Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1322

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8906
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:143, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Eiseres is de vermogensbeheerder van een beleggingsmaatschappij waarin ter collectieve belegging een vermogen is bijeengebracht. Eiseres verricht hoofdzakelijk vrijgestelde prestaties. In het kader van haar activiteiten heeft eiseres diensten van derden afgenomen. In geschil is of de diensten die eiseres heeft afgenomen, zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Verder is in geschil of bij eiseres het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat ter zake van de afgenomen diensten recht op aftrek van voorbelasting bestaat. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van vrijgestelde diensten en voorts dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/551
Viditax (FutD), 09-03-2018
FutD 2018-0662
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 16/8906 en SGR 16/8907

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2018 in de zaken tussen

[B.V. X], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.C.M. Boersen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen, Unit Financiële Instellingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 september 2016 de naheffingsaanslagen verminderd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1], mr. H.C.M. Boersen,

[persoon 2] en [persoon 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

[persoon 4], [persoon 5] en [persoon 6].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is de vermogensbeheerder van [N.V. 1] ([N.V. 1]). [N.V. 1] is een beleggingsmaatschappij waarin ter collectieve belegging een vermogen is bijeengebracht, zoals is bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet). Eiseres verricht hoofdzakelijk vrijgestelde diensten als bedoeld in die bepaling. Voor zover eiseres geen vrijgestelde diensten verricht, heeft zij recht op aftrek van voorbelasting (pro rata aftrek). Eiseres heeft de pro rata aftrek voor de onderhavige jaren vastgesteld op respectievelijk 3% (2010), 9% (2011) en 2% (2012).

2. Eiseres verricht voor [N.V. 1] de volgende diensten:

- vermogens- en portefeuillebeheer;

- fondsbeheer en fondsadministratie;

- risicobeheer;

- systemen/ICT.

3. In het kader van haar activiteiten heeft eiseres diensten van derden afgenomen. Tot 15 mei 2008 maakte eiseres gebruik van de diensten van [N.V. 2] ([N.V. 2]). In de onderhavige tijdvakken betreft dat diensten van:

- [B.V. 1];

- [B.V. 2];

- [bedrijf 1];

- [bedrijf 2];

- [bedrijf 3];

- [bedrijf 4].

De vier laatstgenoemde dienstverleners zijn gevestigd in het buitenland.

4. Niet in geschil is dat de plaats van de door deze derden aan eiseres verrichte diensten in Nederland is.

5. Naar aanleiding van een door verweerder geconstateerd verschil tussen de intracommunautaire opgaven van de buitenlandse dienstverleners en de aangiften omzetbelasting van eiseres is een boekenonderzoek bij eiseres ingesteld. Onderzocht is de juistheid van de afgedragen belasting ter zake van prestaties en diensten en de juistheid van de in aftrek gebrachte belasting van afgenomen goederen en diensten. De uitkomsten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport met dagtekening 12 juni 2014, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort.

6. Uit de bevindingen van het boekenonderzoek heeft de controleambtenaar geconcludeerd dat eiseres de omzetbelasting die door [B.V. 1] en [B.V. 2] in rekening is gebracht, ten onrechte volledig in aftrek heeft gebracht. Verder heeft de controleambtenaar geconcludeerd dat eiseres over de diensten die zij van de buitenlandse dienstverleners heeft afgenomen ten onrechte geen verleggings-btw op aangifte heeft voldaan. Hiervoor zijn aan eiseres de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd. De omzetbelasting die [B.V. 1] aan eiseres heeft gefactureerd en door haar in aftrek is gebracht, is voor de periode tot en met 2012 niet gecorrigeerd. Dit houdt verband met een eerdere aanname door verweerder dat [B.V. 1] vrijgestelde diensten zou verlenen. Uitgaande van die gedachte, had [B.V. 1] ten onrechte btw in rekening gebracht. Om praktische redenen heeft verweerder er vervolgens mee ingestemd aan eiseres een teruggaaf van de (onterecht in rekening gebrachte) omzetbelasting te verlenen.

7. Na bezwaar zijn de naheffingsaanslagen verminderd. Aanvankelijk was verweerder ervan uitgegaan dat eiseres ook diensten had afgenomen van [bedrijf 5] en dat zij ter zake van deze diensten eveneens ten onrechte geen verleggings-btw had afgedragen. Echter, na bezwaar heeft verweerder aannemelijk geacht dat eiseres niet de afnemer was van diensten verricht door [bedrijf 5]. Daarnaast is een aantal rekenfouten hersteld.

