Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13344

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
C/09/520433 / FA RK 16-8010
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder hoofdverblijfplaats minderjarige en verdeling huwelijksvermogen (naar Italiaans recht)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 16-8010 (scheiding), FA RK 18-3393 (verdeling) en FA RK

16-8034 (gezag en gezagsuitoefening)

Zaaknummers: C/09/520433 (scheiding), C/09/552849 (verdeling) en C/09/520473 (gezag en gezagsuitoefening)

Datum beschikking: 5 november 2018

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op de op 21 oktober 2016 ingekomen verzoeken van:

[verzoeker]

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. R. de Falco te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , Italië,

advocaat: mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.

Procedure

Bij beschikking van [datum echtscheidingsbeschikking] van deze rechtbank is – voor zover thans van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en:

 bepaald dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Italië, voorlopig iedere vakantie behoudens drie weken in de zomervakantie bij de vrouw in Italië zal zijn, alsmede dat de vrouw [minderjarige] een lang weekend per maand in Nederland ziet;

 bepaald dat deze regeling geldt als spiegelovereenkomst voor het geval dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij nadere beschikking bij de vrouw zal worden bepaald;

 bepaald dat de man, zolang [minderjarige] bij hem woont, de reiskosten voor [minderjarige] (die nodig zijn om de vrouw te zien) moet betalen;

 het verzoek van de man om met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te worden belast afgewezen;

 is mevrouw drs. A. van Teijlingen benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] ;

 bepaald dat de behandeling van de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , de kinderalimentatie en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime zal worden voortgezet (voor zover noodzakelijk) in aanwezigheid van de bijzondere curator op de terechtzitting van de meervoudige kamer op 17 september 2018;

 iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de kinderalimentatie en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken aan het procesdossier toegevoegd:

- het verslag van de bijzondere curator van 2 september 2018;

- de brief van 7 september 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 12 september 2018 van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 12 september 2018 van de zijde van de man.

De door de man ingediende akte – ingekomen ter griffie van de rechtbank op 11 september 2018 –

De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de door de man ingediende de akte uitlating producties, tevens overlegging producties, houdende verweer tegen de aanvullende verzoeken bij ingekomen bij de rechtbank op 11 september 2018, onder meer vanwege de omvang van de akte en stukken, de late indiening daarvan (zes dagen voor de mondelinge behandeling) de onmogelijkheid om die stukken tijdig te laten vertalen en te bespreken. De man daarentegen betoogt dat hij recht heeft op verweer tegen de aanvullende verzoeken van de vrouw.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw in haar verweerschrift – ingekomen ter griffie op 8 mei 2018 – een aantal aanvullende verzoeken heeft gedaan. De man heeft hierop niet tijdig (binnen vier weken) een verweerschrift ingediend danwel om verlenging van de verweertermijn gevraagd. Gelet op de omvang van de akte (uitlating producties, overlegging producties en verweer tegen aanvullende verzoeken) en het late moment van indiening (buiten de in het procesreglement genoemde tiendagentermijn) acht de rechtbank toelating van deze akte in strijd met de goede procesorde en is deze akte aan de man geretourneerd. De man is voorts voldoende in de gelegenheid om zich ter zitting tegen de aanvullende verzoeken van de vrouw te verweren, zodat de man niet in zijn recht op wederhoor is geschaad.

Vervolg procedure

Op 17 september 2018 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man, vergezeld van de tolk mevrouw [naam tolk] en bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw, vergezeld van de tolk mevrouw [naam tolk] en bijgestaan door haar advocaat, de bijzondere curator drs. A. van Teijlingen, alsmede de huidige partner van de man, [naam partner man] en de huidige partner van de vrouw, [naam partner vrouw] . Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Ter beoordeling aan de rechtbank liggen nog voor de verzoeken van partijen omtrent het hoofdverblijf van [minderjarige] , kinderalimentatie, de verdeling/verrekening van het huwelijksgoederenregime en gebruiksvergoeding van de gemeenschappelijke woning in Italië. De rechtbank zal de verzoeken in het hierna volgende bespreken.

