Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1308

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
NL17.9799, NL17.9800 en NL17.9801
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gaat om een asielaanvraag van Colombiaans gezin. De vader is in een strafzaak tegen een kopstuk van een machtige bende als getuige opgetreden en vreest voor represailles. Eisers hebben tijdens het strafproces in een beschermingsprogramma gezeten, maar hadden van de Colombiaanse officier van justitie vernomen dat dit zou eindigen als de verdachte zou zijn veroordeeld. Eisers zijn toen in overleg vroegtijdig uit het programma gestapt om hun vlucht naar Nederland voor te bereiden. Hoewel verweerder niet goed motiveert dat er geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM dreigt, geldt dat wel voor zijn subsidiaire standpunt. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk kunnen maken dat zij geen overheidsbescherming tegen deze bende kunnen krijgen. Dat de officier dit hun heeft verteld, is weliswaar geloofwaardig, maar onvoldoende om te concluderen dat het doen van een nieuw verzoek om bescherming per definitie zinloos is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.9799, NL17.9800 en NL17.9801

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] 1977,

v-nummer [nummer] ,

eiser,

[zoon] ,

geboren op [datum] 2001,

v-nummer [nummer] ,

[eiseres] ,

geboren op [datum] 1974,

v-nummer [nummer] ,

eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen

[dochter] ,

geboren op [datum] 2006,

v-nummer [nummer] ,

[zoon] ,

geboren op [datum] 2013,

v-nummer [nummer] ,

allen van Colombiaanse nationaliteit,

tezamen eisers,

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder

(gemachtigde: mr. H.R.D. Leene).


Procesverloop
Bij besluiten van 1 september 2017 heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Tevens is bepaald dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat hun geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Vorige procedure

1. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers eerder afgewezen bij besluit van 23 mei 2017. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard op 26 juni 2017. Hierin is geoordeeld dat verweerder het afwijzende besluit ondeugdelijk had gemotiveerd en dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen. Verweerder heeft de aanvragen nu opnieuw afgewezen.

Asielrelaas

2. Eisers hebben aan hun asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij in Colombia vrezen te zullen worden vermoord door de bende (of New Armed Group; NAG) Los Rastrojos. De broer van eiser is op 28 juni 2013 door deze criminele organisatie vermoord en eiser is als getuige opgetreden in de rechtszaak tegen de twee moordenaars. Een van hen heet [bendeleider] en wordt beschouwd als de tweede man van Los Rastrojos. Vanwege de dreiging om ook te worden vermoord zijn eisers door het Colombiaans Openbaar Ministerie (hierna: Fiscalía) in een getuigenbeschermingsprogramma geplaatst. Eisers hebben van november 2013 tot september 2016 ondergedoken geleefd in de stad Medellín. Zij waren omwille van hun veiligheid gebonden aan zeer strenge veiligheidsregels. Desondanks werd eiser halverwege 2015 telefonisch met de dood bedreigd. Als het strafproces zou zijn afgerond, zouden eisers uit het programma worden gehaald en weer op zichzelf aangewezen zijn. Eisers voelden zich echter niet veilig genoeg, omdat Los Rastrojos een zeer machtige en wijdvertakte organisatie is. Bovendien kan [bendeleider] zijn ondergeschikten zelfs vanuit de gevangenis aansturen. In overleg met de Fiscalía zijn eisers enkele maanden eerder uit het beschermingsprogramma gehaald, zodat zij hun vlucht naar Nederland konden voorbereiden. [bendeleider] is veroordeeld tot 20 jaar celstraf.

Verweerder gaat ervan uit dat het asielrelaas van eisers geheel geloofwaardig is.

Gegronde vrees

3. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eisers met hun relaas niet aannemelijk maken gegronde vrees te hebben voor schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Verweerder acht met name van belang dat eisers vrijwillig vroegtijdig uit de getuigenbescherming zijn gestapt en dat zij in die periode probleemloos hebben geleefd en geen dreiging vanuit Los Rastrojos hebben ondervonden. Toen zij uit het programma gestapt waren voelden zij zich vrij genoeg om de moeder van eiser te bezoeken in het ziekenhuis, waaruit volgt dat zij minstens enigszins in de openbaarheid konden treden. Bovendien zijn eisers in de getuigenbescherming slechts een keer per telefoon bedreigd en hebben zij verder niets meer van de bende vernomen. Tot slot acht verweerder met name van belang dat een broer van eiser ook tegen Los Rastrojos heeft getuigd en zelf in september 2016 vrijwillig uit het beschermingsprogramma is gestapt. Aangezien deze broer sindsdien evenmin problemen heeft ondervonden, is niet waarschijnlijk dat eisers deze wel zouden ondervinden, aldus verweerder.