Geschil
8. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de diensten die worden afgenomen van vijf van de hierboven vermelde dienstverleners, te weten [B.V. 2], [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [bedrijf 4] (hierna: ‘de vijf dienstverleners’) zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde van de Wet. Verder is in geschil of bij eiseres het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat ter zake van de vijf dienstverleners afgenomen diensten een recht op aftrek van voorbelasting bestaat.

9. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte aan haar zijn opgelegd en voert daartoe aan dat verweerder bij haar het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat zij de door de vijf dienstverleners gefactureerde omzetbelasting in aftrek kan brengen. Voorts voert eiseres aan dat de diensten van de vijf dienstverleners aan te merken zijn als het beheer van ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet en daarom zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

10. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd. Van vrijgestelde diensten is geen sprake en ook is er geen vertrouwen gewekt.

Beoordeling van het geschil

Is sprake van vrijgestelde diensten?

11. De rechtbank zal eerst beoordelen of de diensten van de vijf dienstverleners kunnen worden gerangschikt onder het begrip “beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens” als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet.

12. Vooropgesteld zij dat [N.V. 1] een beleggingsmaatschappij in de zin van genoemde bepaling is en dat het daarin ondergebrachte vermogen daarin ter collectieve belegging bijeengebracht is.

13. De rechtbank zal daarom eerst vaststellen of de door eiseres van de vijf dienstverleners ingekochte diensten aangemerkt kunnen worden als het beheer van een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen.

14. In zijn arrest van het Hof van Justitie EG van 4 mei 2006, nr. C-169/04, ECLI:EU:C:2006:289 (Abbey National), overwoog het Hof voor zover hier van belang:

“62. Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het doel van de vrijstelling waarin artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn voor verrichtingen in verband met het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen voorziet, met name kleine beleggers het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen mogelijk te maken. Punt 6 van deze bepaling beoogt te garanderen dat het gemeenschappelijke BTW-stelsel fiscaal neutraal is met betrekking tot de keuze tussen rechtstreeks beleggen in effecten en beleggen via gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

63. De handelingen waarvoor deze vrijstelling geldt, zijn dan ook de handelingen die specifiek zijn voor de activiteit van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

64. Derhalve vallen binnen de werkingssfeer van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn, naast de taken van portefeuillebeheer, taken van administratie van gemeenschappelijke beleggingsfondsen zelf, zoals genoemd in bijlage II bij richtlijn 85/611, zoals gewijzigd, onder de rubriek “Administratie”; dit zijn taken die specifiek zijn voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

65. Onder deze bepaling vallen daarentegen niet taken van een bewaarder van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals die welke worden genoemd in de artikelen 7, leden 1 en 3, en 14, leden 1 en 3, van richtlijn 85/611. Deze taken behoren immers niet tot het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, maar tot de controle van en het toezicht op de activiteiten daarvan, waarvan het doel is, te garanderen dat het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen volgens de wet verloopt.

66. Wat de diensten van administratief beheer en verslaglegging van de fondsen door een derde beheerder betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat, evenals de krachtens artikel 13, B, sub d, punten 3 en 5, van de Zesde richtlijn vrijgestelde handelingen (zie arrest van 5 juni 1997, SDC, C-2/95, Jurispr. blz. I-3017, punt 32), het in punt 6 van die bepaling bedoelde beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen moet worden gedefinieerd op basis van de aard van de geleverde diensten en niet op basis van de verrichter of de ontvanger van de dienst.

67. Verder sluit de formulering van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn in beginsel niet uit dat het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen bestaat uit verschillende afzonderlijke diensten die dan onder het begrip “beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling kunnen vallen en in aanmerking kunnen komen voor de vrijstelling waarin die bepaling voorziet, ook al worden zij door een derde beheerder verricht (zie in die zin met betrekking tot artikel 13, B, sub d, punt 3, van de Zesde richtlijn arrest SDC, reeds aangehaald, punt 64, en met betrekking tot artikel 13, B, sub d, punt 5, van deze richtlijn arrest van 13 december 2001, CSC Financial Services, C-235/00, Jurispr. blz. I-10237, punt 23).

68. In die omstandigheden volgt uit het beginsel van fiscale neutraliteit dat de marktdeelnemers het organisatiemodel moeten kunnen kiezen dat hun uit strikt economisch oogpunt het beste uitkomt, zonder het risico te lopen dat hun activiteiten worden uitgesloten van de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn.