Hoofdverblijfplaats [minderjarige]

Uit het verslag van de bijzondere curator maakt de rechtbank op dat [minderjarige] een goede band met beide ouders heeft. Zij zijn allebei betrokken ouders die goed nadenken over de opvoeding van [minderjarige] . Zij hebben het beste voor met hem. Beide ouders hebben voldoende vaardigheden om [minderjarige] goed op te voeden. [minderjarige] vindt het fijn in Italië omdat hij daar veel familie heeft, waaronder zijn halfbroertje, zijn moeder en zijn opa en oma (vaderszijde). Hij heeft daar ook vrienden. In Nederland heeft hij zijn vader en vindt hij zijn school erg fijn. [minderjarige] zal zowel in Nederland als in Italië op een goede manier kunnen opgroeien. Belangrijk voor [minderjarige] is vooral dat hij weet waar hij aan toe is. Het is belangrijk voor hem dat er een ruime contactregeling is tussen [minderjarige] en de ouder bij wie hij niet de hoofdverblijfplaats zal hebben.

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de hoofdverblijfplaats wordt bepaald bij zijn moeder in Italië. Van doorslaggevende betekenis daarbij is dat [minderjarige] een Italiaanse achtergrond heeft en dat nagenoeg de hele familie van [minderjarige] in Italië woont. De rechtbank heeft geen concrete aanwijzingen gevonden om te twijfelen aan de opvoedkundige vaardigheden van de ouders en acht beide ouders in staat een stabiele, zorgzame en liefdevolle omgeving voor [minderjarige] te scheppen waardoor hij zich goed kan ontwikkelen. Nu de opvoedkundige kwaliteiten van de ouders vergelijkbaar zijn, en de verwachting is dat [minderjarige] zowel in Nederland als in Italië goed zal kunnen opgroeien, hebben de opvoedkundige kwaliteiten van de ouders geen doorslaggevende betekenis. [minderjarige] woont weliswaar sinds drie jaar bij zijn vader in Nederland en is bij de voorzetting van die situatie de continuïteit gewaarborgd, maar dit weegt niet op tegen de Italiaanse achtergrond van [minderjarige] en de aanwezigheid van nagenoeg zijn hele familie in Italië. [minderjarige] is nu 7 jaar oud. De rechtbank verwacht dat [minderjarige] zich moeiteloos zal aanpassen aan een leven in Italië. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het voor de vader in financieel opzicht gemakkelijker zal zijn om naar Italië af te reizen om [minderjarige] te bezoeken dan dat dit voor de moeder het geval zal zijn om naar Nederland te komen. Met vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder in Italië is beter gegarandeerd dat [minderjarige] met beide ouders goed contact zal kunnen blijven onderhouden.

Om [minderjarige] de tijd te geven te wennen aan zijn verhuizing naar en leven in Italië, zal de rechtbank bepalen dat zijn hoofdverblijfplaats vanaf 7 januari 2019 bij de vrouw zal zijn. [minderjarige] heeft dan voldoende tijd om afscheid te nemen van zijn huidige school en zijn naschoolse activiteiten. De vrouw heeft voorts de mogelijkheid om voorbereidingen te treffen met het oog op de komst van [minderjarige] , waaronder het regelen van de school. Op grond van de bij genoemde beschikking van 19 juni 2018 vastgestelde zorgregeling zal [minderjarige] in de kerstvakantie al bij de vrouw zijn zodat hij enigszins gewend zal zijn aan het leven in Italië alvorens hij daar naar school zal gaan.

Ter zitting is nog met de ouders besproken dat het belangrijk is dat zij hun onderlinge communicatie verbeteren, nu het voor [minderjarige] belangrijk is om te zien en te ervaren dat zij ook na de scheiding samen zijn ouders blijven. De ouders zullen met respect voor elkaar overleg moeten voeren over belangrijke zaken in het leven van [minderjarige] . De ouders zijn gewezen op de mogelijkheid van crossborder mediation gefaciliteerd door het Centrum IKO. De rechtbank raadt de ouders met klem aan om van deze mogelijkheid, of van een equivalent in Italië, gebruik te maken, nu het in het belang van [minderjarige] is dat zij beter met elkaar omgaan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen als na te melden en het verzoek van de man afwijzen.

Opname ouderschapsplan

De man heeft ter zitting zijn verzoek tot integrale opname van het door hem opgestelde ouderschapsplan in de te wijzen beschikking ingetrokken, zodat daarover niet meer hoeft te worden beslist.

Kinderalimentatie

De vrouw heeft verzocht om een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast te leggen in geval dat de rechtbank beslist dat het hoofdverblijf van [minderjarige] in Nederland zal zijn. Nu de rechtbank zal beslissen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn, ligt bij deze rechtbank geen verzoek tot kinderalimentatie voor waarop beslist moet worden.

Verdeling huwelijksgemeenschap / afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap en afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden.

Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen.

Krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Italiaanse recht, nu de echtgenoten kennelijk hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in Italië.

