Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13447

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
C/09/546588 / HA ZA 18-88
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1887, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Aansprakelijkheid van de Staat als wegbeheerder wegens het tijdelijk ontbreken van roosters tussen twee brugdelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0975
VR 2019/17
JA 2019/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/546588 / HA ZA 18-88

Vonnis van 14 november 2018

in de zaak van

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. J. Schep te Amersfoort,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat)

gezeteld te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Hu te Utrecht.

Partijen zullen hierna Achmea en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 januari 2018;

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van Achmea;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 28 maart 2018 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 26 juli 2018, en de daarin genoemde

stukken;

  • -

    de akte overlegging producties van Achmea van 29 augustus 2018;

  • -

    de antwoord-akte van de Staat van 26 september 2018.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na ontvangst van het proces-verbaal te reageren op eventuele feitelijke onjuistheden. De Staat heeft bij fax van 7 augustus 2018 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Deze fax is aan het proces-verbaal gehecht en maakt deel uit van de gedingstukken.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 25 november 2005 heeft om 20.15 uur een fataal ongeval plaatsgevonden op de Rijksweg A27 ter hoogte van hectometerpaal 64.4 rechts. Daarbij is de heer [A] (hierna: [A]) overleden. Het wegdeel waarop het ongeval plaatsvond betreft het deel van de A27 dat over een tweedelige brug loopt van 15,2 meter hoog boven de rivier de Lek (hierna te noemen: de brug). [A] is, zoals onder 2.5 nader wordt beschreven, bij het oversteken van het ene brugdeel naar het andere brugdeel tussen de brugdelen door in de Lek gevallen en daarbij overleden.

2.2.

Normaal gesproken liggen er roosters tussen de twee brugdelen. Langs de brugdelen staan geleiderails, zowel aan de buitenzijde van het brugdeel als aan de binnenzijde (de ‘roosterzijde’) van het brugdeel. Ten tijde van het ongeval werden er onderhoudswerkzaamheden aan de brug uitgevoerd. Op de brug gold een snelheidsbeperking in verband met deze onderhoudswerkzaamheden van 70 km per uur. In verband met deze onderhoudswerkzaamheden waren de roosters tussen de brugdelen weggehaald. Er was een veiligheidsleuning van één meter hoogte (gemeten vanaf de rijweg) geplaatst en er waren oversteekplaatsen aangebracht. Indien men de geleiderails volgde, werd men naar de oversteekplaatsen geleid. Er stonden geen waarschuwingsborden dat de roosters weg waren.

2.3.

Op onderstaande foto’s (productie 2 bij de conclusie van antwoord) is het open bruggedeelte zichtbaar, alsmede de geleiderail en de veiligheidsleuning.

2.4.

Ten tijde van het ongeval was het donker en het had gesneeuwd en gehageld.

2.5.

In het proces verbaal van ongeval van 25 november 2005 is de toedracht van het ongeval als volgt beschreven:

“De bestuurder van de trekker met lege oplegger (14.1), merk Volvo, voorzien van het kenteken [nummer], reed over de rechter rijstrook van Rijksweg A27, gelegen in de gemeente Vianen, komende uit de richting Breda, gaande in de richting Utrecht. Deze bestuurder reed met een snelheid van ongeveer 75 km per uur. Het had erg gesneeuwd en de sneeuw bleef op het wegdek liggen. De bestuurder reed de brug over de Lek op en plotseling begon de combinatie naar links te trekken. Dit kwam vermoedelijk doordat de rijbaan ontzettend glad was door vastgereden sneeuw die bevroren was. De bestuurder kreeg zijn voertuig niet meer onder controle. Hij botste met de combinatie tegen de middenvangrail en kwam ongeveer 100 meter verder, midden op de brug tot stilstand. De trekker hing door de vangrail tussen de twee brugdelen in en de oplegger stond dwars op de rijbaan. De bestuurder had alleen een lichte hoofdwond en kon ter plaatse worden behandeld. Direct na het ongeval stopte ter plaatse op de andere rijbaan een busje met daarin twee personen. Deze wilde hulp verlenen. De bestuurder van de bus wilde van de ene brughelft naar de andere brughelft. Door tragische omstandigheden is deze bestuurder in het gat gevallen tussen deze twee brugdelen en in het water terechtgekomen en wordt nog steeds vermist.”

2.6.

De bestuurder van het busje die in het proces-verbaal wordt genoemd is de hiervoor onder 2.1 genoemde [A]. [A] is weken na het ongeval dood in de rivier aangetroffen.

2.7.