69. Hieruit volgt dat de beheersdiensten die worden verleend door een derde beheerder in beginsel onder artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn vallen.

70. Om evenwel als vrijgesteld in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn te kunnen worden aangemerkt, moeten de door een derde beheerder verleende diensten van administratie en verslaglegging van de fondsen, over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, dat de kenmerkende en essentiële functies van een in punt 6 beschreven dienst vervult (zie in die zin met betrekking tot artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn reeds aangehaalde arresten SDC, punt 66, en CSC Financial Services, punt 25).

71. De diensten moeten dus betrekking hebben op de onderdelen die specifiek en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Eenvoudige materiële of technische diensten, zoals de terbeschikkingstelling van een systeem van gegevensverwerking, vallen niet onder artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (zie in die zin met betrekking tot artikel 13, B, sub d, punt 3, arrest SDC, reeds aangehaald, punt 66).

72. Derhalve moet worden vastgesteld dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de door een derde beheerder verleende diensten van administratie en verslaglegging van de fondsen, onder het begrip “beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling vallen, wanneer zij over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, en kenmerkend en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

73. Het staat aan de nationale rechter om uit te maken of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde diensten aan deze criteria beantwoorden.

74. Uit het voorgaande volgt dat op de tweede en de derde vraag moet worden geantwoord dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de door een derde beheerder verleende diensten van administratie en verslaglegging van de fondsen, onder het begrip “beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepaling vallen, wanneer zij over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, en kenmerkend en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Niet onder dit begrip vallen daarentegen diensten die overeenkomen met de taken van een bewaarder, zoals die welke zijn genoemd in de artikelen 7, leden 1 en 3, en 14, leden 1 en 3, van richtlijn 85/611.”

15. Ook van belang is het arrest van het Hof van Justitie van 7 maart 2013, nr. C-275/11, ECLI:EU:C:2013:141 (Gfbk), waarin het Hof oordeelde:

“21. De door een derde beheerder verrichte beheersdiensten kunnen echter slechts als ‘vrijgestelde handelingen’ in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn worden aangemerkt wanneer zij over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen en betrekking hebben op onderdelen die specifiek en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen (zie in die zin arrest Abbey National, reeds aangehaald, punten 70-72).

22. Met betrekking tot handelingen die specifiek zijn voor de activiteit van instellingen voor collectieve beleggingen, volgt uit artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/611 dat de diensten van icbe’s bestaan in de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal. Met het kapitaal dat de inschrijvers deponeren door aandelen te kopen, vormen en beheren de icbe’s immers, voor rekening van de inschrijvers en tegen een vergoeding, effectenportefeuilles (zie arrest van 21 oktober 2004, BBL, C-8/03, Jurispr. blz. I-10157, punt 42; arrest Abbey National, reeds aangehaald, punt 61, en arrest van 19 juli 2012, Deutsche Bank, C-44/11, punt 32). Naast de taken van portefeuillebeheer zijn taken van administratie van gemeenschappelijke beleggingsfondsen zelf, zoals genoemd in bijlage II bij richtlijn 85/611, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/107, onder de rubriek ‘Administratie’, specifiek voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen (zie arrest Abbey National, reeds aangehaald, punt 64).

23. Uit het voorgaande volgt dat voor de bepaling of door een derde ten behoeve van een BGB [rechtbank: Beheerder van Gemeenschappelijk Beleggingsvermogen] verrichte adviesdiensten inzake de belegging van effecten voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn onder het begrip ‘beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ vallen, moet worden nagegaan, zoals de advocaat-generaal in de punten 27 en 31 van zijn conclusie heeft opgemerkt, of de door een derde verrichte adviesdienst inzake belegging van effecten intrinsiek verband houdt met de eigen activiteit van een BGB, zodat met deze dienst de voor het beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds specifieke en essentiële functies worden vervuld.”

16. De rechtbank zal op basis van voormelde uitgangspunten per dienstverlener beoordelen of de door hen verrichte diensten voor de toepassing van de vrijstelling onder het begrip ‘beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ vallen, alvorens in te gaan op de subsidiaire stelling dat bij eiseres het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat zij een recht op aftrek van voorbelasting bezit ter zake van deze diensten.