Het Italiaanse huwelijksvermogensrecht bepaalt dat echtgenoten gehuwd zijn in gemeenschap van goederen, indien zij niet bij huwelijkse voorwaarden anders zijn overeengekomen. Echtgenoten die van het wettelijk stelsel wensen af te wijken kunnen op elk gewenst moment, vóór of na de huwelijkssluiting, hun vermogensrechtelijke relatie vastleggen in een ‘convenzione martimoniale’. Deze ‘huwelijkse voorwaarden’ moeten op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan. Partijen hebben op 18 september 2015 door middel van een notariële akte alsnog gekozen om vanaf die datum de koude uitsluiting als hun huwelijksvermogensregime toe te passen en de eerdere gemeenschap van goederen per diezelfde datum te ontbinden.

Partijen zijn het erover eens dat er met betrekking tot hun huwelijksvermogensregime drie perioden te onderscheiden zijn. De periode tot aan de datum huwelijk ( [huwelijksdatum] ), de periode tussen de datum huwelijk en de datum dat de huwelijksvoorwaarden zijn gemaakt (18 september 2015) en de periode na het opmaken van de huwelijksvoorwaarden. Zij zijn het er voorts over eens dat alle in de eerste periode afzonderlijk verkregen goederen/inkomen/schulden persoonlijk zijn en blijven, dat er in de tweede periode een gemeenschap van goederen is ontstaan en dat in de derde periode afzonderlijk verkregen goederen/inkomen/schulden persoonlijk zijn en blijven.

In het kader van de afwikkeling van de huwelijksvermogensregimes behoeven de volgende bestanddelen/onderwerpen bespreking.

1. De echtelijke woning met bijbehorende garage te [woonplaats vrouw] (Italië)

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning met bijbehorende garage aan de [adres echtelijke woning] , [woonplaats vrouw] (Italië) zal worden verkocht en dat zij daartoe binnen een maand na de datum van de onderhavige beschikking opdracht zullen geven aan de bij partijen bekende makelaar Allanino Immobiliare. Met de verkoopopbrengst lossen partijen de op de woning rustende hypothecaire lening af en voldoen zij de kosten van de verkoop. Het bedrag dat daarna nog resteert zullen partijen bij helfte delen.

Ter zitting heeft de vrouw toegezegd dat zij niet zal terugkomen op de afspraak tussen partijen om de echtelijke woning te verkopen. Zij zal geen beroep doen op een bepaling in de Italiaanse wetgeving die haar de mogelijkheid geeft om de woning onverdeeld te laten in het geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar zal worden bepaald.

2. De bankrekeningen

Als peildatum voor de saldi van de bankrekeningen dient te gelden 18 september 2015, zijnde de datum van ontbinding van de eerdere gemeenschap van goederen.

Volgens opgaaf van de man gaat het om de volgende bankrekeningen:

B1. ABN-AMRO [rekeningnummer 1] t.n.v. de man;

B2. ABN-AMRO [rekeningnummer 2] t.n.v. de man;

B3. IW Bank [rekeningnummer 3] t.n.v. partijen;

B4. IW Bank [rekeningnummer 4] t.n.v. de vrouw;

B5. Banca Popolare Emilia Romagna [rekeningnummer 5] t.n.v. de vrouw.

Het primaire voorstel van de man is om de bankrekeningen B1 en B2 aan hem en de bankrekeningen B3, B4 en B5 aan de vrouw toe te delen, zonder enige verrekening tussen partijen. Het subsidiaire voorstel van de man is om de bankrekeningen B1 en B2 aan hem toe te delen en de bankrekeningen B3, B4 en B5 en alle andere mogelijke bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw toe te delen, onder verrekening van mogelijke over- en onderbedelingen.

De vrouw wenst verdeling van de saldi per peildatum, behoudens voor wat betreft de bankrekening B5. Volgens de vrouw is aan deze bankrekening een creditcardschuld gekoppeld. De vrouw is van mening dat het positieve saldo per peildatum slechts gedeeld kan worden als de man meedeelt in het hieraan gekoppelde schuldbedrag per peildatum.

Zoals hierna wordt overwogen onder het kopje “Schulden” bij schuld E12, is deze creditcardschuld aangegaan door de vrouw ter voldoening van de reiskosten die zij heeft moeten maken in het kader van de zorgregeling en voor haar kosten van levensonderhoud en die van [minderjarige] . Deze schuld komt daarom voor haar eigen rekening. De rechtbank zal voorbij gaan aan de stelling van de vrouw dat het positieve saldo slechts gedeeld kan worden als de man meedeelt in de schuld.

