Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13078

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
05-11-2018
Zaaknummer
AWB 17/13532
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-nareis Eritrea; Nieuwe gedragslijn; Afdelingsuitspraken van 16 mei 2018; Bewijsnood; Substantieel indicatief bewijs; Hoorplicht; beroep gegrond.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres geen aannemelijke verklaring heeft voor het niet hebben van een nationale identiteitskaart. Eiseres heeft met informatie uit de Algemene Ambtsberichten inzake Eritrea onderbouwd dat zij in Eritrea heeft kunnen volstaan met haar residence card, onder andere omdat zij niet in een stad maar een dorp woonde.

Gelet op de overgelegde residence card en schoolkaart van eiseres, in samenhang bezien met de overgelegde huwelijksakte, foto’s van het huwelijk en een USB van de huwelijksceremonie, waarmee een onderbouwing is gegeven voor de gezinsband met referent, en gelet op het feit dat de namen van eiseres en referent vermeld staan op de echt bevonden doopakten van hun kinderen, en de naam van eiseres op de inenting- weegkaart van de kinderen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de overgelegde bewijsmiddelen niet zijn aan te merken als substantieel indicatief bewijs dat aanleiding kan zijn nader onderzoek aan te bieden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de nieuwe vaste gedragslijn van verweerder met de door eiseres overgelegde documenten op voorhand niet uit te sluiten was dat het bezwaar van eiseres niet tot een andersluidend besluit kon leiden. De rechtbank ziet hierin grond om tot het oordeel te komen dat eiseres en referent ten onrechte niet in bezwaar zijn gehoord.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/13532

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum] ,

eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen:

[eiseres 2]

geboren op [geboortedatum] , en

[eiseres 3]

geboren op [geboortedatum]

allen van Eritrese nationaliteit,

tezamen: eiseressen,

(gemachtigde: mr. M. van Riel, advocate te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. van Leeuwe-Hokke, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiseressen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareis” afgewezen.

Bij besluit van 10 juli 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseressen kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 4 mei en 30 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2018. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verschenen is [referent] (referent). Verweerder is, met vooraf bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseressen zijn afkomstig uit Eritrea en wensen verblijf bij hun echtgenoot respectievelijk vader (referent) in Nederland. Uit het rapport van onderzoek door Bureau Documenten blijkt ten aanzien van de door eiseressen overgelegde documenten het volgende. De bewonerspas (residence card) van eiseres is echt bevonden en de twee doopakten van haar minderjarige kinderen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid echt. Van de inenting- weegkaart van de kinderen kan blijkens het rapport, gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar, vergelijkingsmateriaal, niet worden vastgesteld of het echt is. Over de echtheid van de huwelijksovereenkomst kan geen uitspraak worden gedaan, maar wel dat het oorspronkelijke document niet in deze huidige vorm was opgemaakt. De schoolpas is blijkens de verkorte verklaring van het onderzoek niet te beoordelen.
    Door eiseressen zijn tevens foto’s en een USB met filmmateriaal van de huwelijksceremonie overgelegd. Deze hebben niet ter beoordeling aan Bureau Documenten voorgelegen.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij haar identiteit en de gestelde familierelatie met referent niet heeft aangetoond middels officiële documenten en niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit haar niet is toe te rekenen. De aanvragen van haar minderjarige kinderen zijn afgewezen omdat voor eiseres geen bewijsnood is aangenomen en dat derhalve voor de kinderen ook niet wordt gedaan.
    Naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1508, ECLI:NL:RVS:2018:1509, ECLI:NL:RVS:2018:1637, ECLI:NL:RVS:2018:1638, ECLI:NL:RVS:2018:1639 en ECLI:NL:RVS:2018:1640) inzake nareis voor Eritreeërs, heeft verweerder het standpunt dat eiseressen niet in bewijsnood verkeren gehandhaafd, en daaraan toegevoegd dat eiseressen geen substantieel indicatief bewijs hebben overgelegd ten aanzien van hun identiteit. Derhalve bestaat voor verweerder geen aanleiding om de identiteit aannemelijk te achten en nader onderzoek te doen naar de familierechtelijke relatie in de vorm van bijvoorbeeld DNA-onderzoek.