[B.V. 2]

17. Op 16 december 2009 heeft eiseres met [B.V. 2] een overeenkomst van opdracht gesloten inhoudende dat [B.V. 2] aan eiseres wekelijks risicorapportages zal verstrekken. In haar brief 18 december 2014 schrijft eiseres hierover:

“[B.V. 2] verschaft – binnen de risicoprofielen en beleggingsrestricties van de verschillende deelnemende pensioenfondsen de benodigde risicorapportages, (mede) op basis waarvan [B.V. X] kan voldoen aan de wettelijke plicht (Pensioenwet) tot prudente uitbesteding, alsmede de beslissing kan nemen al dan niet te beleggen in bepaalde effecten en/of andere activa.”.

Gelet op deze omschrijving, die door verweerder niet is weersproken, acht de rechtbank aannemelijk dat het verschaffen van deze risicorapportages intrinsiek verband houdt met de eigen activiteiten van eiseres in die zin dat met deze dienst een voor het beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds specifieke en essentiële functie wordt vervuld. Het betreft derhalve vrijgestelde prestaties. Dit betekent dat [B.V. 2] ten onrechte omzetbelasting aan eiseres in rekening heeft gebracht en dat eiseres deze omzetbelasting ten onrechte in aftrek heeft gebracht. Dit is slechts anders indien bij eiseres het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat zij deze omzetbelasting in aftrek mocht brengen. Dienaangaande verwijst de rechtbank naar de overwegingen 29 en 30 hierna.

[bedrijf 1]

18. Het in [buitenland] gevestigde [bedrijf 1] is aandeelhouder (voor 50%) en bestuurder van eiseres. Eiseres heeft op 24 februari 2010 een overeenkomst van opdracht gesloten met [bedrijf 1]. Volgens de bijlage bij de overeenkomst omvatten de werkzaamheden van [bedrijf 1] de volgende activiteiten:

  • -

    algemene organisatorische, begeleidende, juridische taken ten behoeve van Opdrachtgever en diens opdrachtgevers/klanten;

  • -

    het (verder) ontwikkelen, professionaliseren, doen groeien en onderhouden van (de communicatie door en namens) Opdrachtgever en diens opdrachtgevers/klanten;

  • -

    het ten behoeve van Opdrachtgever en diens opdrachtgevers/klanten, (laten) uitoefenen van toezicht op de correcte implementatie/uitvoering van:

 De overeenkomsten die Opdrachtgever en diens opdrachtgevers/klanten;

 De processen en procedures van (dienstverleners aan) Opdrachtgever en, eventueel, aan diens opdrachtgevers/klanten;

 De implementatie/uitvoering van de periodieke klanten- en beleggingsrapportages en van eventuele transitieprocessen;

 De benodigde formaliteiten en processen om te (blijven) voldoen aan de eisen van de toezichthouder(s) AFM/DNB.

  • -

    het (verder) (laten) ontwikkelen en implementeren van contingency en continuity procedures waaronder back-up systemen en Data Warehousing van de financiële/aandeelhoudersdata/etc.;

  • -

    Het goed (laten) beschrijven en vastleggen van alle betreffende processen en procedures;

  • -

    het in voorkomend geval, vervullen van de taken als ‘Compliance Officer’ van en bij Opdrachtgever.

19. Tot de stukken van het geding behoren voorts drie facturen van [bedrijf 1] aan eiseres. Volgens de omschrijving op de facturen gaat het om ‘bijdragen pensioenen’, ‘vergoeding voor de door [bedrijf 1] verrichte management/directiewerkzaamheden in het 4e kwartaal van 2012’ en ‘reis- en onkosten inzake de door [bedrijf 1] in 2011 verrichte management/directiewerkzaamheden’.

20. Ter zitting heeft eiseres de diensten van [bedrijf 1] als volgt toegelicht:

“Weliswaar ademt de hele overeenkomst van opdracht en de daarin omschreven werkzaamheden de managementtaak van [bedrijf 1], maar [bedrijf 1] doet meer. Zij is eindverantwoordelijke voor de verplichtingen van eiseres en heeft mede als kerntaak het bijeenbrengen en houden van de deelnemers in het collectief.”.

