Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13206

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
F.18.341
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet faillissement ongegrond. Vorderingen aanvraagsters bestaan en zijn opeisbaar. Pluraliteit en toestand hebben opgehouden te betalen staan vast. Geen misbruik van recht. WSNP-verzoek niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/18/341 F

rekestnummer: C/09/562777 / FT RK 18/1885

Vonnis in verzet van 6 november 2018

in het faillissement van:

[schuldenaar],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats, tijdelijk verblijvende aan [adres],

[postcode en verblijfplaats],

advocaat mr. P.A. de Lange,

gefailleerde.

Gefailleerde zal hierna worden aangeduid als ‘ [schuldenaar] ’.

1 Procesverloop

1.1

Op 23 oktober 2018 heeft [schuldenaar] een verzetschrift, met een tiental producties, ingediend strekkende tot vernietiging van het vonnis van 9 oktober 2018, waarbij hij in staat van faillissement is verklaard, met benoeming van mr. G.H.M. Smelt tot rechter-commissaris en van mr. G. Barendregt, advocaat te Gouda, tot curator (hierna: de curator). Tevens verzoekt [schuldenaar] dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing wordt verklaard indien de rechtbank van oordeel is dat het faillissement terecht is uitgesproken.

1.2

Het verzet is op 1 november 2018 ter terechtzitting behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- [schuldenaar] bijgestaan door mr. De Lange, voornoemd;

- mr. J.O. Bijloo (in de plaats van mr. R. Le Grand) namens de aanvraagsters van het faillissement, zijnde Flextra Teamwork West B.V., Flextra Teamwork Oost B.V. en Maatschap SKH Onroerend Goed (hierna: verzoeksters);

- de curator.

1.3

De rechtbank maakt verder melding van de ontvangst van:

- het advies van 31 oktober 2018 van de curator, met bijlagen, waaronder een crediteurenlijst, een salarisverzoek, en een urenspecificatie;

- het faxbericht, met vijf producties, van mr. Bijloo, voornoemd, van 31 oktober 2018;

- de door mr. De Lange ter zitting overgelegde pleitaantekeningen;

- de door mr. Bijloo ter zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.4

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Het verzetschrift is tijdig ontvangen, zodat [schuldenaar] ontvankelijk is in zijn verzet.

2.2

[schuldenaar] heeft, kort samengevat, aan het verzet ten grondslag gelegd dat hij als gevolg van het faillissement van [Z] B.V. (hierna: [[Z]]) schadevorderingen op verzoeksters heeft, die de vorderingen van verzoeksters op basis waarvan het faillissement is aangevraagd ruimschoots overtreffen. [schuldenaar] beroept zich op verrekening, zodat er per saldo geen vorderingen van verzoeksters resteren. Verder is aan het verzetschrift ten grondslag gelegd dat sprake is van misbruik van recht. Verzoeksters hebben namelijk willens en wetens [schuldenaar] en/of diens raadsman onkundig willen houden van het onderhavige faillissementsverzoek door te stellen dat zij [schuldenaar] niet hebben kunnen bereiken, terwijl zij sinds jaar en dag bekend zijn met mr. De Lange als de raadsman van [schuldenaar] . Verzoeksters hadden zich ook eenvoudigweg kunnen verhalen op de onbelaste woning te Rotterdam, waarin [schuldenaar] 1/3 deelgerechtigd is, maar dat hebben zij niet gedaan terwijl zij weten dat [schuldenaar] in privé geen enkel verhaal biedt.

2.3

Verzoeksters hebben, kort samengevat, aan het verweer ten grondslag gelegd dat verzoeksters uit hoofde van onherroepelijke rechterlijke uitspraken vorderingen hebben op [schuldenaar] en dat [schuldenaar] deze vorderingen alsook andere crediteuren onbetaald laat. Van misbruik van recht is geen sprake. [schuldenaar] is conform de wettelijke vereisten opgeroepen. Uit het kadaster blijkt dat [schuldenaar] rechthebbende is van 1/3 van een onbezwaarde onroerende zaak die in 2007 nog voor € 167.500 is aangekocht én de mogelijkheid bestaat dat [schuldenaar] , als aandeelhouder van [[Z]], uitdeling in het faillissement van [[Z]] zal ontvangen, zodat onjuist is dat [schuldenaar] geen enkel verhaal biedt. Verzoeksters hebben hun bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement dan ook niet uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheid is verleend.

2.4

De rechtbank dient te beoordelen of op dit moment – de beoordeling van het verzet –summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoeksters en of [schuldenaar] verkeert in de toestand van hebben opgehouden te betalen, aan de hand van gegevens die thans gelden. Er vindt dus een toetsing ex nunc plaats (Hoge Raad 5 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1473).

2.5

Vast staat dat de vorderingen van verzoeksters bestaan en opeisbaar zijn. Nu het gaat om drie verschillende rechtspersonen staat daarmee ook de pluraliteit vast. De enkele, overigens niet met documenten onderbouwde en door verzoeksters betwiste stelling dat [schuldenaar] schadevorderingen op verzoeksters heeft als gevolg van het faillissement van [[Z]], maakt het voorgaande niet anders.

2.6.

Ter zitting is desgevraagd door [schuldenaar] verklaard dat hij de vorderingen van verzoeksters niet kan betalen. Daarmee staat vast dat hij in de toestand verkeert van hebben opgehouden te betalen.

2.7

Tot slot oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van misbruik van recht. [schuldenaar] , die tot voor kort geen bekende woon- of verblijfplaats had, is conform de wettelijke vereisten opgeroepen. Gesteld noch gebleken is dat [schuldenaar] woonplaats heeft gekozen ten kantore van

mr. De Lange.

2.8

Op grond van het hiervoor overwogene zal de rechtbank het verzet ongegrond verklaren.

2.9

De rechtbank komt vervolgens toe aan het verzoek van [schuldenaar] om op hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.10

De rechtbank is van oordeel dat het verzoekschrift incompleet is ingediend, daar de hieronder opgesomde stukken c.q. informatie ontbreken:

- kopie van een geldig legitimatiebewijs;

- origineel uittreksel uit de Basisregistratie Personen met vermelding van de burgerlijke staat (niet ouder dan één maand);

- een recente loonstrook en/of uitkeringsspecificatie (niet ouder dan twee maanden);

- de vermelding van de data dat de schulden zijn ontstaan;

- een recente specificatie van de schulden aan de Belastingdienst en indien aanwezig een terug- c.q. invorderingsbesluit daarvan (niet ouder dan vier maanden);

- indien niet fulltime (36) uur wordt gewerkt, de sollicitatiebewijzen van in ieder geval de laatste drie maanden. Bij arbeidsongeschiktheid dient een keuringsrapport van een medische instelling te worden overgelegd.

2.11

De rechtbank acht de ontbrekende stukken, genoemd in hoofdstuk 3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, van belang om een zo getrouw mogelijk beeld te krijgen van de huidige financiële situatie van [schuldenaar] en de mogelijkheden voor een schuldsaneringsregeling.

2.12

De rechtbank ziet geen aanleiding [schuldenaar] een aanvullende termijn te gunnen op grond van artikel 287, tweede lid, van de Faillissementswet.

2.13

Op grond van het hiervoor overwogene zal de rechtbank het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaren. Overigens laat dit onverlet dat [schuldenaar] op een later tijdstip op grond van artikel 15b van de Faillissementswet (nogmaals) een verzoek tot omzetting naar de wettelijke schuldsaneringsregeling kan doen.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het verzet ongegrond;

- verklaart het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2018 in aanwezigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.