Als getuige is de werknemer en mede-inzittende van de bestuurder van het busje gehoord, de heer [B] (hierna: [B]). In het proces-verbaal verhoor getuige van 28 november 2005 is -voor zover relevant- de volgende verklaring van [B] opgenomen:

“Vandaag, vrijdag 25 november 2005, ben ik aan het werk geweest in Amersfoort. Ik heb daar tot omstreeks 18.30 uur met mijn baas [A] gewerkt. Na het werk zijn wij direct richting huis in [plaats] gegaan. Het was erg druk op de weg door de weersomstandigheden.

Op de Lekbrug bij Vianen op de A27 zagen wij in tegengestelde richting een vrachtauto scharen. Dit was ongeveer 100 meter voor ons. Ik belde direct 112, dit was omstreeks

20.00

uur. Vervolgens zijn mijn baas en ik uit onze auto gestapt en wilde de vrachtwagenchauffeur helpen om uit het voertuig te komen. Ik had een hamer in m’n hand om een ruit in te slaan. Inmiddels waren er ook andere mensen bezig met hulpverleningen en zag ik dat de vrachtwagenchauffeur al uit zijn wagen was. Ik legde vervolgens mijn hamer terug in onze auto.

Ik draaide mij om en zag dat mijn baas weg was. Ik vroeg vervolgens aan andere mensen of iemand mijn baas had gezien. Toen zei iemand dat mijn baas over het hek van een middenvangrail van de Lekbrug was geklommen. Ik zag achter de vangrail een zwart gat. Toen besefte ik dat mijn baas in het water van de Lek was gevallen.

Mijn baas woont (…) in [plaats]. Mijn baas heeft een relatie met [C] (…). [A] en [C] hebben vier kinderen (…).”

2.8.

De nabestaanden van [A] hebben in 2007 de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden door het overlijden van [A]. Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat de Staat in zijn hoedanigheid van wegbeheerder onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door een gevaarlijke situatie in het leven te roepen en deze te laten voortbestaan. De Staat heeft iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.9.

De vrachtwagencombinatie was destijds op de voet van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij de onderlinge waarborgmaatschappij Avéro U.A.. Achmea is de rechtsopvolgster van Avéro. De nabestaanden van [A] hebben Achmea aansprakelijk gesteld voor de door het ongeval veroorzaakte schade.

2.10.

Achmea heeft in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar uit hoofde van zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:198 Burgerlijk Wetboek (BW) de schade die de nabestaanden van [A] hebben geleden vergoed. Achmea heeft aan de gezamenlijke erven een bedrag van € 100.000 uitgekeerd, plus een bedrag van € 44.455,46 ten titel van buitengerechtelijke kosten. Dit is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst tussen Achmea enerzijds en de nabestaanden van [A] anderzijds, gesloten en ondertekend op 31 januari 2013. In deze overeenkomst is, voor zover thans van belang, het volgende neergelegd:

“dat [A] (…) op 25 november 2005 is overleden, terwijl hij hulp verleende aan de bestuurder van een vrachtwagen, die rijdend op de A 27 ter hoogte van hectometerpaal 64.4 was geslipt en tegen de tussen de rijbanen van de autosnelweg aangebrachte vangrail tot stilstand was gekomen;

dat de betrokken vrachtwagen bij Achmea op de voet van de WAM was verzekerd in verband met de burgerrechtelijke aansprakelijkheid die het gebruik van het voertuig in het verkeer kan meebrengen;

dat de benadeelden de kinderen van genoemde [A] zijn;

dat de benadeelden de wegbeheerder zijnde De Staat Der Nederlanden (Rijkswaterstaat) als ook Achmea en haar verzekerde rechtstreeks aansprakelijk hebben gesteld voor de als gevolg van het ongeval door hen geleden en te lijden schade;

dat Achmea zich bereid verklaard heeft op basis van de zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:200 lid 1BW de door het ongeval veroorzaakte schade voor haar rekening te nemen op voorwaarde dat het recht van verhaal op Rijkswaterstaat of althans op degene die voor de veroorzaking van het ongeval geheel of gedeeltelijk verantwoordelijk kan worden gehouden aan Achmea wordt overgedragen (…);

Artikel I

De omvang van de door de benadeelden als gevolg van het in deze overeenkomst genoemde ongeval geleden en te lijden schade, hoe ook genoemd, met uitsluiting van de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, wordt vastgesteld op het bedrag van € 100.000 voor de benadeelden gezamenlijk, te betalen bij wijze van uitkering ineens.