Nu de saldi van de bankrekeningen B1 tot en met B5 op 18 september 2015 in de gemeenschap vallen, zal de rechtbank bepalen dat de saldi van deze rekeningen op die datum bij helfte tussen partijen dienen te worden gedeeld. De vrouw zal opgave moeten doen aan de man van het saldo van de bankrekening B4 op genoemde datum. Dit is de bankrekening waar door de man beslag op is gelegd.

De rechtbank zal overeenkomstig het voorstel van de man de bankrekeningen B1 en B2 toedelen aan de man en de bankrekeningen B3, B4 en B5 toedelen aan de vrouw. Van overige bankrekeningen is de rechtbank niet gebleken.

De creditcard schuld bij (Findomestic en overgenomen door) Banca Popolare Emilia Romagna (BPER) zal de rechtbank hierna bespreken onder de schuld E12.

3. De inboedel

Ter zitting is afgesproken dat de man naast de goederen die zich in Nederland bevinden de volgende goederen toegescheiden krijgt, zonder verrekening:

twee vetrina antica, libri en CD van de man, 2 quadri regalo matrimonio Federico, TV 21 pollici, laptop acer, vecchio computer fisso con monitor, bilancia pesapersone, tenda ricamata a mano, Gemelli oro, collana oro e bracciale oro [minderjarige] , de helft van coralli da viaggio di nozze en 50% van de asciugamani.

Dit zijn de goederen die zijn opgesomd in de pleitaantekeningen van de advocaat van de vrouw.

Verder zijn partijen ter zitting overeengekomen dat van de 12 te verdelen borden (Villeroy & Boch) ieder er zes krijgt, dat de vaas (bij partijen bekend) en de hand-geborduurde gordijnen van grootmoederskant naar de man gaan en dat de barbecue naar de vrouw gaat. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de afwikkeling hiervan in onderling overleg zullen regelen.

Het enige geschilpunt is nog de cassatone. De rechtbank zal deze toedelen aan de man, nu onbetwist is gebleven dat deze kast/commode is gekocht van geld dat partijen van familie van de man hebben gekregen ter gelegenheid van hun huwelijk en de man hiermee kennelijk een bijzondere emotionele band heeft.

4. De auto’s

Partijen hebben twee auto’s, een Audi A4, met kenteken [kentekennummer 1] , op naam van de man, en een Nissan Micra, met kenteken [kentekennummer 2] , op naam van de vrouw. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de Nissan niet in de huwelijkse gemeenschap valt, nu zij deze – door de man betwiste – stelling niet met concrete feiten heeft onderbouwd.

De rechtbank zal, zoals ter zitting besproken, aan de Audi A4 naar billijkheid een waarde toekennen van € 7.000,--. De rechtbank zal deze auto toedelen aan de man, waarbij de man een bedrag van € 3.500,-- aan de vrouw dient te voldoen.

De rechtbank zal aan de Nissan Micra naar billijkheid een waarde toekennen van € 1.000,-- zoals door de man gesteld. De rechtbank zal de auto toedelen aan de vrouw, waarbij de vrouw een bedrag van € 500,-- aan de man dient te voldoen.

5. De vorderingen

De man heeft twee vorderingen opgevoerd.

D1. De vordering op de heer [naam] met betrekking tot de aankoop van een garage te [woonplaats vrouw] (Italië) aan de [adres echtelijke woning] voor een (al betaalde) prijs ad € 18.000,-- dan wel voor de restitutie van de, uit de gemeenschap betaalde prijs.

De vrouw heeft niet betwist dat er een vordering is op de heer [naam] wegens de niet geleverde garage. De vrouw heeft echter gesteld dat de koopprijs deels is betaald met geld afkomstig uit een schenking van de vader van de vrouw. Het gaat volgens de vrouw om een bedrag van € 10.000,--. Dit betekent volgens de vrouw dat zij van de vordering op de heer [naam] eerst € 10.000,-- krijgt en dat de resterende € 8.000,-- bij helfte tussen partijen gedeeld dient te worden.

De rechtbank stelt voorop dat de vordering niet voor verdeling in aanmerking komt, nu onduidelijk is of deze volledig geïncasseerd zal kunnen worden. Partijen hebben hierover onvoldoende zekerheid kunnen verschaffen. Zij zullen zodoende de vordering eerst samen moeten incasseren en de opbrengst vervolgens bij helfte moeten delen. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de stelling van de vrouw dat € 10.000,-- uit een schenking aan haar is voldaan omdat zij haar stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Dit betekent dat ieder der partijen gerechtigd is tot de helft van de te incasseren vordering van € 18.000,--.

