Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13215

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
NL18.18496
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende asielaanvraag, geen nieuwe elementen of bevindingen, gesteld Sierra Leoonse nationaliteit maar niet onderbouwd, inreisverbod, artikel 8 EVRM verzet zich niet tegen oplegging hiervan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.18496


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).


Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.18497, plaatsgevonden op 25 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is M. Mjie als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1990 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 20 september 2018 de onderhavige aanvraag ingediend.

Eiser heeft eerder, op 12 augustus 2008, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 24 september 2009 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhave, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 7 december 2010 ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens, op 8 oktober 2011, een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 5 juli 2012 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 december 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2013 is het hiertegen ingediende hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanaf zijn zeventiende levensjaar homoseksueel is en in Nederland homoseksuele vrienden heeft. Vanwege zijn homoseksuele geaardheid kan eiser niet terugkeren naar Sierra Leone, omdat hij dan een gevangenisstraf riskeert.

3. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Nu eiser nog immer zijn gestelde herkomst, identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt, komt verweerder niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door eiser gestelde problematiek.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat de door hem ingebrachte documenten en afgelegde verklaringen op zichzelf voldoende zijn ter onderbouwing van zijn vrees dat hij bij terugkeer naar Sierra Leone vanwege zijn seksuele geaardheid ernstig te lijden zal hebben en dat dit leidt tot een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten onrechte heeft verweerder nagelaten de relevante elementen in het asielrelaas van eiser overeenkomstig de Werkinstructie 2014/10 (WI 2014/10) te benoemen en de homoseksuele gerichtheid van eiser overeenkomstig de Werkinstructie 2018/9 (WI 2018/9) te beoordelen. Tot slot kan het inreisverbod wegens strijd met artikel 8 van het EVRM niet worden gehandhaafd. Eiser heeft in Nederland immers een zoon bij wiens opvoeding hij betrokken is. Hiertoe heeft eiser in beroep een foto van zijn zoon, foto’s van het paspoort van zijn ex-partner en van zijn zoon, en een verklaring van zijn ex-partner overgelegd.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

6.2.

Hieronder moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.

6.3.

De bestuursrechter toetst in vreemdelingenzaken elk besluit op een opvolgende aanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Nu verweerder de opvolgende asielaanvraag met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet de bestuursrechter toetsen of verweerder dat in het licht van zijn beleid niet ten onrechte heeft gedaan.

6.4.

In het besluit van 24 september 2009, dat bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhave, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 7 december 2010 in rechte vaststaat, heeft verweerder de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig geacht. Bovendien heeft verweerder de door eiser aan zijn tweede opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde documenten niet aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, waardoor verweerder deze aanvraag bij besluit van 5 juli 2012 heeft afgewezen. Bij uitspraak van de Afdeling van 10 december 2013 is ook dit besluit in rechte vast komen te staan. In de huidige asielprocedure heeft eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet alsnog aangetoond, nu hij hiertoe geen documenten heeft overgelegd.

6.5.

Hoewel eiser in zijn beroepsgronden verwijst naar de door hem overgelegde documenten van de ambassade van Sierra Leone te Brussel, is reeds in de tweede asielprocedure van eiser in rechte vast komen te staan dat eiser hiermee zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank volgt niet dat het voor eiser onmogelijk is om zijn nationaliteit aan te tonen, nu hij dit niet heeft onderbouwd. Zo heeft eiser niet onderbouwd dat de ambassade een verzoek van hem tot het verlenen van een officieel document heeft afgewezen noch heeft hij aannemelijk gemaakt dat er niemand is die hij zou kunnen machtigen om namens hem een aanvraag tot het verlenen van een officieel document bij het Immigration Office in Freetown in te dienen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat heden wel sprake is van bewijsnood. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder eiser ten onrechte niet tegemoet is gekomen door hem te presenteren bij de Sierra Leoonse autoriteiten dan wel een taalanalyse te laten verrichten. Aangezien sprake is van een opvolgende aanvraag, ligt de bewijslast bij eiser om nieuwe elementen of bevindingen aan te voeren die verweerder aanleiding geven tot heroverweging van een in rechte vaststaand besluit te komen. De omstandigheid dat eiser al tien jaar in Nederland verblijft, het medisch slecht met hem gaat en hij zich nimmer schuldig heeft gemaakt aan criminele activiteiten of verstoringen van de openbare orde maakt het vorenstaande niet anders.

6.6.

Nu onbekend is aan welk land van herkomst de aanvraag getoetst dient te worden, heeft verweerder de door eiser aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde homoseksualiteit niet conform de WI 2014/10 en de WI 2018/9 inhoudelijk hoeven toetsen. Het is immers aan eiser om eerst zijn land van herkomst aannemelijk te maken. Pas dan kan verweerder beoordelen of eiser als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) moet worden aangemerkt dan wel bij terugkeer het risico loopt te onderworpen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

6.7.

Gelet op het voorgaande, heeft verweerder terecht overwogen dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

6.8.

Nu verweerder heeft overwogen dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken, heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 de voor een vreemdeling geldende vertrektermijn van vier weken kunnen verkorten en kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Dit betekent dat verweerder ook een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 tegen eiser heeft kunnen uitvaardigen. Gelet op het bepaalde in artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan verweerder in dit geval een inreisverbod voor ten hoogste twee jaar opleggen. Hoewel eiser in beroep stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij in Nederland een zoon heeft bij wiens opvoeding hij een rol speelt, blijkt uit deze stukken niet dat deze jongen daadwerkelijk de zoon van eiser is. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat artikel 8 van het EVRM zich tegen het opleggen van een inreisverbod aan eiser verzet. Derhalve heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar kunnen opleggen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.