Artikel IV

De gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, die aan de zijde van de benadeelden in verband met de vaststelling en het verhaal van de schade zijn gemaakt, stellen partijen op het bedrag van € 44.455,46, waarvan € 6.000 zijnde de kosten van de berekening door NRL en € 38.455,46 ten titel van kosten van rechtsbijstand door de raadsman van de benadeelden. Achmea verplicht zich het genoemde bedrag onder aftrek van het tot heden door Achmea bij wijze van voorschot op deze schade betaalde bedrag te weten

€ 11.955,46, zijnde een slotuitkering van € 32.500 binnen 14 dagen na de ontvangst door Achmea van de door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst aan de benadeelden uit te betalen (…).

Artikel V

De benadeelden en Achmea zijn van oordeel, dat het ongeval veroorzaakt is doordat de weg of althans het viaduct, waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, gebrekkig was of althans niet voldeed aan de eisen die gelet op artikel 6:174 BW aan de weg in de gegeven omstandigheden gesteld mogen worden en dat de wegbeheerder of althans de aannemer, die ten tijde van het ongeval in opdracht van de wegbeheerder onderhoudswerkzaamheden aan de weg of althans aan de brug waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, uitvoerde, aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.

De benadeelden dragen tegen ontvangst van de bovengenoemde schadevergoeding onvoorwaardelijk hun rechten op de wegbeheerder of althans op degene die voor het ongeval aansprakelijk kan worden gehouden over aan Achmea, die deze rechten onverkort en zonder ruggespraak met benadeelden kan uitoefenen, waarvan hun recht op een vergoeding van immateriële schade als gevolg van het overlijden van hun vader is uitgezonderd. (…).”

3 Het geschil

3.1.

Achmea vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 144.455,46, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2013 en met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten, met bepaling dat over de proceskosten en de nakosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van 14 dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis.

3.2.

Achmea legt hieraan het volgende ten grondslag. Het handelen van [A] is te beschouwen als een vorm van vrijwillige zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:198 BW. [A] en [B] zagen dat de vrachtwagencombinatie aan de overkant van de weg in een slip raakte en op de middenvangrail tot stilstand kwam. Zij zagen dat de bestuurder van de vrachtwagencombinatie daardoor in gevaar kwam te verkeren en hulp nodig had, die [A] heeft trachten te bieden. Op grond van artikel 6:200 lid 1 BW is de belanghebbende (in dit geval de bestuurder van de vrachtwagencombinatie) verplicht de schade te vergoeden die de zaakwaarnemer bij de uitoefening van de zaakwaarneming heeft geleden. Voor de aansprakelijkheid uit zaakwaarneming bestaat dekking onder de WAM-polis van de bestuurder van de vrachtwagencombinatie. Op deze grond heeft Achmea de schade die het overlijden van [A] meebracht aan diens erfgenamen vergoed, aldus Achmea.

Op grond van de vaststellingsovereenkomst van 31 januari 2013 zijn de aanspraken van de erfgenamen van [A] jegens de Staat aan Achmea gecedeerd. Achmea stelt zich op het standpunt dat de Staat in zijn hoedanigheid van wegbeheerder jegens [A] onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. Zij legt daaraan ten grondslag dat de roosters tussen beide brugdelen in verband met de onderhoudswerkzaamheden aan de brug tijdelijk waren verwijderd, hetgeen een gevaarlijke situatie opleverde. Voor deze gevaarlijke situatie was niet gewaarschuwd, terwijl er evenmin een afdoende beveiliging was aangebracht zoals een hoog hekwerk, dat de val van [A] had kunnen voorkomen. Achmea stelt zich op het standpunt dat gelet hierop in het licht van de zogeheten ‘kelderluikcriteria’ de weg niet voldeed aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld en dus gebrekkig was als bedoeld in artikel 6:174 BW. De Staat is gelet daarop gehouden de door de nabestaanden van [A] geleden schade te vergoeden, aldus Achmea.

3.3.

De Staat voert verweer. De Staat stelt primair dat Achmea niet ontvankelijk in haar vorderingen dient te worden verklaard. Daartoe voert de Staat in de eerste plaats aan dat sprake is van een ongeldige cessie. Achmea heeft namelijk niet bewezen dat de uitkering van de schadevergoeding aan de nabestaanden van [A] heeft plaatsgevonden na 31 januari 2013, zijnde de dag waarop de cessie-overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Dit geldt in ieder geval voor dat deel van de schadevergoeding dat al voor 31 januari 2013 door Achmea is voldaan aan de nabestaanden van [A], te weten het voorschot van € 11.955,46 op de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten.

In de tweede plaats voert de Staat ter onderbouwing van zijn stelling dat Achmea niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aan dat er geen rechtsgrond was voor de betaling door Achmea aan de nabestaanden van [A], aangezien er volgens de Staat geen sprake was van zaakwaarneming.

