Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13185

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
C/09/557805 / KG ZA 18/814
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Inkoopprocedure betreffende de levering van stomamaterialen. Afwijzing vanwege rechtsverwerking. Ook inhoudelijk kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van eiseres over de verlieslatende offerte van de bedrijven aan wie is gegund. Die stellingen zijn namelijk gebaseerd op vermoedens en op de eigen kostprijs en de eigen bedrijfsvoering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/557805 / KG ZA 18/814

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2018

in de zaak van

Het Gezondheidshuis Mathot B.V. te Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. A. Achbab te Amsterdam,

tegen:

1 Coöperatie Menzis U.A. te Wageningen,

2. Menzis Zorgverzekeraar N.V. te Wageningen,

3. Anderzorg N.V. te Wageningen,

gedaagden,

advocaten mrs. A.B.B. Gelderman en R.P. Scherer te Enschede,

in welke zaak heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van eiseres:

Hoogland Medical B.V. te Oss,

advocaat mr. A. Achbab te Amsterdam,

en in welke zaak hebben gevorderd te mogen tussenkomen:

1 Benu Direct B.V.te Maarssen,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam,

2 OneMed B.V. te Eindhoven,

advocaat mr. M.F. van der Mersch te Amsterdam,

3 Mediq Nederland B.V. te De Meern, gemeente Utrecht,

advocaten mrs. C.J. de Boer en K.I. Brink te Amsterdam,

4 MediReva B.V. te Maastricht,

advocaat mr. F.H.G. Meijers te Amsterdam.

  • -

    Eiseres wordt hierna aangeduid als ‘Mathot’.

  • -

    Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als ‘Menzis c.s.’ (vrouwelijk meervoud).

  • -

    Gedaagde sub 1 wordt hierna afzonderlijk aangeduid als ‘de Coöperatie”.

  • -

    Gedaagden sub 2 en 3 worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘Menzis’ (vrouwelijk enkelvoud).

  • -

    De partij die heeft verzocht zich te mogen voegen aan de zijde van eiseres wordt hierna aangeduid als ‘Hoogland’.

  • -

    De partijen die hebben verzocht te mogen tussenkomen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Benu’, ‘OneMed’, ‘Mediq’ en ‘MediReva’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties 1 tot en met 16;

- het faxbericht van 13 september 2018 van de zijde van Mathot met een toelichting;

- de door Menzis c.s. overgelegde producties;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging van Benu, OneMed en Mediq;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst van MediReva;

- de incidentele conclusie tot voeging van Hoogland;

- de op 14 september 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door Mathot, Menzis c.s., Benu en OneMed pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

De producties 17 en volgende van de zijde van Mathot worden buiten beschouwing gelaten. De producties 17 tot en met 20 zijn eerst overgelegd bij het hiervoor vermelde faxbericht van 13 september 2018 van Mathot, dat bij de rechtbank die dag (zijnde de dag voor de zitting) ná 14.30 uur is ingekomen. Verdere producties zijn door de rechtbank in het geheel niet ontvangen. In artikel 6.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie staat vermeld dat i) stukken zo spoedig mogelijk worden ingediend, ii) stukken die niet dienovereenkomstig zijn ingediend door de voorzieningenrechter buiten beschouwing kunnen worden gelaten en iii) stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de terechtzitting worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in dit geval daarvan af te wijken.

1.3.

Op 3 oktober 2018 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 17 oktober 2018.

2 De incidenten tot tussenkomst en/of voeging

2.1.

Benu, OneMed, Mediq en MediReva hebben gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Mathot en Menzis c.s.. De drie eerstgenoemde partijen hebben subsidiair gevorderd om zich te mogen voegen aan de zijde van Menzis c.s. Ter zitting hebben Mathot en Menzis c.s. verklaard geen bezwaar te hebben tegen de gevorderde tussenkomst. Genoemde vier partijen zijn vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij daarbij voldoende belang hebben. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

2.2.

Hoogland heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van Mathot. Zij stelt de standpunten van Mathot te onderschrijven en belang te hebben bij voeging omdat toewijzing van de primaire vordering van Mathot ertoe zal leiden dat er een nieuwe gunningsbeslissing moet worden genomen, waarbij de rangorde opnieuw bepaald wordt. Menzis heeft bezwaar gemaakt tegen de gevorderde voeging.