D2. De vordering ad € 3.000,-- plus wettelijke rente jegens de aannemer [naam aannemer] als gevolg van de veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding, uitgesproken door de rechtbank te [woonplaats vrouw] op 16 december 2015 en betreffende een schade die in de periode van de huwelijksgemeenschap is ontstaan.

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de vordering jegens de aannemer blijkt uit de door de man in productie 30 overgelegde uitspraak. Uit de uitspraak blijkt dat de man degene is die in de uitspraak als rechthebbende wordt genoemd, zodat hij degene is die bevoegd is om het verschuldigde bedrag te innen. De rechtbank volgt de vrouw hierin, hetgeen betekent dat de man deze vordering zal moeten incasseren en dat de vrouw recht heeft op de helft van de geïncasseerde vordering.

6. De schulden

De man heeft de volgende schulden naar voren gebracht:

E1. een schuld ad € 1.000,-- jegens de heer [schuldeiser 1] ontstaan op 7 augustus 2008;

E2. een schuld ad € 10.000,-- jegens de heer [schuldeiser 1] ontstaan op 16 oktober 2008;

E3. een schuld ad € 10.000,-- jegens de heer [schuldeiser 1] ontstaan op 22 januari 2010 voor het (gedeeltelijk) financieren van de aankoop van de echtelijke woning;

E4. een schuld ad € 2.000,-- jegens [schuldeiser 1] ontstaan op 26 juni 2013 voor het (gedeeltelijk) financieren van bouwwerkzaamheden in de echtelijke woning;

E5. een schuld ad € 994,-- jegens [schuldeiser 1] ontstaan op 20 september 2013 in verband met de huur van de woning in Nederland ten tijde van de verhuizing van partijen vanuit Italië;

E6. een schuld ad € 13.000,-- jegens [schuldeiser 2] ontstaat op 24 april 2014 voor het (gedeeltelijk) financieren van de aankoop van de genoemde Audi A4;

E7. een belastingschuld ad € 2.019,63 voor belastingen van de jaren 2008 en 2011;

E8. een belastingschuld ad € 605,76 voor belastingen van het jaar 2012;

E9. een belastingschuld ad € 1.907,51 voor belastingen van het jaar 2012;

E10. een belastingschuld ad € 2.077,66 voor belastingen van het jaar 2013;

E11. een hypothecaire lening ad € 119.827,06 (restanthoofdsom per 30 juni 2017) met de bank Monte dei Paschi di Siena te [woonplaats vrouw] voor het (gedeeltelijk) financieren van de aankoop van de echtelijke woning.

De vrouw heeft de volgende schuld naar voren gebracht:

E12. de lening aangegaan op 15 mei 2015 bij Findomestic van € 15.000,-- plus rente, bij elkaar een bedrag van € 18.921,60; de lening is overgenomen door BPER.

De rechtbank stelt voorop dat de schulden ook naar Italiaans recht geen vermogensrechten zijn die voor verdeling of verrekening tussen partijen in aanmerking komen. Het gaat om vaststelling van de onderlinge verhouding van partijen in de voldoening van die schuld aan de schuldeisers.

E1 en E2

Partijen zijn het erover eens dat de schulden E1 en E2 buiten de verdeling gelaten moeten worden, nu deze schulden dateren van vóór de huwelijkssluiting. De rechtbank zal partijen hierin volgen. Dit betekent dat de vrouw in de onderlinge verhouding tussen partijen niet in deze schuld hoeft bij te dragen.

E3 tot en met E6

De vrouw heeft het bestaan van de schulden E3 tot en met E6 die zouden zijn verstrekt door de vader respectievelijk de broer van de man, betwist.

De rechtbank zal de door de man genoemde schulden E3 tot en met E5 buiten beschouwing laten. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aangetoond dat deze schulden daadwerkelijk aanwezig zijn. De schulden zijn volgens de man aangegaan bij zijn vader. Uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt weliswaar dat deze bedragen aan partijen zijn overgemaakt, maar hieruit blijkt niet dat het hier om bedragen gaat waarvoor partijen zich tot terugbetaling jegens de familie van de man hebben verbonden. Ook uit de naderhand door de vader opgestelde verklaring blijkt dit naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende. Concrete afspraken hierover, ook met de vrouw gemaakt, blijkt niets zodat niet uitgesloten kan worden dat het hier om schenkingen gaat.