Subsidiair stelt de Staat dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW omdat er, kort gezegd, geen sprake is geweest van een gebrek aan de openbare weg dat de Staat heeft laten bestaan of voortduren en er tevens geen sprake is van schending van enige zorgplicht van de wegbeheerder. Volgens de Staat is niet voldaan aan de ‘kelderluikcriteria’.

Verder heeft de Staat zich beroepen op eigen schuld aan de zijde van [A].

Daarnaast heeft de Staat de hoogte van de gevorderde schadevergoeding, inclusief de buitengerechtelijke kosten, betwist.

Tot slot heeft de Staat zich op het standpunt gesteld dat de interne schuldverdeling tussen Achmea en de Staat in het licht van de artikelen 6:102 BW en 6:10 BW aldus dient te worden vastgesteld dat Achmea jegens de Staat is gehouden om de schadevergoeding primair voor 100%, subsidiair voor minimaal 50% voor haar rekening te nemen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Geen rechtsgeldige cessie?

4.1.

De Staat stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie, omdat Achmea niet heeft bewezen dat de uitkering aan de nabestaanden van [A] heeft plaatsgevonden na 31 januari 2013, zijnde de datum van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst waarbij de vorderingen van de nabestaanden van [A] op de Staat aan Achmea zijn overgedragen. Dat geldt in ieder geval voor het door de Staat betaalde voorschot van € 11.955,46 op de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. Gelet hierop is Achmea volgens de Staat niet vorderingsgerechtigd jegens hem en moet Achmea niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Achmea heeft een schermafdruk overgelegd waaruit blijkt dat de betaalopdracht voor betaling van een bedrag van € 100.000 aan [D] met als omschrijving ‘ongeval 25 november 2005’ op 25 februari 2013 is gegeven. Verder heeft Achmea een schermafdruk overgelegd waaruit blijkt dat op 25 februari 2013 een betaalopdracht is gegeven voor betaling van een bedrag van € 32.500 aan [Advocatenkantoor], met als omschrijving ‘[…].’ Verder heeft Achmea een e-mailbericht overgelegd van 16 augustus 2018 van mr. J.Roth, advocaat te Amersfoort, die destijds de belangenbehartiger van de nabestaanden van [A] was, met daarbij gevoegd diens e-mail van 15 augustus 2018. Hieruit blijkt dat zowel de hoofdsom als de vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten van € 32.500 op of omstreeks 14 maart 2013 zijn ontvangen. Verder blijkt uit de door Achmea overgelegde e-mail van [C] dat zij op 11 maart 2013 het bedrag van € 100.000 nog niet had ontvangen.

4.3.

De rechtbank is, anders dan de Staat, van oordeel dat gelet op het voorgaande is bewezen dat de hoofdsom van € 100.000 en het bedrag aan buitengerechtelijke kosten van

€ 32.500 door Achmea zijn voldaan (ruim) nadat de betreffende vorderingen aan Achmea waren overgedragen, zodat ten aanzien van deze bedragen sprake is van een rechtsgeldige cessie.

4.4.

Ten aanzien van het betaalde voorschot op de buitengerechtelijke kosten van

€ 11.955,46 staat vast dat dit voorafgaand aan 31 januari 2013 is uitbetaald. De rechtbank is van oordeel dat ook ter zake van dit deel van de vordering sprake is van een rechtsgeldige cessie. Het feit dat Achmea dit bedrag heeft betaald voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst maakt, gelet op het karakter van een voorschotbetaling, niet dat de vordering van de nabestaanden van [A] op de Staat in zoverre teniet is gegaan. De rechtbank concludeert dat Achmea ook ter zake van het bedrag van € 11.955,46 vorderingsgerechtigd is.

Zaakwaarneming?

4.5.

De Staat heeft zich in de tweede plaats op het standpunt gesteld dat Achmea

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat er volgens de Staat geen rechtsgrond was voor de betaling door Achmea aan de nabestaanden van [A], aangezien er volgens de Staat geen sprake was van zaakwaarneming.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat de vraag of sprake was van zaakwaarneming in het kader van deze procedure buiten beschouwing kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De vordering van Achmea op de Staat is gebaseerd op de aan Achmea bij de vaststellingsovereenkomst van 31 januari 2013 aan haar overgedragen (gestelde) vordering van de nabestaanden van [A] op de Staat uit hoofde van aansprakelijkheid van de Staat jegens [A] als wegbeheerder. De Staat kan alle verweren die hij had jegens de oorspronkelijke schuldeisers, zijnde de nabestaanden van [A], inroepen tegen Achmea. In de relatie tussen de Staat en de oorspronkelijke schuldeisers speelt de zaakwaarnemingsdiscussie echter geen rol. Het zaakwaarnemingsverweer vloeit immers niet voort uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering.

