Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
C-09-528398-HA ZA 17-273
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om pleidooi in het incident wegens strijd met de goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/528398 / HA ZA 17-273

Vonnis van 12 september 2018

in de zaak van

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap naar vreemd recht

BACARDI AND COMPANY LIMITED,

gevestigd te Vaduz (Liechtenstein),

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

eiseressen in het incident tot afschrift van bescheiden,

verweerster het incident tot onbevoegdheid en (voorwaardelijke) zekerheidsstelling,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BACARDI-MARTINI B.V.,

gevestigd te Gouda,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

eiseres in het incident tot afschrift van bescheiden,

verweerster in het incident tot onbevoegdheid,

advocaat mr. N.W. Mulder te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

F. LOENDERSLOOT INTERNATIONALE EXPEDITIE B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en het incident tot afschrift van bescheiden,

advocaat H. Lebbing,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINT LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en het incident tot afschrift van bescheiden,

advocaat H. Lebbing,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLINT WAREHOUSING B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en het incident tot afschrift van bescheiden,

advocaat H. Lebbing,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LLOGS B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en het incident tot afschrift van bescheiden,

advocaat H. Lebbing,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PURE HANDLING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en het incident tot afschrift van bescheiden,

eiseres in dit incident,

advocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam.

6. [A]

wonende te [woonplaats] ( [land] )

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en het incident tot afschrift van bescheiden,

advocaat H. Lebbing.

Eiseressen in de hoofdzaak zullen hierna afzonderlijk Bacardi c.s. en Bacardi Nederland en gezamenlijk Bacardi c.s. genoemd worden. Gedaagden in de hoofdzaak sub 1 t/m 4 worden hierna Londersloot c.s. genoemd en afzonderlijk Loendersloot Internationale Expeditie, Flint Logistics, Flint Warehousing en LLOGS. Gedaagde in de hoofdzaak sub 6, zal hierna ook wel worden aangeduid als [A] .

1 Het verzoek en de beslissing daarop

1.1.

Loendersloot c.s. vragen pleidooi in het incident. Bacardi Ltd. maken bezwaar tegen toewijzing van dit verzoek.

1.2.

De rolrechter stelt voorop dat, voordat de rechter over de zaak beslist, aan partijen desverlangd gelegenheid wordt geboden voor pleidooien (art. 134 Rv). In art. 208 lid 1 Rv is art. 134 Rv van toepassing verklaard op het incident. In beginsel hebben partijen daarom recht op pleidooi in het incident. Zie HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598. Het recht om het standpunt mondeling te bepleiten vloeit ook voort uit artikel 6 EVRM. Dit een en ander brengt met zich mee dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden afgewezen. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Verg. onder meer HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254 en meer recent HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151.

1.3.

Deze procedure, die is ingeleid met een op 26 januari 2017 uitgebrachte dagvaarding, waarbij tegen 8 maart 2017 is gedagvaard, loopt reeds geruime tijd. [A] , die door Bacardi c.s. in rechte is betrokken als bestuurder van Loendersloot Internationale Expeditie, Flint Logistics en LLOGS en – kort gezegd – door hen verantwoordelijk wordt gehouden voor het beleid van Loendersloot c.s., wordt bijgestaan door dezelfde advocaat als Loedersloot c.s. In eerste instantie is alleen [A] verschenen en is verstek verleend tegen Loendersloot c.s. [A] heeft heeft een bevoegdheidsincident en een incident tot zekerheidsstelling opgeworpen. Nadat was beslist in deze incidenten, hebben Loendersloot c.s. het tegen hen verleende verstek gezuiverd. Zij hebben vervolgens dit incident tot zekerheidsstelling opgeworpen. Geen van de gedaagden in de hoofdzaak/verweersters in de door Bacardi c.s. opgeworpen incidenten heeft nog voor antwoord geconcludeerd, noch in die incidenten, noch in de hoofdzaak. De enige proceshandelingen die hebben plaatsgehad na het uitbrengen van de dagvaarding, zijn die in de door [A] opgeworpen incidenten en vervolgens – nadat Loendersloot c.s. het verstek hadden gezuiverd – in dit incident.

1.4.

Loendersloot c.s. hebben op geen enkele manier toegelicht waarom zij zich pas geruime tijd nadat verstek tegen hen is verleend hebben gesteld. Gesteld noch gebleken is van enig beletsel voor Loendersloot c.s. om het tegen hen verleende verstek eerder te zuiveren en dit incident eerder, bijvoorbeeld tegelijk met de door [A] opgeworpen incidenten op te werpen.

1.5.

Dit is het tweede incident tot zekerheidsstelling in deze procedure, volgend op het daartoe strekkende incident in de zaak tegen [A] , waarop reeds is beslist en is geoordeeld dat een bedrag van € 25.000 aan zekerheid dient te worden gesteld. Het geschil in dit incident is beperkt tot de vraag of Bacardi Ltd. het gevorderde bedrag van (in totaal)

€ 250.000 aan zekerheid moet stellen of het door haar aangeboden bedrag van € 25.000 per partij (in totaal € 100.000). Het beginsel van hoor en wederhoor vergt niet dat Loendersloot c.s. zich uitlaten over (enige onderdeel van) het verweer van Bacardi Ltd. Daarmee is het pleitverzoek kennelijk louter en alleen ingegeven door de wens van Loendersloot c.s. het aan hen toekomende recht om hun standpunt over de hoogte van het bedrag waarvoor Bacardi Ltd. zekerheid moet stellen nog een keer mondeling over het voetlicht te brengen.

1.6.

Zoals hiervoor is overwogen, is het recht op pleidooi niet absoluut. De goede procesorde, die in de weg kan staan aan de uitoefening van dit recht, vergt onder meer dat wordt gewaakt tegen de onredelijke vertraging van de procedure. Daarbij dient de procedure als geheel te worden bezien. Toewijzing van het verzoek brengt onmiskenbaar (verdere) vertraging van de procedure met zich. Deze vertraging doet zich niet alleen voor in de zaken tegen Loendersloot c.s., maar ook in de zaken tegen Pure Handling en [A] , die tot nu toe gelijk op zijn gegaan op de rol. Vanwege de samenhang tussen de zaken verdient afsplitsing van de zaken van Loedersloot c.s. van de zaken van de andere gedaagden in de hoofdzaak die zich reeds lang(er) geleden gesteld hebben, bij deze stand van zaken niet de voorkeur.

1.7.

Gezien het voorgaande leidt het door Loendersloot c.s. gewenste pleidooi in het incident over de hoogte van het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld, tot onredelijke vertraging van de procedure.

1.8.

De slotsom luidt dat toewijzing van het verzoek om pleidooi als in strijd met de goede procesorde dient te worden afgewezen.

2 De beslissing

De rolrechter:

2.1.

wijst het verzoek om pleidooi Loendersloot c.s. af;

2.2.

verwijst de zaken van Loendersloot c.s. naar de rol van 10 oktober 2018 voor het wijzen van vonnis in het incident;

2.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.