Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13406

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
NL 17.1688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Irak; non-conformist, afvallige en ook atheïst?

Eiser komt uit [woonplaats], Irak. Hij is een non-conformist en heeft voor vertrek problemen gehad met IS. In beroep heeft eiser naar voren gebracht afvallige en ook atheïst te zijn. Gedurende de beroepsprocedure is de situatie in Irak veranderd. Er is geen sprake meer van een 15c-situatie, zodat verweerder het vestigingsalternatief in [plaats] niet meer tegenwerpt, omdat eiser terug kan naar [woonplaats]. Ook is IS uit Irak verdreven zodat eiser niets meer te vrezen heeft van de zijde van IS. Verweerder heeft niet ten onrechte de problemen van eiser met zijn familie ongeloofwaardig geacht. Verweerders standpunt dat eiser niet geloofwaardig heeft gemaakt dat hij een afvallige is, berust niet op een toereikende en deugdelijke motivering. Wel heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn verklaring dat hij atheïst is niet geloofwaardig heeft gemaakt. Ten aanzien van de non-conformistische levensstijl en de afvalligheid van eiser, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat eiser in Irak een gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit landeninformatie Irak volgt dat non-conformisten weliswaar wel problemen kunnen ondervinden vanuit de omgeving, maar niet dat sprake is van vervolging / ernstige schade. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.1688

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. F.K.H. Blom),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hakvoort).

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 12 september 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Op 13 maart 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de Arabische taal.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op het door eiser ingebrachte UNHCR1 rapport en om eiser in de gelegenheid te stellen te reageren op de reactie van verweerder. Na ontvangst van deze reacties heeft de rechtbank de zaak naar de meervoudige kamer verwezen.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 18 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. R.A.B. van Steijn. Ook was ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Hierna heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder nader onderzoek te laten doen naar de verklaring van eiser dat hij nu atheïst is geworden en te beoordelen wat de gevolgen hiervan zijn bij vertrek dan wel uitzetting naar [plaats] .

Verweerder heeft eiser op 26 februari 2018 aanvullend gehoord en op 20 april 2018 een aanvullend besluit genomen.

Vervolgens heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 20 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, verweerder is vertegenwoordigd door mr. Ch.R. Vink. Ook was ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Asielrelaas

1. Eiser heeft het volgende relaas aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser komt uit [plaats] , Irak en is een – niet praktiserende – soenniet. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij inmiddels afvallige en atheïst is. Hij is op 18 augustus 2015 opgepakt door Al Hessba en vervolgens meerdere dagen vastgehouden, op twee verschillende locaties. Uiteindelijk heeft hij kunnen ontsnappen omdat Islamitische Staat (IS) vluchtte voor de bombardementen. Dit voorval vormt de directe aanleiding van zijn vertrek.

Daarnaast heeft eiser problemen ondervonden in mei 2015 met een [nationaliteit] IS-lid in de sportschool omdat hij een t-shirt droeg met daarop worstelaars afgebeeld en met andere IS‑leden omdat hij tegen de afspraak in de moskee niet bezocht. Als gevolg van dat laatste incident heeft eiser zweepslagen gekregen. Ook was een officier (en aangetrouwd familielid), [naam] , op hem afgestuurd, omdat hij omging met christenen en yezidi. Niet alleen IS was het er niet mee eens dat hij met deze mensen omging, maar ook zijn familie. Vanwege zijn persoonlijke levensstijl ondervond hij verder problemen met zijn familie en zijn oom [naam] , omdat hij openlijk had geweigerd te huwen met zijn nichtje.

Standpunt verweerder

2.1

Verweerder heeft de volgende relevante elementen in het asielrelaas van eiser onderscheiden:

a. eiser heet [eiser] , is geboren op [geboortedatum] en van Iraakse nationaliteit. Eiser is afkomstig uit [plaats] , een niet praktiserende soenniet en is Arabier;

b. problemen in verband met zijn persoonlijke levensstijl;

c. problemen in verband met het weigeren te huwen met zijn nichtje;

d. problemen met IS;

e. aanvaring met Al Hessba (onderdeel van IS) op 18 augustus 2015 en de hieruit voortkomende problemen (detentie en ontsnapping).