2.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat Hoogland niet behoort tot de inschrijvers aan wie Menzis voornemens is de opdracht te gunnen. Hoogland heeft zelf de mogelijkheid gehad om tegen het gunningsvoornemen op te komen – en wel binnen twintig kalenderdagen na verzending van de mededeling van de gunningsbeslissing – maar zij heeft deze mogelijkheid niet benut. Voormelde termijn staat vermeld in artikel 2.8 van de hierna nader aangeduide offerteaanvraag, waarbij is opgenomen dat dit een opschortende termijn is gedurende welke Menzis geen overeenkomsten zal sluiten. Voorts is opgenomen dat dit een vervaltermijn betreft, hetgeen wil zeggen dat indien een inschrijver niet, niet tijdig of niet correct binnen die termijn een kort geding aanhangig heeft gemaakt, zij in kort geding geen bezwaar meer kan maken met betrekking tot de beslissing; haar recht is dan verwerkt.

2.4.

Op grond van artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Dat is hier niet het geval. Voor Hoogland verandert er immers niets als de vordering van Mathot wordt afgewezen, zo volgt uit hetgeen onder 2.3 staat vermeld. Daar komt nog bij dat, als Hoogland zich aan de zijde van Mathot zou voegen in deze procedure, de onder 2.3 vermelde regeling zou worden doorkruist. De gevorderde voeging is dan ook niet toewijsbaar.

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

Menzis heeft op 14 mei 2018 gepubliceerd een aanvraag tot offerte Stomamaterialen inzake levering van stomamaterialen en aanverwante dienstverlening ten behoeve van haar verzekerden (hierna: de offerteaanvraag). Hierin staat vermeld dat de opdracht zal worden gegund aan de vier inschrijvers met de laagste offerteprijs.

3.2.

Menzis heeft acht inschrijvingen ontvangen. Bij brief van 19 juli 2018 (hierna: de voorlopige gunningsbeslissing) heeft Menzis bekend gemaakt dat zij voornemens is de opdracht te gunnen aan Benu, OneMed, Mediq en MediReva, die hebben ingeschreven met de vier laagste totaalprijzen (in de volgorde van laag naar hoog). Mathot en Hoogland behoren tot de vier inschrijvers die niet een van de vier laagste totaalprijzen hebben geboden en van wie de offertes zijn afgewezen.

4 Het geschil

4.1.

Mathot vordert, zakelijk weergegeven:

  • -

    Menzis c.s. te gebieden om een nieuwe gunningsbeslissing te nemen waarbij de inschrijvingen van Benu en OneMed ongeldig worden verklaard en terzijde worden geschoven en waarbij opnieuw de rangorde wordt bepaald en om een overeenkomst in het kader van de opdracht aan te bieden aan Mathot, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, dan wel

  • -

    Menzis c.s. te gebieden om de procedure tot inkoop van stomamateriaal te staken en gestaakt te houden, dan wel

  • -

    een andere voorziening te treffen,

met veroordeling van Menzis c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

Daartoe voert Mathot – samengevat – het volgende aan. Zij heeft diverse bezwaren tegen de voorlopige gunning. Op de eerste plaats hebben de twee inschrijvers met de laagste prijs zodanig laag ingeschreven dat de opdracht verlieslatend zal zijn. Dat in strijd met de eis dat een inschrijver niet met een negatieve of een nulprijs mag inschrijven. Die eis kan immers niet anders gelezen worden dan dat een verlieslatende inschrijving niet is toegestaan. Deze inschrijvers zullen hierdoor ook niet alle producten met bijbehorende dienstverlening kunnen leveren en niet kunnen voldoen aan de gestelde eisen en contractvoorwaarden. Eventuele verliezen zullen op een andere manier moet worden terugverdiend. Dit zal ten koste gaan van de kwaliteit van de stomazorg en de kwaliteit van leven van de verzekerde. Menzis c.s. hebben dit met het inkoopbeleid bewerkstelligd en gestimuleerd. Menzis c.s. hebben hun zorgplicht geschonden door een inkoopbeleid te hanteren, waarin de laagste prijs centraal staat en onvoldoende duiding wordt gegeven aan kwaliteitselementen. Het inkoopbeleid leidt er ook toe dat verzekerden worden beperkt in hun keuzevrijheid en in hun vrije artsenkeuze om redenen zoals nader in de dagvaarding uiteengezet.

4.3.

Menzis c.s., Benu, OneMed, Mediq en MediReva hebben verweer gevoerd, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.4.

Benu, OneMed, Mediq en MediReva vorderen – zakelijk weergegeven – Menzis c.s. te gebieden om de opdracht te gunnen overeenkomstig de mededeling in de voorlopige gunningsbeslissing en Mathot te gebieden om dat te dulden, met veroordeling van Menzis c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten.

4.5.

