Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13008

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
09/827538-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf en ontzegging rijbevoegdheid voor veroorzaken dodelijk verkeersongeval ‘s-Gravenzande

Een 27-jarige man uit ‘s-Gravenzande is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Verder is hij voor drie jaar zijn rijbewijs kwijt. Hij veroorzaakte een verkeersongeval. De 16-jarige passagier is 9 dagen later overleden.

Toedracht

Op 21 augustus 2017 reed de man in een bedrijfsbusje op de Naaldwijkseweg. In een bocht naar links is hij met zijn rechterwielen de berm ingereden. Hij gaf een ruk aan het stuur waardoor het busje weer op de weg kwam. Vervolgens verloor hij de controle over het voertuig. Een tegemoetkomende vrachtwagen kon een aanrijding niet meer voorkomen. Uit onderzoek bleek dat de man onder invloed was van alcohol en met een hogere snelheid had gereden dan plaatselijk toegestaan.

Bewezen

De rechtbank is van oordeel dat de man zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen en dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval met dodelijke afloop plaatsvond.

Straf

Bij de vraag welke straf moet volgen heeft de rechtbank zwaar laten meewegen dat de verdachte sinds het ongeval onder behandeling is van een psycholoog en bij de verslavingszorg en dat hij die behandeling trouw volgt. Hij laat vrijwillig iedere twee weken zijn bloed controleren op alcohol. Ook heeft hij blijk gegeven inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen en bij herhaling zijn spijt betuigd aan de nabestaanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827538-17

Datum uitspraak: 2 november 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,

[Adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 15 februari 2018 (pro forma) en 19 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. M.W. Renzen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 augustus 2017 te 's- Gravenzande , gemeente Westland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede

rijdende over de weg, de provincialeweg N467 , ter plaatse bekend als de Naaldwijkseweg , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

-Hij heeft aldaar gereden terwijl hij onder invloed was van alcohol en/of (vervolgens)

-Hij heeft aldaar gereden met een maximale snelheid van minimaal 130 kilometer per uur, althans met een snelheid boven de 100 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, althans met een gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid en/of (vervolgens)

-Hij heeft zijn motorrijtuig niet voldoende onder controle gehad ten gevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig gedeeltelijk in de rechterberm terecht is gekomen en/of (vervolgens) is hij met zijn motorrijtuig dwars op de rijbaan terechtgekomen en is hij aldaar in botsing gekomen met een aldaar rijdend/bevindend motorrijtuig (bedrijfsauto),

waardoor een ander (genaamd [Slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen te weten: ernstig hersentrauma en/of een gebroken arm en/of rib(ben) en/of een gebroken bekken ten gevolge waarvan die [Slachtoffer] op 30 augustus 2017 aan dat letsel is overleden, terwijl hij (verdachte) verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

2.

hij op of omstreeks 21 augustus 2017 te 's-Gravenzande , gemeente Westland , als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto (bestelauto)), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,9 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor beantwoording van de bewijsvraag.

Op 21 augustus 2017 omstreeks 17:30 uur heeft op de Provinciale weg N467 (de Naaldwijkseweg) te ‘s-Gravenzande , gemeente Westland een aanrijding plaatsgevonden.2 Hierbij zijn een door verdachte bestuurde Volkswagen Transporter en een Scania vrachtwagen met elkaar in botsing gekomen. [Slachtoffer] zat op dat moment als bijrijder bij verdachte in de auto. [Slachtoffer] is op 30 augustus 2017 overleden ten gevolge van het letsel dat hij door de aanrijding heeft opgelopen.3 Na het ongeval is bij verdachte bloed afgenomen voor onderzoek.4 Uit dit onderzoek is gebleken dat het bloedalcoholgehalte 1, 9 milligram per milliliter bloed bedroeg.5

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of verdachte een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot dit tragische ongeval. Daarbij is allereerst van belang vast te stellen of verdachte schuld – in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) – heeft aan het ongeval dat tot de dood van [Slachtoffer] heeft geleid (feit 1). Zo ja, dan moet vervolgens worden beoordeeld of verdachte zich roekeloos, dan wel zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen.