De rechtbank zal ook de door de man genoemde schuld E6 buiten beschouwing laten. Uit het door de man overgelegde bankafschrift blijkt dat genoemd bedrag van € 13.000,- door de broer van de man aan hem is overgemaakt, maar niet dat de vrouw en de man zich tot terugbetaling van dat bedrag hebben verbonden. De door de man overgelegde verklaring van de broer dateert van 16 januari 2018, ruim 4 jaar nadat de schuld zou zijn aangegaan. De rechtbank acht deze in het licht van de onderhavige scheidingsprocedure overgelegde verklaring onvoldoende om aan te nemen dat het hier om een lening gaat die terugbetaald moet worden aan de broer van de man. Ook ten aanzien van deze schulden behoeft de vrouw derhalve in de onderlinge verhouding tussen partijen niets bij te dragen.

E7 tot en met E10

De rechtbank zal de door de man genoemde schulden E7 tot en met E10, die door de vrouw zijn betwist eveneens buiten beschouwing laten. Het betreft hier belastingschulden waarvan de vrouw heeft gesteld dat deze allang betaald hadden moeten zijn. Het had op de weg van de man gelegen om aan te tonen dat deze schulden nog niet zijn voldaan, hetgeen hij heeft nagelaten. Ook heeft de man niet onderbouwd waarom de vrouw zou moeten meebetalen aan de belastingschuld 2008/2009, voor zover deze ziet op de voorhuwelijkse periode.

E11

Ten aanzien van de schuld E11, de hypothecaire lening, zijn partijen het er over eens dat deze schuld zal worden voldaan uit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, zodat deze schuld verder geen bespreking behoeft.

E12

Op 28 mei 2015 is de vrouw een creditcard schuld aangegaan bij Findomestic voor

€ 15.000,-- plus rente, in totaal voor een bedrag van € 18.921,60. De vrouw heeft gesteld dat zij dit geld heeft moeten lenen omdat zij met haar inkomen niet in staat was om de kosten voor het reizen in het kader van de zorgregeling te kunnen bekostigen en tegelijkertijd in het levensonderhoud van haarzelf en [minderjarige] te kunnen voorzien. Gelet op de redenen voor het aangaan van deze schuld dient volgens de vrouw de lening van € 15.000,-- in de verdeling te worden betrokken. De man heeft zich hiertegen verweerd.

De rechtbank is van oordeel dat de lening buiten beschouwing dient te blijven. De vrouw is de lening aangegaan op het moment dat partijen reeds uit elkaar waren en kort voordat partijen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan. Zij heeft de man in het aangaan van die lening niet gekend. In de onderlinge verhouding tussen partijen komt de schuld zodoende volledig voor rekening van de vrouw. Indien de vrouw onvoldoende middelen van bestaan had, had het op haar weg gelegen om voorlopige partneralimentatie te vragen. De vrouw was dit, zoals ter zitting naar voren is gebracht, voornemens te doen maar het is er niet van gekomen omdat de Italiaanse rechter geen rechtsmacht zou hebben. In de onderlinge verhouding tussen partijen behoeft de man niet in deze schuld bij te dragen.

7. Inbreng gemeenschappelijk kapitaal in huis van de man / Investeringen c.q. aandelen

De vrouw heeft vragen over de woning in Nederland waarvan de man eigenaar is en door hem gekocht is en die op 10 november 2015 aan de man is geleverd. Als productie 20 heeft de vrouw overgelegd het bewijs van de nota van afrekening die de notaris heeft opgesteld. Uit deze nota blijkt dat door de man rechtstreeks een bedrag van € 40.983,-- is betaald. Nu het huis geleverd is twee maanden nadat partijen de huwelijkse voorwaarden hadden gemaakt, wenst de vrouw een uitleg over de herkomst van het bedrag dat de man rechtstreeks aan de notaris heeft voldaan. Daarnaast wenst de vrouw aanvullende informatie over de transacties zoals die blijken uit de door haar als productie 21 overgelegde rekeningoverzichten. Bij de vrouw is het vermoeden ontstaan dat de gelden die gestort werden op de gezamenlijke rekening vaak ook werden gebruikt om te worden geïnvesteerd. De vrouw heeft een aantal voorbeelden genoemd uit het overzicht, waar uit blijkt dat gelden heen en weer werden gestort door/aan de ouders en de broer van de man. Volgens de vrouw gaat het hier om handel in aandelen. De vrouw wenst inzage in alle onderliggende stukken en bankrekeningen.

De man heeft gesteld dat het hier gaat om een ‘phising expedition’ van de vrouw en heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van de vrouw te dien aanzien moet worden afgewezen.