2.2

Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst alsmede de problemen van eiser in verband met zijn persoonlijke levensstijl geloofwaardig geacht (elementen a en b). Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft gehad vanwege het weigeren te huwen met zijn nichtje (element c). Verweerder heeft de problemen van eiser met IS wel geloofwaardig geacht (element d). Verder acht verweerder de aanvaring met Al Hessba en de daaruit voortkomende detentie en ontsnapping niet geloofwaardig (element e). Volgens verweerder komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. De geloofwaardig geachte problemen geven volgens verweerder evenmin aanleiding voor de conclusie dat eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, aangezien niet is gebleken van een dermate ernstige repressie dat tot vluchtelingenschap moet worden geconcludeerd. Ten tijde van het bestreden besluit was in [plaats] sprake van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vw 2000. Volgens verweerder was er echter een vestigingsalternatief in Irak, namelijk [plaats] . Op de zitting van 20 september 2018 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ex nunc toetsend moet worden vastgesteld dat voor heel Irak geldt dat het gevaar van IS is geweken en dat daarom geen sprake meer is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, zodat een vestigingsalternatief niet meer aan de orde is.

2.3

In beroep heeft eiser naar voren gebracht afvallige en atheïst te zijn. Verweerder heeft vervolgens eiser nader gehoord over dit nieuwe element en zich in het aanvullend besluit van 20 april 2018 op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een diepgewortelde innerlijke overtuiging van het atheïsme, noch van afvalligheid. Op basis hiervan kan eiser dan ook geen aanspraak maken op de beschermingsgronden als genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

Standpunt eiser

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de omstandigheid dat de vader van eiser een militair is geweest onder het regime van Saddam Hoessein niet als relevant element heeft aangemerkt. Daarnaast voert hij aan dat hij vanwege zijn persoonlijke leefwijze in Irak te vrezen heeft voor vluchtelingrechtelijke vervolging en/of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM2, ook in [plaats] . Met persoonlijke levenswijze doelt eiser erop dat hij zich niet conformeert aan de algemeen geldende islamitische regels, normen en waarden. Eiser doelt hierbij ook op zijn uiterlijk: hij draagt geen baard, draagt lang haar en kleedt zich modern en westers. Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de problemen met zijn familie vanwege het niet huwen met zijn nichtje en de problemen met Al Hessba ongeloofwaardig heeft geacht. Daarnaast voert eiser aan dat hij zich in [plaats] niet zal kunnen vestigen en daar niet duurzaam zal kunnen verblijven. De voorwaarden voor vestiging in [plaats] die gelden voor ontheemden uit andere delen van Irak zijn ontzettend streng en zelfs als hij voldoet aan al die voorwaarden, dan kunnen de lokale autoriteiten – die volledig discretionair bevoegd zijn ten aanzien van vestiging – een verzoek tot vestiging toch nog afwijzen. Eiser verwijst naar de uitspraak van het Upper Tribunal van 17 januari 2017 (2017 UKUT 00018), naar het rapport van het UNHCR van 12 april 2017 en een brief van UNHCR van 14 juni 2017. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 18 april 2017 (AWB 16/17620) en naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 2 juni 2017 (AWB 17/12831) en van 1 juni 2017 (AWB 16/23159 en 16/23187). Daarnaast heeft eiser een stuk van Vluchtelingenwerk Nederland overgelegd van 29 mei 2017 ‘A tot Z Irak’ en verwezen naar een rapport van Vluchtelingenwerk Nederland van juli 2017, ‘Veel gestelde vragen [plaats] ’. Met betrekking tot het atheïsme heeft eiser verwezen naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van

2 januari 2018, waarin de positie van atheïsten in Irak wordt beschreven.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank overweegt als volgt. Het door eiser in beroep aangevoerde nieuwe asielmotief heeft aanleiding gegeven, gelet op artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn3 en de implementatie daarvan in artikel 83a van de Vw 2000, en indachtig de recente arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018, Alheto4, en van 4 oktober 2018, Ahmedbekov/Ahmedbekova5, om verweerder in de gelegenheid te stellen daarover een standpunt in te nemen. Het aanvullend besluit van 20 april 2018 kwalificeert de rechtbank als een aanvullend standpunt van verweerder over het door eiser in beroep aangevoerde nieuwe asielmotief. De rechtbank betrekt in haar onderzoek en beoordeling ook het door eiser in beroep aangevoerde nieuwe asielmotief en het door verweerder daarover ingenomen standpunt in dit aanvullend besluit.

Relevant element?

5. Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte de omstandigheid dat zijn vader militair is geweest onder het regime van Saddam Hoessein niet als relevant element heeft aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit geen relevant element is omdat het niet in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft niet gesteld dat hij vanwege deze reden is gevlucht. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht deze omstandigheid niet als relevant element aangemerkt.