Verkort weergegeven stellen Benu, OneMed, Mediq en MediReva daartoe dat zij er belang bij hebben dat de opdracht definitief aan hen gegund wordt en dat de vorderingen van Mathot dus worden afgewezen, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.

4.6.

Voor zover nodig zullen de standpunten van Mathot en Menzis c.s. met betrekking tot de vorderingen van Benu, OneMed, Mediq en MediReva hierna worden besproken.

5 De beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid vorderingen jegens de Coöperatie

5.1.

De voorzieningenrechter ontvangt Mathot niet in haar vorderingen, voor zover deze zijn gericht tegen de Coöperatie. In de offerteaanvraag is als definitie van Menzis opgenomen “Menzis Zorgverzekeraar N.V. en Anderzorg N.V. (…)” en voorts staat ook bij de informatie over de opdrachtgever vermeld dat Menzis bestaat uit die twee zorgverzekeraars. Menzis c.s. hebben voorts onweersproken gesteld dat de Coöperatie ook geen contractpartij wordt bij de te sluiten zorginkoopovereenkomsten. Menzis c.s. kunnen dan ook worden gevolgd in hun verweer dat Mathot niet-ontvankelijk is in haar vorderingen jegens de Coöperatie.

Geen aanbestedende dienst

5.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat Menzis in de offerteaanvraag heeft vermeld dat zij geen aanbestedende dienst is, zij daarom in het kader van deze inkoopprocedure niet is gebonden aan aanbestedingsrechtelijke beginselen en/of uitgangspunten en inschrijvers aan de hand van het documenten niet de verwachting kunnen ontlenen dat dergelijke beginselen en/of uitgangspunten door Menzis zullen worden nageleefd. Verder is in de offerteaanvraag opgenomen dat die verwachting ook niet mag worden ontleend aan de omstandigheden dat de inkoopprocedure qua woordkeus en vormgeving op een gereguleerde aanbestedingsprocedure lijkt, hetgeen concreet inhoudt dat Menzis zich alle rechten voorbehoudt om van de inkoopprocedure af te wijken en om in strijd met aanbestedingsrechtelijke beginselen en uitgangspunten te handelen om haar moverende reden. Inschrijvers zijn door middel van het doen een inschrijving akkoord gegaan met die voorwaarden en hebben afstand gedaan van hun recht op een beroep te doen op de aanbestedingsrechtelijke beginselen en/of uitgangspunten, zo staat als laatste vermeld in het in de offerteaanvraag opgenomen juridisch kader.

5.3.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van Mathot dat Menzis ten onrechte heeft opgemerkt dat zij geen aanbestedende dienst is. Mathot heeft die stelling op geen enkele wijze nader toegelicht en zij heeft ook niet gereageerd op de verwijzing door Menzis naar uitspraken van meerdere gerechtshoven waarin is geoordeeld dat de zorgverzekeraars die partij waren in die procedures niet als aanbestedende diensten worden aangemerkt. Ook aan de stelling van Mathot dat Menzis zich ten onrechte niet gebonden acht aan aanbestedingsrechtelijke beginselen en/of uitgangspunten wordt voorbij gegaan. Onder omstandigheden kunnen deze beginselen en/of uitgangspunten wel van toepassing zijn in een private aanbesteding, maar dat en waarom dat hier het geval is, heeft Mathot niet toegelicht. Dat geldt overigens ook voor de vraag waarom dat hier van belang zou zijn.

Rechtsverwerking

5.4.

Als meest verstrekkende verweer heeft Menzis aangevoerd dat Mathot haar rechten heeft verwerkt, omdat Mathot niet tijdig heeft gemeld dat zij bezwaar had tegen de door Menzis bij de procedure gehanteerde systematiek. De door Mathot tijdens de procedure gestelde vragen houden volgens Menzis geen verband met de klachten die Mathot in dit geding naar voren brengt. Gezien dit verweer ligt ter beoordeling voor of – nu er geen sprake is van een Europese aanbesteding – naar Nederlands recht sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van Mathot. Daartoe zal beoordeeld moeten worden of Mathot heeft gehandeld op een wijze die van dien aard is dat het geldend maken van haar vorderingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is en daartoe is het volgende redengevend.

5.5.

Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende, maar is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan hetzij bij Menzis het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat Mathot haar aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van Menzis onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval Mathot haar aanspraak alsnog geldend zou maken. Bij de beoordeling van de vraag of stilzitten aan de zijde van Mathot redelijkerwijs onaanvaardbaar is, dient mede te worden bezien of Menzis voldoende duidelijk heeft gemaakt dat stilzitten tot rechtsverwerking zou kunnen leiden.