21. Het geheel van werkzaamheden door [bedrijf 1], zoals omschreven in de bijlage bij de overeenkomst van opdracht en nader toegelicht op de zitting, houdt naar het oordeel van de rechtbank geen intrinsiek verband met de eigen activiteiten van eiseres. Dit wordt onderstreept door de vermelding van de verrichte prestaties op de facturen van [bedrijf 1], waarin wordt gesproken van ‘management/directiewerkzaamheden’. Het enkele feit dat eiseres als manager eindverantwoordelijke is, brengt nog niet mee dat haar werkzaamheden aan te merken zijn als vermogensbeheer. Het bijeenbrengen en bijeenhouden van de participanten aan het collectieve beleggingsfonds is in feite een bemiddelingstaak. Zoals het Hof van Justitie EG in zijn arrest van 13 december 2001, nr. C-235/00, ECLI:EU:C:2001:696, onder rechtsoverweging 39 heeft overwogen is bemiddeling een activiteit van een tussenpersoon die niet de plaats inneemt van een partij bij een contract betreffende een financieel product en wiens activiteit verschilt van de typische contractuele prestaties die door de partijen bij zulke contracten worden verricht. Dit betekent dat eiseres in zoverre ten onrechte geen verlegde omzetbelasting heeft aangegeven. In de overwegingen 29 en 30 hierna, zal de rechtbank ingaan op de stelling van eiseres dat verweerder deze omzetbelasting niettemin ten onrechte heeft nageheven in verband met een in rechte te honoreren gewekt vertrouwen.

[bedrijf 2]

22. De overeenkomst die eiseres op 17 april 2007 heeft gesloten met [bedrijf 2] vermeldt onder 1. Services:

“The services provided hereunder (the “Services”) shall consist of a nonexclusive and nontransferable right to use the [bedrijf 2] PROFESSIONAL service information, data, software, and equipment (the “Equipment”) described in the [bedrijf 2] Schedule(s) of Services annexed hereto (…).”

23. De genoemde “[bedrijf 2] Schedule(s)” is of zijn niet aan de rechtbank overgelegd. Aldus valt niet aan de hand van stukken vast te stellen wat de “services” van [bedrijf 2] precies inhouden.

24. In de nadere motivering van haar bezwaarschrift schrijft eiseres over [bedrijf 2] dat deze dienstverlener uitvoerige markt-, krediet- en risicoanalyses uitvoert rondom de financiële activa waarin [N.V. 1] investeert. Ter zitting heeft eiseres de diensten van [bedrijf 2] als volgt omschreven. [bedrijf 2] doet aan systeembeheer. Je kan er transacties langs laten lopen, datareeksen opvragen, enzovoorts. Verder heeft [bedrijf 2] analisten in dienst die bepaalde markten volgen. Eiseres stelt dat zij contact heeft met [bedrijf 2] over haar eigen portefeuilles. Zij heeft desgevraagd verklaard dat in dat kader gegevens worden ingevoerd in de systemen waarna er overleg wordt gevoerd met de analisten van [bedrijf 2]. De informatie die zij verstrekt aan [bedrijf 2] betreft geen specifieke informatie over transacties, aldus eiseres.

25. Hoewel uit het arrest van het Hof van Justitie van 7 maart 2013, C-275/11 (GfBk) volgt dat adviesverlening en informatieverstrekking ook kunnen worden aangemerkt als ‘beheer’, heeft eiseres met hetgeen zij heeft gesteld en de stukken die zij heeft overgelegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de diensten die [bedrijf 2] aan eiseres verleent onder het begrip ‘beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ vallen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat tijdens het horen in de bezwaarfase over de diensten door [bedrijf 2] namens eiseres is opgemerkt, dat zij een dienst afneemt waarvan de terbeschikkingstelling van toegangssoftware een onderdeel is. Eiseres heeft aangegeven dat het een combinatie van beide elementen betreft. Het is niet voldoende dat iets uit een systeem komt. Bij bepaalde resultaten uit het systeem moet kunnen worden gecontroleerd waar het resultaat op is gebaseerd. De rechtbank maakt hieruit op dat het contact met [bedrijf 2] (met name) erop is gericht om een toelichting op en/of een nadere onderbouwing van de resultaten uit het systeem te krijgen. Van het verstrekken van aan- of verkoopadviezen, zoals in Gfbk aan de orde was, is geen sprake. Dat het [bedrijf 2]-systeem de mogelijkheid biedt om aan- en verkooptransacties in een handelssysteem in te voeren, doet aan het voorgaande niet af, nu [bedrijf 2] met deze transacties verder geen bemoeienis heeft. [bedrijf 2] voert de transacties niet zelf uit en evenmin worden de transacties uitgevoerd voor rekening en risico van [bedrijf 2]. De rechtbank constateert dat de diensten van [bedrijf 2] zich beperken tot het verstrekken van algemene markt-, krediet- en risicoanalyses. Eén en ander betekent dat eiseres in zoverre ten onrechte geen verlegde omzetbelasting heeft aangegeven. In de overwegingen 29 en 30 hierna, zal de rechtbank ingaan op de stelling van eiseres dat verweerder deze omzetbelasting niettemin ten onrechte heeft nageheven in verband met een in rechte te honoreren gewekt vertrouwen.