Uit het door de vrouw overgelegde rekeningoverzicht (productie 21) blijkt dat er inderdaad aandelen zijn gekocht. Het gaat hier om de transacties met de kenmerken beginnend met de letters BOT. Voor zover de rechtbank uit het overzicht kan afleiden, zijn deze aandelen echter gekocht vóór het aangaan van het huwelijk tussen partijen. Daarom horen deze aandelen niet tot de huwelijksgemeenschap. Het is om die reden niet nodig dat de man hierover aanvullende informatie verschaft. Hetzelfde geldt voor de aanschaf van de woning in Nederland door de man. Deze is gedaan na het sluiten van de huwelijkse voorwaarden en valt derhalve buiten de huwelijksgemeenschap.

Voor zover het verzoek ziet op de periode tussen de datum huwelijk en de datum waarop de huwelijks voorwaarden zijn gemaakt komt het verzoek van de vrouw neer op een verzoek tot het afleggen van rekening en verantwoording. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek niet gedaan kan worden in de onderhavige procedure en dat de vrouw hiervoor een aparte procedure zal moeten starten.

Het verzoek van de vrouw tot het verstrekken van aanvullende informatie door de man zal derhalve worden afgewezen.

8. Vergoedingen

De man heeft gesteld dat naar Italiaans recht de echtgenoot die geld uit het eigen persoonlijk vermogen gebruikt ten gunste van de gemeenschap (om gemeenschappelijke goederen te kopen, dan wel om kosten van de gemeenschap te betalen) op basis van artikel 192 Codice Civile recht heeft op vergoeding van de uitgegeven bedragen. De man heeft voorts gesteld dat de volgende uitgaven uit zijn persoonlijke vermogen zijn gedaan en de gemeenschap betreffen:

betaling in totaal ad € 10.451,80 voor de maandelijkse hypotheeklasten van de echtelijke woning, verricht vanaf 18 september 2015 tot 30 juni 2017;

alle latere betalingen voor de maandelijkse hypotheeklasten van de echtelijke woning verricht door de man vanaf 30 juni 2017 tot aan de datum waarop de hypothecaire lening wordt voldaan of door de vrouw wordt overgenomen met bevrijding van de man;

betaling ad € 3.600,-- verricht op 4 september 2009 als courtage aan de Italiaanse makelaar voor de aankoop van de echtelijke woning;

aanbetaling per cheque ad € 5.000,-- verricht op 24 augustus 2009 aan de verkoper als voorschot op de aankoopprijs van de echtelijke woning;

aanbetaling per cheque ad € 10.000,-- verricht op 4 september 2009 aan de verkoper als voorschot op de aankoopprijs van de echtelijke woning;

betaling per cheque ad € 14.000,-- verricht op 22 januari 2010 aan de verkoper als deel van de aankoopprijs van de echtelijke woning.

Ad I en II:

De vrouw heeft niet betwist dat de man in de periode 18 september 2015 tot 30 juni 2017 voor de maandelijkse hypotheeklasten van de echtelijke woning uit zijn eigen vermogen betalingen heeft verricht van in totaal € 10.451,80. Hetzelfde geldt voor alle latere betalingen van de maandelijkse hypotheeklasten van de echtelijke woning verricht door de man vanaf 30 juni 2017. De vrouw betoogt evenwel dat de vergoedingsrechten/plichten uitsluitend betrekking hebben op de bijzondere kosten (artikel 189cc Codice Civile) van de gemeenschap. Hypotheeklasten betreffen geen bijzondere kosten, aldus de vrouw.

Dit verweer faalt. Naar de man onbestreden heeft gesteld zijn de door hem betaalde hypotheeklasten en nog te betalen lasten aflossingen op de hypothecaire schuld en zodoende een investering in het gemeenschappelijke vermogen van partijen. In zoverre heeft de man een vergoedingsrecht op de gemeenschap.

Ad III- Ad VI:

Ten aanzien van de betalingen onder III tot en met VI van € 3.600,--, € 5.000,--, € 10.000,-- en € 14.000,-- heeft de vrouw gesteld dat deze zijn verricht van de gezamenlijke rekening.

Nu uit de door de man overgelegde producties blijkt dat deze bedragen inderdaad zijn afgeschreven van de gezamenlijke bankrekening van partijen bij de IW Bank ( [rekeningnummer 3] ) en de man verder niet heeft aangetoond dat genoemde bedragen afkomstig zijn uit zijn privé vermogen komt de man wat deze bedragen betreft geen vergoedingsrecht toe.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vaststellen als na te melden.