Problemen met familie

6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de problemen van eiser met zijn familie vanwege het niet huwen met zijn nichtje ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat het niet geloofwaardig is dat de oom van eiser, met wie eiser al problemen had vanwege zijn persoonlijke levensstijl, in eiser een huwelijkskandidaat voor zijn dochter zag. De openlijke weigering van eiser om met zijn nichtje te huwen en de daaruit voortvloeiende problemen met zijn familie, onder wie een aangetrouwde officier, [naam] , heeft verweerder dan ook ten niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser in deze door hem aangevoerde incidenten (die tot in 2014 voortduurden) geen aanleiding heeft gezien Irak te verlaten. Eiser heeft naar eigen zeggen uiteindelijk de band met zijn familie verbroken. Hij heeft nog enkel contact met zijn moeder. Dat eiser problemen met zijn oom en [naam] zal krijgen bij terugkeer, berust enkel op vermoedens van eiser die hij niet heeft onderbouwd. Gelet hierop heeft verweerder eiser niet hoeven volgen in zijn gestelde vrees dat hij bij terugkeer naar Irak door zijn familie zal worden gedood.

Problemen met IS

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerders standpunt dat de problemen die eiser in de boekwinkel heeft gehad van de kant van Al Hessba ongeloofwaardig zijn, niet rust op een deugdelijke motivering. Gelet op eisers non-conformistische levensstijl, die door verweerder geloofd wordt, en de eerder geloofwaardig geachte problemen met IS, valt zonder nadere motivering niet in te zien dat en waarom eisers verklaring dat hij zich verzette tegen de leden van Al Hessba ongeloofwaardig is. Ex-nunc toetsend, leidt dit naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Volgens het Algemeen ambtsbericht Irak van april 2018 is IS uit Irak verdreven en heeft de Iraakse overheid Irak weer heroverd.6 Het betoog van eiser ter zitting dat IS helemaal nog niet weg is, is onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling van eiser dat uit nieuwsberichten in de Iraakse media een ander beeld volgt, weegt niet op tegen de informatie uit het ambtsbericht. Bovendien blijkt juist uit het ambtsbericht dat personen die verdacht of beschuldigd worden banden met IS te hebben in de problemen komen.7 Eiser zal, gezien zijn uiterlijk en levensstijl, niet worden aangezien voor een IS-sympathisant, zodat niet valt in te zien dat eiser om die reden te vrezen heeft van de zijde van de autoriteiten en/of burgers. Dit geldt ook voor eisers problemen met IS die verweerder wel geloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vanwege deze problemen niet in aanmerking hoeft te komen voor een verblijfsvergunning.

Afvalligheid en atheïsme

8.1

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerders standpunt dat eiser niet geloofwaardig heeft gemaakt dat hij een afvallige is, niet rust op een toereikende en deugdelijke motivering. Gelet op de eerdere verklaringen van eiser dat hij zijn geloof niet praktiseerde, niet naar de moskee ging en gelet op zijn non-conformistische levensstijl, hetgeen verweerder geloofwaardig heeft geacht, vindt de rechtbank de stap naar afvalligheid niet groot, maar juist een niet onbegrijpelijke stap.

Wel is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn verklaring dat hij vervolgens atheïst is geworden, niet geloofwaardig heeft gemaakt. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat eiser niet kan verklaren wat hem specifiek aantrekt in het atheïsme. Eiser kan niet uitleggen wat het voor hem persoonlijk zo belangrijk maakt om atheïst te zijn in plaats van iemand die niet gelooft. Niet is gebleken van een diepgewortelde innerlijke overtuiging bij eiser. De mededeling van eiser dat God de mens eigenlijk heeft geschapen als atheïsten, geeft geen blijk van een innerlijke overtuiging dat er geen God is. Dat geldt ook voor eisers verklaring dat hij in verband met een medische ingreep die zijn moeder zou moeten ondergaan tevergeefs heeft gewacht op een ultiem teken van het bestaan van een God. Ook heeft verweerder waarde mogen hechten aan de omstandigheid dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in eisers veranderingsproces tot atheïst. Verder heeft verweerder hierbij mogen betrekken dat de veranderingen die eiser stelt te hebben ondergaan slechts oppervlakkig van aard zijn. Het feit dat eiser is ingeschreven bij [naam] geeft evenmin blijk van een diepgewortelde innerlijke overtuiging bij eiser.