3.1

Eisers voeren in de eerste plaats aan dat zij bij terugkeer naar Colombia wel degelijk te vrezen hebben voor een schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder onderschat de dreiging die uitgaat van Los Rastrojos en overschat de risico-inschatting van de Colombiaanse overheid. Het algemeen ambtsbericht inzake Colombia van de minister van Buitenlandse Zaken van 4 september 2008 (hierna: Ambtsbericht) waar verweerder zich op beroept is inmiddels bijna tien jaar oud en deels in strijd met recente informatie afkomstig van rapporten van verschillende internationale organisaties, aldus eisers.

3.2

De rechtbank overweegt dat verweerder niet betwist dat het hier gaat om een van de grootste, meest gewelddadige criminele organisaties van Colombia en evenmin dat een kopstuk daarvan door toedoen van eiser in de gevangenis zit. In de door eisers overgelegde stukken wordt een beeld geschetst van een cultuur waarin moord door een organisatie als Los Rastrojos niet alleen denkbaar, maar zelfs de enige logische wraakactie op eiser zou zijn. Deze gewelddadigheid wordt eveneens ondersteund door het Ambtsbericht, waarin onder meer staat dat in de thuisprovincie van eisers, Valle del Cauca, in acht maanden 458 moorden werden geregistreerd. In de provinciehoofdstad Cali wordt de veiligheidssituatie bovendien ‘vooral bepaald door de aanwezigheid van bendes’ en ‘de Rastrojos oefenden aan het einde van de verslagperiode nog steeds territoriale controle uit over bepaalde streken in het noorden van het departement’. In UNHCR-rapport ‘Eligibility guidelines for Assessing the International Protection needs of Asylum-Seekers from Colombia’ van september 2015 wordt op pagina 36 gesteld dat ‘witnesses (in particular witnesses in trials against members of NAGs or guerrilla groups) […] may be in need of international refugee protection’.

Dat eisers ‘vrijwillig’ uit het beschermingsprogramma zouden zijn gestapt en vervolgens enkele maanden ‘probleemloos’ hebben kunnen leven, is gelet op de hierboven geschetste situatie naar het oordeel van de rechtbank ongenuanceerd door verweerder geformuleerd. Eisers wilden vluchten, omdat zij ervan uit gingen dat de overheid hen niet langer zou beschermen als het strafproces voorbij zou zijn. Eisers hebben in die vier maanden geleefd zoals zij hadden geleerd in de drie jaar dat zij werden beschermd. De paar maanden dat eisers op eigen benen stonden, waren onder meer nodig om toestemming te krijgen van de vader van de kinderen van eiseres om het land te kunnen verlaten. Verweerder grijpt het bezoek aan de moeder van eiser ten onrechte aan om te concluderen dat eisers kennelijk in de openbaarheid konden treden. Terwijl zij onder het beschermingsprogramma vielen, hebben zij haar namelijk ook bezocht. Bovendien is het begrijpelijk dat eisers bereid waren om een risico te nemen, omdat het noodzakelijk was om de moeder van eiser te ondersteunen vanwege haar ernstige ziekte en operatie. Dat eisers in die zin enigszins in de openbaarheid zijn getreden en dit vier maanden zonder kleerscheuren hebben volgehouden is ter motivering onvoldoende voor de conclusie dat er geen gegronde vrees voor schending van artikel 3 van het EVRM bestaat. De situatie van de broer van eiser, die gelijktijdig met het programma is gestopt, maakt dat niet anders nu onvoldoende duidelijk is hoezeer hij in de afgelopen tijd ondergedoken heeft geleefd. Het primaire standpunt van verweerder kan daarom geen stand houden.

Overheidsbescherming

4. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat als bovenstaande vrees wel gegrond is, deze wordt weggenomen door de bescherming die de Colombiaanse overheid hun kan bieden. Uit het Ambtsbericht volgt namelijk dat eisers bij de Fiscalía een verzoek kunnen doen tot heropname in het beschermingsprogramma. In tegenstelling tot wat eisers stellen, houdt die bescherming niet per definitie op als het betreffende strafproces ten einde is. Verweerder wijst op de artikelen 127 en 135 van Fiscalía-wet nummer 0-1006/2016, waarin dit letterlijk staat. Aangezien eisers niet ontkennen dat zij gedurende drie jaar effectief zijn beschermd, is er geen reden om aan te nemen dat eventueel toekomstige bescherming onvoldoende zou zijn. Dat eisers in die periode in het programma zijn opgenomen, onderstreept hoe serieus de Fiscalía de dreiging voor wraak inschat, aldus verweerder.