Gebruiksvergoeding echtelijke woning

De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een gebruiksvergoeding voor het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning ad € 250,-- per maand, zulks vanaf 18 september 2015, subsidiair vanaf 1 juli 2017 of uiterst subsidiair vanaf de datum waarop de echtscheiding zal worden uitgesproken. De man heeft voorts verzocht voor recht te verklaren dat de vrouw gehouden is alle gebruikerskosten van de echtelijke woning vanaf 18 september 2015 en tot aan de verkoop daarvan alleen te dragen, waaronder begrepen, maar niet uitsluitend, de servicekosten, de kosten van de Italiaanse Vereniging van Eigenaren, de landelijke en plaatselijke belastingen die voor het gebruik en/of genot van de woning zijn verschuldigd en de verzekeringskosten.

Allereerst moet beoordeeld worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van deze verzoeken van de man kennis te nemen. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter om van een nevenvoorziening inzake de echtelijke woning kennis te nemen wordt niet bestreken door de Verordening Brussel IIbis en evenmin door de EEX-Verordening. De rechtsmacht dient te worden bepaald aan de hand van het nationale recht. In artikel 4, derde lid, onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat de Nederlandse rechter met betrekking tot verzoeken op grond van art. 827, eerste lid, onder d en e Rv alleen rechtsmacht heeft als de echtelijke woning in Nederland is gelegen. Het betreft de verzoeken tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning of het bepalen van het huurrecht daarvan. Nu bij de voorziening tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning tevens een gebruiksvergoeding kan worden toegekend zal de rechtbank de verzoeken van de man scharen onder deze voorziening. Gelet op het bepaalde in artikel 4, derde lid, onder a, Rv heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht om van de verzoeken van de man kennis te nemen, nu de echtelijke woning in Italië is gelegen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats vrouw] , Italië, met ingang van 7 januari 2019 de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden naar Italiaans recht als volgt vast:

1. aan de man worden toebedeeld:

1.1 -

ABN-AMRO [rekeningnummer 1] ;

- ABN-AMRO [rekeningnummer 2] ;

waarbij de saldi per peildatum 18 september 2015 tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld;

1.2

de cassatone;

1.3

de Audi A4, kenteken [kentekennummer 1] , tegen een waarde van € 7.000,--, waarbij de man een bedrag van € 3.500,-- aan de vrouw dient te voldoen;

2. aan de vrouw worden toebedeeld:

2.1 -

IW Bank [rekeningnummer 3] ;

- IW Bank [rekeningnummer 4] ;

- Banca Popolare Emilia Romagna [rekeningnummer 5] ;

waarbij de saldi per peildatum 18 september 2015 tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld;

2.2

de Nissan Micra, kenteken [kentekennummer 2] , tegen een waarde van € 1.000,--, waarbij de vrouw een bedrag van € 500,-- aan de man dient te voldoen;

3. beveelt de zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de onroerende zaak (woning met bijbehorende garage) aan de [adres echtelijke woning] , [woonplaats vrouw] (Italië) aan een derde, waartoe partijen binnen een maand na heden opdracht zullen geven aan de makelaar Allanino Immobiliare, en bepaalt dat van de verkoopopbrengst:

 de op de onroerende zaak rustende hypothecaire lening algeheel moet worden afgelost;

 de kosten van verkoop moeten worden voldaan;

 de man toekomt een bedrag van € 10.451,80 en alle latere betalingen voor de maandelijkse hypotheeklasten van de echtelijke woning verricht door de man vanaf 30 juni 2017 tot aan de datum dat de hypothecaire lening wordt afgelost;

en dat hetgeen daarna nog resteert bij helfte moet worden gedeeld;

4. bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen gerechtigd is tot de helft van de volgende vorderingen, voorzover geïncasseerd:

 de vordering op de heer Giuseppe Ventura met betrekking tot de levering van een garage te [woonplaats vrouw] (Italië) aan de [adres echtelijke woning] voor een (al betaalde) prijs ad € 18.000,--;

 de vordering ad € 3.000,-- plus wettelijke rente jegens de aannemer De Paoli S.r.l. als gevolg van de veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding uitgesproken door de rechtbank te Reggio Calabria op 16 december 2015 en betreffende een schade die in de periode van de huwelijksgemeenschap is ontstaan;

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

*

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken van de man met betrekking tot de gebruiksvergoeding en gebruikerskosten van de echtelijke woning;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, K. Braun en H. Dragtsma, rechters tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2018.