8.2

Ten aanzien van de geloofwaardig geachte non-conformistische levensstijl en de afvalligheid van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het Algemeen ambtsbericht Irak van april 2018 blijkt het volgende:

veel Iraakse jongeren vaak minder gelovig zijn dan hun ouders. Die jongeren raken vervreemd van het geloof als gevolg van de invloed van de religie op het openbare leven en de corruptie van sommige religieuze instituties. Ze vonden de religieuze voorschriften te beperkend en kozen voor een seculiere levenswijze. Indien iemand echter al te openlijk afstand doet van zijn geloof, dan kan dit tot problemen leiden vanuit de familie of gemeenschap, bijvoorbeeld in de vorm van eergerelateerd geweld.”8

In de brief van Vluchtelingwerk Nederland van 2 januari 2018, die eiser heeft overgelegd, is onder andere een landeninformatiedocument van UK Home Office van 19 augustus 2016 genoemd en hierin wordt het volgende vermeld:

dat afvalligen van de islam mogelijk risico lopen slecht te worden behandeld, maar dit zou niet opgevat kunnen worden als vervolging.”9

Ook wordt in deze brief een rapportage van ACCORD, het Oostenrijkse onderzoekscentrum voor landeninformatie, van 12 februari 2016 genoemd, waarin verschillende bronnen worden geciteerd. Zo wordt een artikel van Timothy Burroughs aangehaald, waarin hij aangeeft dat geweld van derden een veel grotere bedreiging vormt voor afvalligen dan straffen of boetes die de staat uitdeelt.10

Uit het Algemeen ambtsbericht van Irak van november 2016 blijkt het volgende over non-conformisten:

Jongeren in Irak die zich niet conformeren aan de gangbare kleding en haartrends, maar zich opvallend uitdossen in vaak donkere kleding en haar dat gedeeltelijk (veelal in een punt) over het gezicht valt, worden meestal aangeduid als emo’s. In de Iraakse samenleving heerst de opvatting dat alle emo’s niet mannelijk genoeg en dus homoseksueel zijn. Door conservatieven worden zij als een bedreiging van de samenleving gezien. In 2009 vonden gerichte moorden op emo’s en homoseksuelen plaats door milities. Ook begin 2012 zouden emo’s vanwege hun uiterlijk het slachtoffer zijn geworden van geweld. Tegenwoordig zouden emo’s enigszins vrijer zijn om zich te uiten.” 11

Weliswaar volgt uit de hierboven weergegeven passages uit de genoemde landenrapporten dat afvalligen en niet-conformisten enige problemen kunnen krijgen in Irak, maar hieruit blijkt niet dat sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Bovendien heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser voor zijn vertrek uit Irak ook problemen heeft gehad vanwege zijn niet conformistische levensstijl en dat dit toen voor hem nog geen reden was om uit Irak te vluchten. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser zijn leven niet kan leiden zoals hij dat eerder in Irak leidde, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat eiser in Irak een gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade.

15c-situatie

9. De rechtbank stelt vast dat de situatie in Irak is veranderd tijdens de beroepsprocedure. Er is geen sprake meer van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in [plaats] . Verweerder werpt dan ook niet meer tegen dat eiser een vestigingsalternatief in [plaats] heeft, omdat hij weer terug kan keren naar [plaats] . Eiser heeft tijdens de laatste zitting aangegeven op dit punt te refereren aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal de beroepsgronden met betrekking tot het tegenwerpen van [plaats] als vestigingsalternatief gelet op het voorgaande niet meer bespreken.

Conclusie

10. De rechtbank concludeert dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. De aanvraag mocht daarom worden afgewezen als ongegrond.

11. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. A.E.J.M. Gielen en mr. A.K. Mireku, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Dalman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:ED

D:

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 United Nations High Commissioner for Refugees.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.

4 C-585/16, ECLI:EU:C:2018:584.

5 C-652/16, ECLI:EU:C:2018:801.

6 p. 22 van het Algemeen ambtsbericht Irak van april 2018.

7 Algemeen ambtsbericht Irak van april 2018, p. 67.

8 p. 61 van het Algemeen ambtsbericht Irak van april 2018 onder het kopje ‘bekeerlingen en atheïsten’.

9 p. 3 van de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 2 januari 2018.

10 Idem.

11 p. 76 van dit Algemeen ambtsbericht.