  3. Eiseressen hebben, voor de Afdelingsuitspraken van 16 mei 2018 inzake nareis voor Eritreeërs, primair aangevoerd dat verweerder, ingevolge artikel 11, tweede lid, Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn), hun aanvragen niet mocht afwijzen enkel omdat zij geen officiële documenten hebben.
    Subsidiair voeren eiseressen aan dat aan hen ten onrechte geen aanvullend onderzoek – in de vorm van identificerend gehoor of een DNA onderzoek – is aangeboden. Dit ten eerste omdat zij in bewijsnood verkeren, en – naar aanleiding van voornoemde Afdelingsuitspraken – ten tweede omdat zij meerdere substantiële indicatieve documenten hebben overgelegd, waardoor zowel hun identiteit als de familierechtelijke relatie aannemelijk is.
    In het kader van de bewijsnood stelt eiseres dat zij nooit een Eritrese identiteitskaart heeft aangevraagd, en deze derhalve niet kan overleggen als bewijs van haar identiteit. Eiseres heeft in Eritrea kunnen volstaan met haar residence card. Haar verklaring dat zij geen Eritrese identiteitskaart heeft is in overeenstemming met het Algemeen Ambtsbericht inzake Eritrea van februari 2017. Op pagina 21 en 22 van dat ambtsbericht staat immers dat buiten de steden men gemakkelijk zonder ID-card kan. Zoals blijkt uit het eerste gehoor van referent woonden zij niet in de stad tijdens hun huwelijk maar in het dorp [plaats] . Bovendien blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht inzake Eritrea van juni 2018 dat Eritrese burgers in beginsel beschikken over één of meerdere identiteitsdocumenten, zoals een residence card (pagina 21), en dat men met een residence card recht heeft op voedselbonnen (pagina 24). Nu eiseres in het bezit is van een echt verklaarde residence card en deze volgens het ambtsbericht als een van de identiteitsdocumenten wordt aangemerkt, is het volstrekt aannemelijk dat zij niet naast de residence card ook nog een nationale identiteitskaart had.
    Eiseressen stellen voorts dat de overgelegde residence card voldoende is om de identiteit van eiseres aannemelijk te maken, nu een residence card wel degelijk een identificerend document is, hetgeen ook blijkt uit de brief van 21 juni 2016 van verweerder aan referent in de aanvraagfase waar verweerder om de residence card vraagt. Dat op de residence card geen pasfoto staat doet daar niet aan af nu er wel een uniek registratienummer op staat. Omdat eiseres zelf geen nationaal identiteitsdocument heeft en op dat moment nog geregistreerd stond op het adres van haar ouders, heeft de overheid het identiteitsnummer van haar vader erop gezet. Eiseres heeft ter ondersteuning hiervan een kopie van het identiteitsbewijs van haar vader meegestuurd waarop het corresponderende nummer te lezen is. Eiseressen doen hierbij tevens een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft bij besluit van 4 juni 2018 (V-nummers [#] en [#] ) een vergelijkbare Eritrese nareis aanvraag ingewilligd, zonder DNA onderzoek, op basis van een echt bevonden bewonerspas (en een doopakte, vaccinatieboekje van het kind, kerkelijke huwelijksakte en foto’s van het huwelijk). In die zaak had, net als in onderhavige, de echtgenote van referent geen nationaal identiteitsdocument en was aangetoond dat het identiteitsnummer op de bewonerspas van de echtgenote overeen komt met het identiteitsnummer van haar moeder op diens identiteitsdocument. Eveneens stond haar moeder met diens adres achterop haar bewonerspas.
    Door eiseres zijn bovendien meerdere indicatieve bewijsstukken van haar identiteit en de gestelde gezinsbanden overgelegd. Ten aanzien van de identiteit van eiseres is, naast haar originele residence card, ook haar originele schoolidentiteitskaart (als bedoeld op pagina 31 van het Algemeen Ambtsbericht inzake Eritrea van februari 2017) overgelegd. Verweerder heeft deze ten onrechte buiten beschouwing gelaten enkel omdat Bureau Documenten geen vergelijksmateriaal zou hebben. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komt het ontbreken van referentiemateriaal niet voor rekening van de vreemdeling (zie uitspraak van 18 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3468).
    Ten aanzien van de familieband tussen eiseres en referent is een originele huwelijks-overeenkomst (met stempels van lokale overheid), foto’s van het huwelijk en een USB van de huwelijksceremonie overgelegd. Ten aanzien van de familieband met de minderjarige kinderen zijn twee originele doopakten en twee originele vaccinatieboekjes overgelegd. De documenten die zien op de familiebanden maken bovendien ook de identiteit van eiseressen aannemelijk.

3.1.