4.7.

Verder is er, anders dan de Staat kennelijk beoogt te betogen, geen sprake van dat de vordering van de nabestaanden van [A] niet rechtsgeldig aan Achmea zou zijn overgedragen. Aan de cessie ligt de vaststellingsovereenkomst van 31 januari 2013 ten grondslag. In die vaststellingsovereenkomst heeft Achmea zich verbonden om uit hoofde van zaakwaarneming als bedoeld in de artikelen 6:198 en 6:200 lid 1 BW de door het ongeval veroorzaakte schade voor haar rekening te nemen, op voorwaarde dat het recht van verhaal op Rijkswaterstaat aan Achmea wordt overgedragen. Zelfs als de stelling van de Staat juist zou zijn en er geen sprake is van zaakwaarneming, en Achmea dus onverplicht de schade voor haar rekening zou hebben genomen, brengt dat niet mee dat de overdracht van de vordering niet rechtsgeldig is.

Onrechtmatige daad/ gebrekkige weg/gevaarzetting

4.8.

Achmea heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Staat in zijn hoedanigheid van wegbeheerder jegens [A] onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. De onrechtmatigheid bestaat eruit, dat de roosters tussen beide brugdelen in verband met de onderhoudswerkzaamheden aan de brug tijdelijk waren verwijderd, hetgeen een gevaarlijke situatie opleverde, waarvoor niet was gewaarschuwd, terwijl er evenmin een afdoende beveiliging was aangebracht zoals een hoog hekwerk, dat de val van [A] had kunnen voorkomen. Achmea stelt zich op het standpunt dat gelet hierop in het licht van de ‘kelderluikcriteria’ de weg niet voldeed aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld en dus gebrekkig was als bedoeld in artikel 6:174 BW. De Staat betwist dit.

4.9.

Voor de aansprakelijkheid van de wegbeheerder geldt het volgende toetsingskader (zie recent HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283). Op de wegbeheerder rust de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (vgl. onder meer het nog onder het oude recht gewezen HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547 Bussluis)). Deze verplichting is in artikel 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155 (Wilnis), r.o. 4.4.3 (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 (Reaal/Deventer)). Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (het arrest Wilnis, r.o. 4.4.4). Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013/366 (Martina/Curaçao)). De aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van art. 6:174 BW betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge artikel 6:174 lid 6 BW mede zijn te verstaan het weglichaam en de weguitrusting. Die aansprakelijkheid is beperkt tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg.

4.10.

De wegbeheerder kan daarnaast, mede uit hoofde van zijn algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers, aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 BW. Ter zake zal de wegbeheerder dan het verwijt moeten kunnen worden gemaakt dat hij in de nakoming van deze plicht is tekortgeschoten. Ook dan moet worden getoetst of is voldaan aan de genoemde ‘kelderluikcriteria’. De rechtbank verwijst naar het onder 4.9 genoemde arrest van 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283 en de conclusie van A-G Hartlief vóór dit arrest over de verhouding tussen de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW. In de lagere rechtspraak is aangenomen dat de maatstaven die gelden voor het bepalen van de aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW niet of nauwelijks verschillen.

4.11.

In dit geval geldt dat, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, artikel 6:174 BW niet van toepassing is, gelet op artikel 6:197 leden 2 en 3 BW.

4.12.

Nu artikel 6:174 BW niet van toepassing is, kan in het midden blijven of de roosters al dan niet behoorden tot de weg, het weglichaam of de weguitrusting (hetgeen Achmea bepleit heeft en de Staat heeft betwist). De rechtbank zal beoordelen of de Staat als wegbeheerder uit hoofde van de op hem rustende algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW en daarbij toetsen aan de kelderluikcriteria. Daarbij is met name van belang in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid door de weggebruikers waarschijnlijk is, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is. De wegbeheerder dient er rekening mee te houden dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de benodigde oplettendheid en voorzichtigheid zullen betrachten. Tegelijkertijd wordt zijn zorgplicht mede bepaald door de in het algemeen van de weggebruiker te vergen voorzichtigheid.

4.13.

De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangebrachte veiligheidsleuning en oversteekplaatsen een afdoende beveiliging vormen tegen het ontbreken van de roosters. Deze oplossing voldoet volgens de Staat ook aan de ter zake geldende normen. Indien een weggebruiker de veiligheidsleuning volgt, wordt deze vanzelf naar een oversteekplaats geleid, waar hij veilig kan oversteken. Overigens is de kans dat een weggebruiker te voet naar de andere kant van de brug oversteekt volgens de Staat niet groot.