5.6.

Van een adequaat handelende zorgaanbieder mag worden verwacht dat hij zich proactief opstelt bij het naar voren brengen van bezwaren in het kader van een inkoopprocedure als de onderhavige. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de zorgaanbieder jegens de zorgverzekeraar in acht heeft te nemen, brengen mee dat de zorgaanbieder zijn bezwaren bij de zorgverzekeraar duidelijk naar voren brengt en in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt, zodat eventuele onregelmatigheden zo nodig kunnen worden gecorrigeerd met zo gering mogelijke consequenties voor het verloop van de procedure in haar geheel.

5.7.

De systematiek van de procedure en de gehanteerde criteria en eisen zijn uitdrukkelijk in de offerteaanvraag opgenomen en deze waren dus voor alle zorgaanbieders kenbaar. De offerteaanvraag biedt de mogelijkheid aan de zorgaanbieders om voor inschrijving vragen te stellen als ook om onduidelijkheden, onvolkomenheden en bezwaren naar voren te brengen. In de offerteaanvraag is hieraan toegevoegd (in artikel 2.5):

“(…) Menzis verwacht een proactieve houding van de (potentiële) inschrijvers. Dit houdt in dat de Inschrijvers, ieder voor zich, eventuele onduidelijkheden of onvolkomenheden in de documentatie zo spoedig mogelijk aan Menzis moeten melden en wel op een zodanig moment dat deze onduidelijkheden of onvolkomenheden nog ongedaan kunnen worden gemaakt. Menzis wijst er in dit kader uitdrukkelijk op dat (potentiële) Inschrijvers hun eventuele bezwaren zelfstandig naar voren dienen te brengen. Inschrijvers kunnen zich derhalve niet (achteraf) beroepen op bezwaren die door andere Inschrijvers naar voren zijn gebracht.

Na het verstrijken van de uiterste termijn waarbinnen de inschrijvingen moeten zijn ingediend kunnen de Inschrijvers geen bezwaar meer maken tegen eventuele onduidelijkheden of onvolkomenheden in de documentatie. Derhalve verwerken de Inschrijvers hun recht om na inschrijving (in kort geding) alsnog bezwaar te maken en worden de Inschrijvers geacht onverkort en onvoorwaardelijk met de inhoud van de documenten te hebben ingestemd. (…)”

5.8.

Mathot heeft voorafgaand aan haar inschrijving wel vragen gesteld maar van enig bezwaar of van enige klacht van haar zijde over de thans door haar aangevallen onderdelen van de procedure is de voorzieningenrechter niet gebleken. Mathot wijst erop dat zij heeft gevraagd wat de reden is van een selectie alleen op basis van prijs en vragen heeft gesteld over een vergoedingswijze, over in hoeverre Menzis thans uit de pas loopt met de concurrentie wat betreft de huidige kosten voor stomamaterialen en over de hoogte van de vergoedingspercentages voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Die vragen zijn echter door Menzis beantwoord en Mathot heeft vervolgens, zo begrijpt de voorzieningenrechter, onvoorwaardelijk ingeschreven en een offerte ingediend. Daarmee heeft zij alle voorwaarden, waaronder ook de hiervoor geciteerde bepaling, geaccepteerd. Eerst nadat zij de voorlopige gunningsbeslissing heeft ontvangen, heeft Mathot de bezwaren geuit die zij in dit geding aan de orde stelt. Dit een en ander in samenhang bezien leidt ertoe dat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat Mathot haar recht om te klagen over de systematiek van de procedure en de gehanteerde criteria en eisen heeft verwerkt.

5.9.

Voor zover Mathot heeft willen betogen dat zij niet eerder heeft kunnen klagen over de eisen betreffende de te offreren prijzen, wordt zij daarin niet gevolgd. Mathot stelt dat zij de eis dat het niet is toegestaan een negatieve of een nulprijs te hanteren zo heeft begrepen dat niet onder kostprijs mag worden ingeschreven. De voorzieningenrechter begrijpt dat Mathot daaraan verbindt dat, nu zij daar niet over twijfelde en behoefde te twijfelen, zij daar ook geen vraag over hoefde te stellen. Niet valt echter in te zien dat een redelijk geïnformeerd en normaal zorgvuldige inschrijver die eis op die manier kan interpreteren. Naast het verbieden van negatieve prijzen en nulprijzen was het ook niet toegestaan een stuksprijs in te vullen die de voorgeschreven maximumstuksprijs overschrijdt. Het moet dan ook voor eenieder helder zijn geweest dat stuksprijzen tussen nul en de maximumstuksprijzen zijn toegestaan. De opmerking van Mathot dat, uitgaande van haar lezing, volstrekt onduidelijk is hoe Menzis de haalbaarheid van de geoffreerde prijzen zou gaan checken, maakt die lezing van Mathot temeer onbegrijpelijk dan wel maakt dat Mathot daarover minst genomen een vraag had moeten stellen. Voor zover dit bij Mathot tot misverstanden heeft geleid, dient dat voor haar rekening te blijven.

