Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13011

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
AWB 18/6999
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen niet tijdig beslissen ingetrokken na besluit van verweerder. Verzoek veroordeling van verweerder tot het betalen van de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/6999

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2018 op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam] , verzoekster,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 20 september 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 13 februari 2018. Dit bezwaar was gericht tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.

Verweerder heeft op 8 oktober 2018 alsnog een besluit genomen op het bezwaar. Vervolgens heeft de gemachtigde van verzoekster het beroep ingetrokken, met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Verweerder heeft schriftelijk meegedeeld bereid te zijn de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 125,25. Verweerder is van mening dat een wegingsfactor “zeer licht” van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Ter ondersteuning van dit standpunt wijst verweerder op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 april 20161 (de Afdeling).

De rechtbank ziet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aanleiding om uitspraak te doen zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. Indien niet tijdig is beslist, is sprake van tegemoetkomen als bedoeld in dit artikel als hangende beroep alsnog een besluit wordt genomen. Dit blijkt uit vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 20152. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering als de indiener wist dat op korte termijn een besluit zou worden genomen of als het besluit is genomen kort na ontvangst van noodzakelijke aanvullende gegevens van de indiener.

3. In het geval van verzoekster heeft verweerder erkend dat de beslistermijn is overschreden en heeft hij hangende het beroep een besluit genomen. De genoemde uitzonderingen zijn niet aan de orde.

4. Gelet hierop ziet de rechtbank voldoende aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekster tijdens de beroepsfase heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 250,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5 (licht)). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht omdat het bij dit beroep uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit en gelet op de recentere uitspraak van de Afdeling van 13 september 20173 dan die waar verweerder naar verwijst.

5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht ten bedrage van € 170,- aan verzoekster moet vergoeden. Daarom hoeft de rechtbank verweerder daartoe niet te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 501 (tweehonderdvijftig euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.

1 ECLI:NL:RVS:2016:904

2 ECLI:NL:RVS:2015:1753

3 ECLI:NL:RVS:2017:2471