De Staat hoefde er naar zijn mening geen rekening mee te houden dat een weggebruiker over de veiligheidsleuning zou klimmen. Bij onzorgvuldigheid of onoplettendheid die ver beneden de normale lijn der verwachtingen ligt is er geen waarschuwingsplicht, aldus de Staat.

4.14.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat roosters tussen de twee brugdelen van een tweedelige brug als de onderhavige verplicht zijn. De rechtbank is met Achmea van oordeel dat uit het feit dat roosters tussen twee los van elkaar liggende brugdelen verplicht zijn, kan worden afgeleid dat de regelgever rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat er voetgangers over de brug lopen en dat deze ook van het ene brugdeel naar het andere brugdeel oversteken. Ter zitting heeft de heer [X] toegelicht dat de tijdelijk aangebrachte oversteekplaatsen primair bedoeld zijn voor werklieden, maar dat zij ook dienen als vluchtroute. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat voorzienbaar was voor de Staat dat er voetgangers zouden kunnen oversteken van het ene brugdeel naar het andere.

4.15.

Met het weghalen van de roosters is voor deze overstekende voetgangers een gevaar in het leven geroepen dat zij tussen de brugdelen door in het water kunnen vallen. De vraag is of de aangebrachte veiligheidsleuning in combinatie met de oversteekplaatsen daartegen een afdoende bescherming biedt, hetgeen de Staat stelt en Achmea betwist. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.16.

Een val naar beneden tussen de brugdelen door in het 15,2 meter lager gelegen water is gelet op het hoogteverschil potentieel dodelijk. De door het ontbreken van de roosters ontstane open ruimte tussen de twee brugdelen vormt dus een gevaar waarvan de gevolgen buitengewoon ernstig kunnen zijn. Gelet op de ernst van de gevolgen acht de rechtbank een veiligheidsleuning van slechts één meter hoog die bovendien bestaat uit losse palen verbonden door een bovenpaal (zie de foto’s opgenomen onder 2.3) en waar dus vrij eenvoudig onderdoor gestapt of overheen geklommen kan worden onvoldoende als beveiligingsmaatregel tegen dit gevaar in een situatie als de onderhavige, waarin niet is gewaarschuwd voor het ontbreken van de roosters en een overstekende voetganger er dus niet op bedacht is of hoeft te zijn dat de veiligheidsroosters ontbreken en dat er dus sprake is van een open ruimte tussen de brugdelen. Dat geldt eens te meer in het donker. Dat de gekozen constructie van een veiligheidsleuning met oversteekplaatsen in lijn is met de ter zake geldende normen, zoals de Staat onweersproken heeft gesteld, maakt dit oordeel niet anders.

4.17.

Ten aanzien van het verweer van de Staat dat niet voorzienbaar was dat een voetganger over de veiligheidsleuning zou klimmen overweegt de rechtbank als volgt. In een situatie als deze, waarbij niet is gewaarschuwd dat de roosters tussen de brugdelen ontbreken en waarbij verder geldt dat niet is gesteld of gebleken dat op de brug was aangegeven dat indien men de veiligheidsleuning zou volgen, men bij een oversteekplaats zou uitkomen, acht de rechtbank het niet onvoorzienbaar dat een voetganger ondanks de veiligheidsleuning in geval van een calamiteit bij wijze van vluchtroute probeert over te steken naar de andere kant van de brug.

4.18.

De Staat heeft verder aangevoerd dat sprake is geweest van een zo verregaande onzorgvuldigheid en/of roekeloosheid van [A] door over de veiligheidsleuning te klimmen dat de Staat daarmee geen rekening heeft hoeven te houden bij het treffen van de veiligheidsmaatregelen. Volgens de Staat moet voor [A] zichtbaar zijn geweest dat de roosters ontbraken, hetzij al bij het rijden over de brug, hetzij (in ieder geval) toen hij bij de geleiderail en de veiligheidsleuning aankwam.

De rechtbank stelt voorop dat de Staat rekening moet houden meteen een bepaalde mate van onoplettendheid en onvoorzichtigheid van weggebruikers. Uit de door beide partijen overgelegde foto’s van de situatie ten tijde van het ongeval, dat plaatvond in het donker, is de rechtbank niet gebleken dat het voor [A] duidelijk zichtbaar moet zijn geweest dat de roosters ontbraken. Wel was zichtbaar dat er sprake was van werkzaamheden aan de brug. Daarmee is echter niet gezegd dat [A] heeft kunnen, laat staan heeft moeten, zien dat er geen roosters tussen de brugdelen lagen.

4.19.