Inhoudelijk

5.10.

Overigens heeft te gelden dat, als de uitleg van Mathot al juist zou zijn, zowel Benu als OneMed uitdrukkelijk hebben verklaard een offerte te hebben ingediend die niet verlieslatend is. De stelling van Mathot, die er op neer komt dat die twee inschrijvers prijzen hebben die niet “kunnen”, is gebaseerd op vermoedens en zij heeft daarbij veelal haar eigen kostprijs en haar bedrijfsvoering als maatstaf genomen. Dit een en ander is onvoldoende om aan te nemen dat voormelde verklaringen onjuist zijn.

5.11.

Evenmin kan worden uitgegaan van de juistheid van de hieraan gerelateerde stelling van Mathot dat aannemelijk is dat de genoemde partijen niet zullen kunnen leveren overeenkomstig het inkoopdocument en niet aan de gestelde eisen en voorwaarden zullen kunnen voldoen. Ook deze stelling is uitdrukkelijk betwist en door Mathot onvoldoende gesubstantieerd. Concrete feiten en omstandigheden op basis waarvan reeds op voorhand die conclusie kan worden getrokken zijn gesteld noch gebleken. Daarbij is ook relevant dat het mogelijk lijden van een (beperkt) verlies op deze overeenkomst, die conclusies nog niet kan rechtvaardigen.

5.12.

Bij dit een en ander is ook in aanmerking genomen dat Menzis onweersproken heeft gesteld dat de prijzen van de vier voorlopige winnaars zeer dicht tegen elkaar aanliggen; tussen de nummers 2 en 3 zit slechts een prijsverschil van 1,22%. De reden voor Mathot om slechts te ageren tegen de prijzen van de nummers 1 en 2 is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden. Daarbij heeft Menzis onweersproken gesteld dat het gemiddelde van de door de vier voorlopige winnaars geboden prijzen zeer dicht in de buurt komt van de bedragen waar zij zelf rekening mee hield. Verder verschillen de prijzen van Benu en OneMed 18% respectievelijk 15% van de totaalprijs van Mathot. Dit een en ander maakt het betoog van Mathot te minder aannemelijk.

Conclusie

5.13.

Het gevorderde is gezien het vorenstaande niet voor toewijzing vatbaar.

Proceskosten

5.14.

Hoogland zal worden veroordeeld in kosten van het incident tot voeging, die zullen worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat daarvoor extra kosten zijn gemaakt. Nu Menzis voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Benu, OneMed, Mediq en MediReva, brengt voormelde beslissing mee dat zij geen belang (meer) hebben bij toewijzing van hun vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Benu, OneMed, Mediq en MediReva zullen worden veroordeeld in de kosten van Menzis c.s., welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat Menzis c.s. als gevolg van deze vorderingen extra kosten hebben moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Mathot in haar verhouding tot Benu, OneMed, Mediq en MediReva worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Hun doel was immers te voorkomen dat de opdracht aan Mathot zou worden gegund, welk doel is bereikt. Mathot zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Benu, OneMed, Mediq en MediReva. Voorts zal Mathot, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Menzis c.s. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de door Hoogland gevorderde voeging af;

- weigert de gevorderde voorzieningen;

- veroordeelt Hoogland in de kosten van het incident tot voeging, tot dusver begroot op nihil;

- veroordeelt Benu, OneMed, Mediq en MediReva voor wat betreft de door hen ingestelde vorderingen jegens Menzis c.s. in de kosten van Menzis c.s., tot dusver begroot op nihil;

- veroordeelt Mathot in de overige proceskosten, tot dusver begroot aan de zijde van zowel Menzis c.s. als Benu, OneMed, Mediq en MediReva telkens op € 1.606,--, waarvan € 626,-- aan griffierecht en € 980,-- aan salaris advocaat;

- bepaalt dat de verschuldigde proceskosten dienen te worden voldaan binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken en dat - bij gebreke daarvan - daarover de wettelijke rente verschuldigd is;

- verklaart deze kostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken door mr. G.P. van Ham op 3 oktober 2018.

ts