Verweerder stelt zich, met betrekking tot hetgeen door eiseressen is aangevoerd omtrent de bewijsnood, op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt waarom zij geen officiële identiteitsdocumenten heeft, nu haar verklaring dat zij er nimmer een heeft gehad niet wordt gevolgd. De enkele verwijzing naar passages uit het algemeen ambtsbericht van juni 2018 maakt niet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat eiseres nimmer een identiteitskaart heeft gehad. Verweerder handhaaft derhalve het standpunt dat eiseressen niet in bewijsnood verkeren.
Met betrekking tot het niet aannemelijk hebben gemaakt van de identiteit stelt verweerder zich op het volgende standpunt. De residence card is door Bureau Documenten weliswaar echt bevonden maar het document bevat geen foto en ten aanzien van de inhoud zijn een aantal kanttekeningen te plaatsen. Nu eiseres op het moment van afgifte van de residence card (25 februari 2011) reeds gehuwd zou zijn (immers in mei 2010) en zou samenwonen, acht verweerder het opmerkelijk dat desalniettemin het identiteitsnummer en adres van de vader van eiseres staat vermeld. Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel stelt verweerder zich op het standpunt dat het geen gelijke zaken betreft. In onderhavige zaak is verklaard dat eiseres en referent als echtpaar op één adres zouden hebben verbleven hetgeen niet blijkt uit de residence card, terwijl die situatie in de aangehaalde zaak anders ligt. Bovendien is in die andere zaak een recentere residence card (uit 2016) overgelegd. Voorts zijn in onderhavige zaak kanttekeningen te plaatsen ten aanzien van de huwelijksakte die gemanipuleerd lijkt.
Nu Bureau Documenten geen oordeel kan geven over de door eiseres overgelegde schoolpas, heeft eiseres slechts één indicatief document overgelegd als bewijs van haar identiteit, namelijk haar residence card. Het overleggen van één indicatief document is niet voldoende.
Voor zover het de doopakten van de kinderen betreft stelt verweerder zich op het standpunt dat deze geen indicatief bewijs vormen voor de identiteit van eiseres en haar identiteit eerst aannemelijk dient te zijn alvorens nader onderzoek te doen naar de familierechtelijke relatie.

3.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 16 mei 2018 blijkt dat verweerder bij zaken zoals deze vanaf medio oktober 2017 een nieuwe vaste gedragslijn hanteert, zoals uiteengezet in verweerders brief van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354). Blijkens deze Afdelingsuitspraken wordt deze nieuwe gedragslijn als volgt begrepen. Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt de staatssecretaris onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, betrekt de staatssecretaris deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen de staatssecretaris aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt.

3.2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres geen aannemelijke verklaring heeft voor het niet hebben van een nationale identiteitskaart. Eiseres heeft met informatie uit de Algemene Ambtsberichten inzake Eritrea onderbouwd dat zij in Eritrea heeft kunnen volstaan met haar residence card, onder andere omdat zij niet in een stad maar een dorp woonde.

3.2.2.

Met betrekking tot de door eiseres overgelegde residence card overweegt de rechtbank als volgt. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de residence card blijkens het rapport van Bureau Documenten echt is bevonden. Voorts is de rechtbank met eiseres van het oordeel dat het gegeven dat op de residence card geen pasfoto staat, niet met zich meebrengt dat deze niet kan dienen ter staving van de identiteit van eiseres, nu er wel een uniek registratienummer op staat. Dat, wegens gebrek aan een eigen nationaal identiteitsdocument, het identiteitsnummer van de vader van eiseres op het document is gezet, doet hier evenmin aan af. Door verweerder wordt deze gang van zaken als zodanig ook niet als bevreemdingwekkend geacht. Verweerder acht het enkel opmerkelijk dat het identiteitsnummer van de vader vermeld staat terwijl eiseres ten tijde van afgifte van het document reeds gehuwd was en samenwoonde met referent. Nu een nadere onderbouwing van verweerder ontbreekt en referent ter zitting heeft uitgelegd dat de overheid waarschijnlijk het identiteitsnummer van de vader van eiseres erop heeft gezet omdat hij en eiseres nog bezig waren met haar registratie in zijn woonplaats, is de rechtbank van oordeel dat het gegeven dat het identiteitsnummer van de vader van eiseres op het document is gezet, niet aan de bewijswaarde van het document afdoet. Tot slot heeft eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, met de verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht inzake Eritrea van juni 2018, aannemelijk gemaakt dat veel Eritreeërs hun residence card niet jaarlijks verlengen en dat dit zonder gevolgen blijft. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit voor eiseres anders zou zijn.