[bedrijf 3]

26. Tot de stukken van het geding behoort voorts een overeenkomst voor het gebruik van [bedrijf 2], een door [bedrijf 3] ontwikkeld systeem. Uit annex a en d bij het contract blijkt ondubbelzinnig dat de dienstverlening door [bedrijf 3] geen advisering betreft. Zo wordt in annex d vermeld:

“The Client acknowledges that neither the contents, nor the making available of [bedrijf 2] (or related information) constitutes investment or professional advice or an personal recommendation and that [bedrijf 3] is not acting as your commodity advisor, financial adviser or fiduciary in this transaction. Neither the contents of this document nor [bedrijf 2] should be construed as a substitute for such advice. The Client should not rely on [bedrijf 2] or related information in relation to any decisions (investment or otherwise), which the Client shall make independently. The Client acknowledges that interpretation of [bedrijf 2]’s output relies on the Client making or obtaining independent, professional, real-time market analysis and, if the Client so determines, third party advice.”

Ter zitting heeft eiseres gesteld dat dit louter in het contract wordt vermeld omdat [bedrijf 3] geen aansprakelijkheid wil aanvaarden. Volgens eiseres doet [bedrijf 3] aan risicoadvisering, zij het niet in die zin dat zij verkoopadviezen geeft. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet aannemelijk geworden dat de diensten verleend door [bedrijf 3] intrinsiek verband houden met de eigen activiteiten van eiseres in die zin dat met deze diensten een essentiële en specifieke functie van beheer wordt vervuld. Ook de diensten van [bedrijf 3] beperken zich, naar het oordeel van de rechtbank tot het verstrekken van algemene markt-, krediet- en risicoanalyses. Dat brengt met zich dat eiseres in zoverre ten onrechte geen verlegde omzetbelasting heeft aangegeven. In de overwegingen 29 en 30 hierna, zal de rechtbank ingaan op de stelling van eiseres dat verweerder deze omzetbelasting niettemin ten onrechte heeft nageheven in verband met een in rechte te honoreren gewekt vertrouwen.

[bedrijf 4]

27. In de overeenkomst die eiseres heeft gesloten met [bedrijf 4] wordt voor zover hier van belang vermeld:

Products en Services Ordered: [Program], including the following: Participation in [bedrijf 4] teleconferences and briefings, access to [bedrijf 4] analysts and delivery of [bedrijf 4] Research Services for the Asset Classes indicated below via the Internet at [website]”.

28. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij regelmatig contact heeft met de analisten van [bedrijf 4] over haar aandelenportefeuilles. Zij verstrekt in zoverre informatie aan [bedrijf 4], maar niet op het niveau van de transacties. De diensten lijken dan ook niet wezenlijk te verschillen van de diensten die [bedrijf 2] en [bedrijf 3] aan eiseres verlenen, te weten het verstrekken van algemene markt-, krediet- en risicoanalyses. Dat eiseres alleen informatie wil hebben die van belang is of kan zijn voor haar aandelenportefeuilles neemt niet weg dat het generieke informatie betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom ook met betrekking tot de diensten van [bedrijf 4] niet aannemelijk geworden dat met deze diensten een essentiële en specifieke functie van beheer wordt vervuld.

Vertrouwensbeginsel

29. Eiseres heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en heeft daartoe aangevoerd dat verweerder zich aanvankelijk ten aanzien van de diensten verleend door [N.V. 2] en de diensten verleend door [B.V. 1] op het standpunt had gesteld dat deze diensten waren vrijgesteld van omzetbelasting, maar dat eiseres de ten onrechte door [N.V. 2] en [B.V. 1] gefactureerde omzetbelasting niettemin in aftrek mocht brengen. Eiseres stelt dat deze expliciete standpuntbepaling bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat zij een recht op aftrek van voorbelasting bezit ten aanzien van al haar uitbestede diensten.

30. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Zo er al sprake is van een bewuste standpuntbepaling - verweerder lijkt dat in zijn verweerschrift niet te weerspreken - dan nog heeft die standpuntbepaling enkel betrekking op de diensten verleend door [B.V. 1] en [N.V. 2]. Eiseres heeft daaraan redelijkerwijs niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat hetzelfde heeft te gelden voor alle door haar afgenomen diensten.

Slotsom

31. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

32. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. R.C.H.M. Lips en mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.