De Staat heeft ten slotte nog opgeworpen dat de geleiderail en de veiligheidsleuning ter hoogte van het ongeval door de vrachtwagen waren beschadigd. Indien de geleiderail en de veiligheidsleuning door die beschadiging niet langer als een afdoende beveiliging konden worden aangemerkt, kan dat de Staat niet worden toegerekend, aldus de Staat.

4.20.

De rechtbank overweegt dat in de eerste plaats niet is komen vast te staan waar [A] over de veiligheidsleuning is geklommen, zodat ook niet is komen vast te staan dat dit is gebeurd op een plek waar de geleiderail en de veiligheidsleuning beschadigd waren. In de tweede plaats geldt dat, zoals hiervoor al is overwogen, de rechtbank van oordeel is dat de geleiderail en de veiligheidsleuning ook in onaangetaste toestand geen afdoende bescherming boden. Dit verweer van de Staat slaagt daarom niet.

4.21.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door de Staat getroffen veiligheidsmaatregelen niet afdoende waren om de weggebruikers te beschermen tegen het gevaar dat was ontstaan door het weghalen van de veiligheidsroosters. Achmea heeft aangevoerd dat het treffen van wel afdoende beveiligingsmaatregelen in de vorm van een hoger (en gesloten) hek waar niet gemakkelijk overheen geklommen kan worden en het plaatsen van waarschuwingsborden dat de roosters tussen de brugdelen ontbraken van de Staat gevergd hadden kunnen worden. De Staat heeft niet aangevoerd dat dergelijke maatregelen niet van hem gevergd zouden kunnen worden, maar heeft zich uitsluitend op het standpunt gesteld dat deze niet nodig waren omdat de getroffen maatregelen afdoende waren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Staat extra veiligheidsmaatregelen zoals de hiervoor genoemde had kunnen en moeten treffen. Nu de Staat dat niet heeft gedaan, heeft de Staat niet voldaan aan zijn zorgplicht als wegebeheerder en onrechtmatig gehandeld als bedoel in artikel 6:162 BW.

Eigen schuld

4.22.

De Staat heeft een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [A], stellende dat deze zo onzorgvuldig en/of roekeloos heeft gehandeld dat de door hem geleden schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening dient te blijven. [A] heeft betwist dat sprake is van eigen schuld en heeft verder een beroep op de billijkheidscorrectie gedaan.

4.23.

Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, hoefde [A] er vanwege het ontbreken van een waarschuwing dat de roosters waren verwijderd en het ontbreken van informatie op de brug waaruit bleek dat er oversteekplaatsen waren aangebracht, niet op bedacht te zijn dat er geen roosters waren en hoefde hij zich ook niet te realiseren dat er verderop op de brug op een veilige manier kon worden overgestoken. Dit geldt te meer nu het ten tijde van het ongeval donker was en [A] bovendien gehaast was omdat hij hulp wilde bieden aan de chauffeur van de vrachtauto. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de onvoorzichtigheid van [A] bestaande uit het over de veiligheidsleuning klimmen niet opweegt tegen het onrechtmatig handelen van de Staat. Zij verwerpt daarom het beroep op eigen schuld.

Omvang schade

4.24.

De Staat betwist niet langer het bedrag van € 100.000, bestaande uit gederfd levensonderhoud van de nabestaanden van [A] als bedoel in artikel 6:108 BW. Dat bedrag zal derhalve worden toegewezen.

4.25.

De Staat heeft het bedrag van € 44.455,46 aan buitengerechtelijke kosten betwist. Volgens de Staat voldoet het bedrag niet aan de dubbele redelijkheidstoets.

4.26.

De Staat heeft verder de navolgende specifieke posten van de door Achmea overgelegde specificatie van de buitengerechtelijke kosten betwist.

de posten “besprekingen met cliënt buiten kantoor”

4.27.

De Staat voert aan dat er binnen drie maanden in 2008 twee bezoeken zijn geweest van de advocaat aan de erfgenamen, waarvoor voor ieder bezoek € 495,42 in rekening is gebracht. De advocaat had volgens de Staat een of meer van die bezoeken achterwege kunnen laten en deze gesprekken bij hem op kantoor of telefonisch dan wel via Skype kunnen laten plaatsvinden.

4.28.

Achmea heeft bij akte nader toegelicht dat deze besprekingen ten huize van de weduwe [A] hebben plaatsgevonden. Tevens is toegelicht dat het in de letselschade- praktijk niet ongebruikelijk is dat tenminste eenmaal een huisbezoek plaatsvindt, met name om de betrokken belangenbehartiger een indruk te geven over de wijze waarop de benadeelden zijn gehuisvest, nu dat van belang kan zijn voor de omvang van de schade. Verder heeft Achmea erop gewezen dat overleg door middel van Skype, zoals door de Staat is gesuggereerd, destijds nog niet zo gebruikelijk was als tegenwoordig, en los daarvan door sommige cliënten als een onoverkomelijke methode wordt ervaren.

