten onrechte verstrekte bijstand heeft teruggevorderd. Daarnaast heeft verweerder eiseres een boete opgelegd, die in bezwaar – rekening houdend met een verminderde draagkracht – is verlaagd tot een bedrag van € 5.466,67.
2. Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat in de periode van januari 2011 tot en met maart 2017 op de ING bankrekening van eiseres diverse transacties hebben plaatsgevonden, die eiseres niet heeft gemeld. De stortingen op de bankrekening van eiseres zijn volgens verweerder te beschouwen als in aanmerking te nemen middelen. Door deze transacties niet te melden heeft eiseres volgens verweerder de inlichtingenplicht geschonden, als gevolg waarvan in de betreffende maanden te veel dan wel ten onrechte bijstand is verleend.
3. Eiseres voert aan dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden en dat de stortingen op haar bankrekening ten onrechte als inkomsten zijn aangemerkt. Eiseres stelt in dit verband dat de gestorte bedragen leningen van familie betreffen en heeft ter onderbouwing daarvan in bezwaar verklaringen overgelegd van familieleden. Ter zitting heeft eiseres aanvullend betoogd dat de stortingen geen periodiek en terugkerend karakter hebben en derhalve ten onrechte als inkomsten zijn aangemerkt.

Eiseres kan zich evenmin verenigen met de opgelegde boete en voert daartoe aan dat zij niet te veel bijstand heeft ontvangen, omdat de stortingen op haar rekening leningen betroffen.

Zij heeft vanwege een slordige administratie en vanwege het feit dat zij niet bewust was dat de mutaties op haar bankrekening van invloed waren op haar uitkering, de verschillende leningen van familieleden niet aan verweerder gemeld. Het ging hierbij grotendeels om kleine bedragen, die vaak dezelfde dag nog werden terugbetaald. Eiseres stelt dat zij niet vrijelijk over deze bedragen kon beschikken en deze daarom ook niet kon gebruiken voor de algemene bestaanskosten. Van een benadelingsbedrag is derhalve geen sprake. Eiseres stelt primair dat de boete op nihil dient te worden vastgesteld en subsidiair dat deze dient te worden verlaagd, rekening houdend met een verminderde verwijtbaarheid.

De herziening, intrekking en terugvordering van bijstand
4.1 Met ingang van 1 januari 2015 is de Pw de formele bevoegdheidsgrondslag voor het toekennen, herzien, intrekken en terugvorderen van bijstand. De rechten en verplichtingen moeten, omdat het bestreden besluit gedeeltelijk betrekking heeft op een periode gelegen vóór 1 januari 2015, worden beoordeeld naar de materiële wetgeving zoals die gold vóór en ná die datum, dus naar de bepalingen van zowel de Wet werk en bijstand (Wwb) als de Pw. De temporele werking doet aan de formele bevoegdheidsgrondslag voor de hier aan de orde zijnde intrekking en terugvordering van bijstand echter niet af. Dit betekent dat daarop de Pw van toepassing is. De rechtbank wijst daartoe op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952.

4.2

De rechtbank stelt – op basis van de rapportage van verweerder van 27 september 2017 – vast dat op de ING bankrekening van eiseres (met nr. [nummer]) in de van belang zijnde periode 46 contante stortingen hebben plaatsgevonden voor in totaal een bedrag van ruim € 29.000,-. Daarnaast zijn er 59 bijschrijvingen door natuurlijke personen geweest voor in totaal ruim € 10.000,-, waarvan in 2013 twee met de omschrijving "lening", en overboekingen naar natuurlijke personen, van wie voor het merendeel ook bedragen werden ontvangen, voor een totaalbedrag van € 6.176.

4.3

Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt een op iemands naam staande bankrekening de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel is van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De enkele stelling van eiseres dat zij niet vrijelijk kon beschikken over het gestorte geld, treft daarom geen doel. Voorts worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een ontvanger van bijstand in beginsel in aanmerking genomen als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw. Wanneer deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door belanghebbenden kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op de periode waarin bijstand is verstrekt, is bovendien sprake van inkomsten.