3.2.3.

Met betrekking tot de door eiseres overgelegde huwelijksakte overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat kanttekeningen te plaatsen zijn ten aanzien van de huwelijksakte die gemanipuleerd lijkt. Uit het rapport van Bureau documenten blijkt dat, gelet op hetgeen onder 2.1 in dat rapport is geconstateerd, geen uitspraak gedaan kan worden over de echtheid van het document, en dat tevens gesteld kan worden dat het oorspronkelijke document niet in deze huidige vorm was opgemaakt.
Onder 2.1 in het rapport is te lezen dat het document een wit vel papier zonder enige beveiligingskenmerken betreft en dat de gegevens van de overeenkomst in eerste instantie gekopieerd zijn. Voorts zijn een aantal variabele gegevens, waaronder handtekeningen van de bruid en bruidegom, achteraf op de kopie geplaatst. Tot slot is het document voorzien van een aantal inktstempelafdrukken van een afgevende instantie dat niet tevens het document heeft opgemaakt, en de handtekening van de gestelde afgevende instantie ontbreekt.
Ter zitting is namens eiseres verduidelijkt dat alle bij de ceremonie aanwezigen een kopie van de huwelijksakte kregen, en er derhalve zes exemplaren van zijn. Later zijn eiseres en referent met hun kopie naar de Kebabi gegaan voor een stempel. De huwelijksakte is niet afgegeven door de Kebabi, vandaar dat er van hen geen handtekening op staat. Door eiseres of referent is ook nimmer gesteld dat de Kebabi de afgevende instantie is, en evenmin blijkt dit uit de huwelijksakte zelf. Het is derhalve onduidelijk waarop gebaseerd is dat de Kebabi de afgevende instantie zou zijn.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat kanttekeningen te plaatsen zijn ten aanzien van de huwelijksakte in die zin dat die gemanipuleerd lijkt. Naast de uitleg die namens eiseres op zitting is gegeven, is hiervoor tevens van belang dat het standpunt van verweerder niet terug te vinden is in het rapport van Bureau Documenten, waaruit blijkt dat geen uitspraak gedaan kan worden over de echtheid van het document. Namens eiseres is ter zitting bovendien terecht gesteld dat Bureau Documenten de huwelijksakte niet aan referent zou hebben geretourneerd als zij deze vals zouden hebben bevonden.

3.2.4.

Gelet op de overgelegde residence card en schoolkaart van eiseres, in samenhang bezien met de overgelegde huwelijksakte en hetgeen hiervoor is overwogen, foto’s van het huwelijk en een USB van de huwelijksceremonie, waarmee een onderbouwing is gegeven voor de gezinsband met referent, en gelet op het feit dat de namen van eiseres en referent vermeld staan op de echt bevonden doopakten van hun kinderen, en de naam van eiseres op de inenting- weegkaart van de kinderen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de overgelegde bewijsmiddelen niet zijn aan te merken als substantieel indicatief bewijs dat aanleiding kan zijn nader onderzoek aan te bieden. De beroepsgrond slaagt.

4. Eiseres voert voorts aan dat verweerder haar dan wel referent ten onrechte niet heeft gehoord naar aanleiding van het bezwaar.

4.1.

Het uitgangspunt is – zoals opgenomen in artikel 7:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) – dat er voor het bestuursorgaan een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen worden afgezien indien er sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. De vraag of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de indiener is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar, wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de nieuwe vaste gedragslijn van verweerder met de door eiseres overgelegde documenten op voorhand niet uit te sluiten was dat het bezwaar van eiseres niet tot een andersluidend besluit kon leiden. De rechtbank ziet hierin grond om tot het oordeel te komen dat eiseres en referent ten onrechte niet in bezwaar zijn gehoord. Ook deze beroepsgrond slaagt.

5. De rechtbank acht het bestreden besluit op grond van het voorgaande in strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb, als gevolg waarvan het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Nu de geconstateerde gebreken tot gevolg hebben dat verweerder de grondslag van het besluit alsnog aan een volledige heroverweging zal moeten onderwerpen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gebreken met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Om dezelfde reden ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6. Het beroep is gegrond.

7. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb zal de rechtbank gelasten dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseressen hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1002,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op € 168,- te betalen aan eiseressen als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1002,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van Y.D. Ancion, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.