4.29.

De rechtbank is gelet op deze toelichting van Achmea van oordeel dat de besprekingen buiten kantoor voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

factureren uren van bespreking met twee advocaten

4.30.

De Staat heeft tevens aangevoerd dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat er door twee advocaten á € 210 per uur per advocaat ruim € 800 in rekening is gebracht voor een bezoek aan de erfgenamen. Achmea heeft toegelicht dat ook dit niet ongebruikelijk is in de letselschadepraktijk, zeker niet als het gaat om betrekkelijk ingewikkelde kwesties. De Staat heeft zich in reactie hierop op het standpunt gesteld dat ook als een kwestie juridisch ingewikkeld is waardoor de behandelend advocaat de expertise van een kantoorgenoot moet inroepen, het onbegrijpelijk en onnodig is dat dat advies vervolgens door twee advocaten persoonlijk bij de cliënt aan huis wordt bezorgd.

4.31.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de juridische kwesties die in deze zaak speelden, het inzetten van twee advocaten aan de dubbele redelijkheidstoets voldoet, ook voor wat betreft het huisbezoek.

de post ‘afwikkeling’

4.32.

Ten slotte heeft de Staat bezwaar gemaakt tegen de post “afwikkeling” van € 525 (tweeënhalf uur á € 210). Achmea heeft toegelicht dat het bij een dergelijke post gaat om het afsluiten van de een dossier, waaronder de archivering en afspraken daarover met de betrokken cliënt. De Staat heeft in reactie daarop gesteld dat dit niet-juridisch inhoudelijke dan wel louter administratieve werkzaamheden betreft die door de secretariële ondersteuning van de advocaat hadden kunnen en moeten worden uitgevoerd. De Staat acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de advocaat voor die werkzaamheden zijn eigen tarief hanteert en dat de kosten daarvan in dit geding worden verhaald op de Staat.

De rechtbank volgt dit betoog van de Staat en zal derhalve een bedrag van € 525 in mindering brengen op de buitengerechtelijke kosten.

4.33.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde buiten- gerechtelijke kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

4.34.

Uit het voorgaande volgt, dat een bedrag van (€ 44.455,46 min € 525)
€ 43.930,46 aan buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komt.

Interne schuldverdeling

4.35.

De Staat heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat óók als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat aansprakelijkheid van de Staat als wegbeheerder vaststaat, de Staat jegens Achmea niet voor het geheel van de schade aansprakelijk kan worden gehouden. Op grond van artikel 6:102 BW zijn de Staat (indien en voor zover de aansprakelijkheid van de Staat als wegbeheerder wordt vastgesteld) en Achmea hoofdelijk aansprakelijk jegens de erfgenamen van [A]. In dat geval dient de schadevergoeding op grond van artikel 6:10 BW door iedere medeschuldenaar naar evenredigheid van dat gedeelte van de schuld dat hem aangaat te worden gedragen. De Staat stelt zich op het standpunt dat Achmea voor wat betreft de interne schuldverdeling jegens de Staat is gehouden om de schadevergoeding primair geheel, subsidiair voor minimaal 50%, voor haar rekening te nemen, aangezien het verkeersongeval door het bij Achmea verzekerde motorvoertuig is veroorzaakt en dit ongeval de primaire reden is geweest voor [A] om van de ene brughelft naar de andere te klimmen, waarbij hij ten val kwam. Achmea heeft dit betwist.

4.36.

De rechtbank is, anders dan de Staat, van oordeel dat de Staat in de onderlinge verhouding tot Achmea gehouden is de schadevergoeding volledig voor zijn rekening te nemen. De rechtbank overweegt daartoe dat niet het ongeval van het verzekerde voertuig, maar het ontbreken van de roosters en het ontbreken van een waarschuwing daarvoor, in combinatie met het onvoldoende treffen van afdoende veiligheidsmaatregelen, de oorzaak is geweest van de val en het overlijden van [A].

Slotsom

4.37.

Gelet op het voorgaande zal de Staat worden veroordeeld tot betaling van een bedrag aan Achmea van € 143.930,46, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

1 maart 2013.

4.38.

De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op € 7.360, te weten
€ 3.946 aan griffierecht en € 3.414 aan salaris advocaat (2 punten à € 1.707 volgens tarief V). De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de Staat tot betaling aan Achmea van een bedrag van € 143.930,46, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 maart 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 7.360- , te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2018.