4.4

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de onderhavige stortingen en bijschrijvingen als periodiek en terugkerend en daarom als inkomsten, moeten worden gezien. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2570). Voor het periodieke karakter van bijschrijvingen in de hiervoor bedoelde zin is, anders dan eiseres lijkt te veronderstellen, niet vereist dat tussen de bijschrijvingen een vaste periode is gelegen of dat het om vaste bedragen gaat. In alle maanden van de perioden in geding hebben één of meer stortingen en/of bijschrijvingen op de bankrekening van eiseres plaatsgevonden, die zij vrijelijk kon aanwenden, en ook heeft aangewend, voor de voorziening in het bestaan.

De stelling dat het gestorte geld en de bijschrijvingen geldleningen zouden zijn, leidt voorts niet tot een ander oordeel. Nog afgezien van het gegeven dat geldleningen gelet op het bepaalde in artikel 31, tweede lid, van de Pw niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip, is het niet relevant of het om geldleningen gaat of niet, nu de periodieke betalingen op de bankrekening van eiseres als inkomsten dienen te worden aangemerkt, waarmee bij de vaststelling van het recht op bijstand rekening moet worden gehouden.

4.5

De stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van eiseres zijn onmiskenbaar relevant voor de vaststelling van (de hoogte van) het recht op bijstand. Eiseres had verweerder daarom ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb/Pw uit eigen beweging hiervan op de hoogte moeten stellen. Dit heeft zij niet gedaan en daarmee heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat eiseres, zoals zij ter zitting nog naar voren heeft gebracht, bij elke aanvraag om bijzondere bijstand al haar bankafschriften aan verweerder heeft laten zien, maakt dit niet anders, nu zij gehouden was tijdig en uit eigen beweging elke bijschrijving en storting op haar bankrekening aan verweerder te melden.

4.6

Eiseres heeft als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting in de te beoordelen periode ten onrechte dan wel te veel bijstand ontvangen. Verweerder was daarom ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden het recht op bijstand over de betreffende maanden in te trekken dan wel te herzien.
4.7 Verweerder was ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw ook gehouden de ten onrechte verstrekte bijstand van eiseres terug te vorderen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder de hoogte van het teruggevorderde bedrag onjuist heeft berekend. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan verweerder in het geval van eiseres geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
De boete
4.8 De rechtbank stelt vast dat de schending van de inlichtingenverplichting een aanvang heeft genomen in 2011 en heeft voortgeduurd tot ná 1 januari 2013. Gelet op het geldende overgangsrecht is op dit beroep het boeteregime van toepassing zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2013. Omdat de schending van de inlichtingenverplichting nog ná 1 januari 2017 heeft doorgelopen zijn mede de bepalingen van de Pw van toepassing, wat tevens meebrengt dat de boete mede moet worden getoetst aan het Boetebesluit socialeverzekeringswetten, zoals dat luidt sinds 1 januari 2017.

4.9

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de Pw legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

4.10

Ingevolge artikel 18a, tweede lid, van de Pw wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijke nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

4.11

Ingevolge artikel 18a, zevende lid, van de Pw kan het college de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid of afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.12

De rechtbank stelt vast dat verweerder genoegzaam heeft aangetoond dat eiseres in de te beoordelen periode verweerder niet op de hoogte heeft gesteld van de bij- en afschrijvingen en contante stortingen op haar ING bankrekening. Zij heeft daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor zij in de van belang zijnde periode ten onrechte dan wel te veel bijstand heeft ontvangen. Dit heeft, anders dan eiseres heeft gesteld, tot een benadelingsbedrag geleid. Het moet eiseres redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de gestorte, bij- of afgeschreven bedragen van invloed konden zijn op de hoogte van haar recht op bijstand. Eiseres valt van de schending van de inlichtingenverplichting zowel in objectieve als in subjectieve zin een verwijt te maken.

4.13

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder voor de beoordeling van de mate van de verwijtbaarheid als uitgangspunt heeft genomen dat er sprake is van gewone verwijtbaarheid, maar niet van grove schuld of opzet. De rechtbank volgt verweerder hierin en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Het uitgangspunt is dat eiseres alles wat redelijkerwijs van belang kan zijn voor haar recht op bijstand dient te melden. Dat heeft zij niet gedaan, terwijl het haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de hiervoor genoemde stortingen gelet op hun omvang en frequentie van invloed konden zijn op haar recht op bijstand.

4.14

Gelet op het voorgaande is een boete van € 5.466,67 evenredig, passend en geboden.

Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.