4.1

Eisers betwisten niet dat er een theoretische mogelijkheid tot overheidsbescherming bestaat, maar voeren aan dat dit niet betekent dat zij deze in de praktijk ook mogen verwachten. Verweerder ziet over het hoofd dat er geen behoorlijke risicoanalyse ten grondslag ligt aan het beëindigen van de getuigenbescherming. Uit de door verweerder aangehaalde wetsartikelen blijkt weliswaar dat dit alleen wordt gedaan als bescherming niet langer nodig is, maar die voorwaarde wordt per definitie vervuld geacht als het strafproces tot een veroordeling heeft geleid. Als eisers daar nadien om zouden hebben gevraagd, zouden zij nul op het rekest hebben gekregen. Dat hebben zij immers rechtstreeks van de officier van justitie gehoord, aldus eisers.

4.2

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in haar uitspraak van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2711) overwogen dat verweerder ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst moet onderzoeken of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij dient hij informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, te betrekken. Indien verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

4.3

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de Colombiaanse wet de mogelijkheid biedt om als voormalig getuige in een belangrijke strafzaak bescherming te vragen. Verweerder beroept zich ter onderbouwing van de daadwerkelijke naleving van die wet op het Ambtsbericht. Op pagina 63 staat dat ‘betrokkenen bescherming kunnen krijgen onder dit programma zolang de dreigin aanhoudt. Dat is ook het geval nadat er een uitspraak is gedaan in de betreffende rechtszaak.’ Hoewel het Ambtsbericht inmiddels al bijna tien jaar oud is, wijst verweerder er terecht op dat eisers recent nog drie jaar op grond van diezelfde Fiscalía-wet zijn beschermd. Hoewel een verwijzing naar een zo gedateerd ambtsbericht niet zou hebben volstaan, pleit dit gegeven naar het oordeel van de rechtbank dusdanig voor de effectieve toepassing van de wet, dat verweerder zich daarmee deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen bescherming bieden voor de situatie waar mensen als eisers zich in bevinden.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen vaststaat dat de officier van justitie tegen eisers heeft gezegd dat zij geen bescherming konden krijgen als het strafproces zou zijn voltooid. Eisers wijzen ook op een passage op pagina 18 uit het eerder aangehaalde UNHCR-rapport, namelijk:

“However, access by some victims of NAGs to national protection schemes is reportedly difficult. For example, it has been suggested that local and regional authorities may dismiss threats and abuses by NAGs as a phenomenon of common crime, underestimating the operational capacities of NAGs and the effect of their activities.”

De vraag is of eisers hiermee aannemelijk maken dat zij inderdaad geen overheidsbescherming meer zullen krijgen. Hoewel de passage onderschrijft dat de overheid een dergelijke dreiging kan onderschatten, pleit hiertegen dat zij de dreiging kennelijk drie jaar wel op waarde heeft geschat. De stelling dat het beschermingsprogramma automatisch ophoudt als het strafproces voorbij is, is niet nader onderbouwd. Verweerder wijst overigens niet ten onrechte op een ander fragment op dezelfde pagina van hetzelfde rapport:

“Conversely, the National Protection Unit programme’s protection procedures are activated upon request of persons in need of protection. These measures include relocation to safe areas both inside and outside the country as well as police escorts.”

Weliswaar heeft de officier van justitie tegen eisers gezegd dat hun bescherming zou stoppen, maar is dat onvoldoende als onderbouwing voor de stelling dat het vragen om bescherming na het strafproces per definitie zinloos moet worden geacht. Gelet op de laatst aangehaalde passage is aannemelijk dat eisers ondanks de mededeling van de officier van justitie een verzoek om bescherming kunnen indienen. Gelet op wat de rechtbank onder 4.2 overweegt, kan daarom slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat de autoriteiten niet bereid of in staat zijn om bescherming te bieden. Tussen partijen staat vast dat dit niet is gebeurd. Verweerder stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat het reële risico op schending van artikel 3 van het EVRM wordt weggenomen doordat de Colombiaanse overheid hen daartegen kan beschermen.

5. Hoewel het primaire standpunt van verweerder geen stand houdt, kunnen de daartegen gerichte beroepsgronden niet slagen, omdat de motivering van het subsidiaire standpunt de conclusie van verweerder kan dragen. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

6. Eisers komen niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.F. van den Brink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op 8 februari 2018

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.