Tevens moet de rechtbank vaststellen of verdachte heeft gereden onder invloed van alcoholhoudende drank (feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde waarbij zij zich op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op de combinatie van het alcoholgebruik van verdachte en de te hoge snelheid waarmee hij heeft gereden, sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedrag. Daarnaast heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat hij gelet op het standpunt van de officier van justitie niet in zou gaan op de vraag of er sprake was van roekeloosheid. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1

Feitelijke omstandigheden van het ongeval

Over de toedracht van het ongeval heeft verdachte verklaard dat hij die dag samen met [Slachtoffer] aan het werk was bij een klus in [Plaats] . Het was de eerste werkdag van [Slachtoffer] bij verdachte. Rond 17:30 uur zijn zij gestopt met werken. Op weg naar huis reed verdachte over de Naaldwijkseweg vanuit de richting van ‘s-Gravenzande in de richting van de Heenweg . Op deze weg heeft hij vaker gereden.6 Verdachte weet nog dat hij de berm is ingereden en dat hij een verkeersbord heeft geraakt. Hierna kreeg hij zijn auto niet meer uit de berm en heeft hij een ruk naar links gegeven aan zijn stuur. Hierdoor is hij weer op de weg terecht gekomen. Op dat moment kwam een vrachtwagen op hem af en kon hij een botsing niet vermijden. Hoe hij precies in de berm terecht is gekomen weet hij niet meer.

Uit de verkeersongevallenanalyse naar de toedracht van het ongeval komt naar voren dat verdachte met zijn bedrijfsbusje in een bocht naar links met zijn rechterwielen in de rechterberm is gaan rijden. Door te accelereren heeft verdachte geprobeerd om zijn bedrijfsbusje onder controle te houden. Op het moment dat de rechterwielen uit de berm kwamen en weer grip kregen op het wegdek, heeft verdachte de controle over zijn bedrijfsbusje verloren. Hierdoor kwam dat nagenoeg dwars op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer terecht. Op dat moment kwam daar de vrachtwagen aangereden. De vrachtwagen heeft nog geprobeerd om een aanrijding met het bedrijfsbusje van verdachte te voorkomen door te remmen. Dit is niet gelukt, waarop de vrachtwagen in botsing is gekomen met het bedrijfsbusje van verdachte.

Voorts is uit het onderzoek gebleken dat ten tijde van de aanrijding de daarbij betrokken voertuigen rijtechnisch in voldoende staat verkeerden en dat zij geen gebreken en/of bijzonderheden vertoonden die mogelijk van invloed zijn geweest op het ongeval. Er waren geen bijzonderheden qua weergesteldheid, wegdek, objecten en verkeerssituatie die mogelijk van invloed zijn geweest op het ongeval.7

Snelheid

Ter plaatste gold een maximale snelheid van 60 kilometer per uur. Bij de verkeersongevallenanalyse zijn een indicatieve minimale snelheid van 100 kilometer per uur en een indicatieve maximale snelheid van 132 kilometer per uur berekend.8 Aanvullend is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) een wetenschappelijke snelheidsbepaling gemaakt van de snelheid van het bedrijfsbusje van verdachte bij aanvang van de aangetroffen sporen. Uit het rapport volgt dat met 99% zekerheid vast is komen te staan dat verdachte met een snelheid tussen de 77 kilometer per uur en 120 kilometer per uur heeft gereden bij aanvang van de afgetekende sporen.9

Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van het ongeval tussen de 60 en 70 kilometer per uur heeft gereden. Hij heeft daarbij medegedeeld dat hij niet op zijn kilometerteller heeft gekeken, maar dat hij zijn gereden snelheid heeft bepaald op basis van zijn gevoel.10 [Getuige] heeft verklaard dat verdachte ongeveer met een snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden op het moment dat het ongeval plaatsvond.11

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank uitgaan van een snelheid van het bedrijfsbusje van verdachte tussen de 77 en 120 kilometer per uur ten tijde van het ongeval.

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 het volgens vaste jurisprudentie aankomt op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van gedrag in strijd met een of meer verkeersregels worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Op grond van de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een bedrijfsbusje, op 21 augustus 2017 te ‘s-Gravenzande , zich – door het begaan van verkeersfouten, namelijk het ter plaatse rijden met een te hoge snelheid, het onvoldoende onder controle hebben van zijn voertuig en het gebruik van alcoholhoudende drank – zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden.

De vraag die de rechtbank hierna nog dient te beantwoorden is hoe het verkeersgedrag van verdachte juridisch kan worden gekwalificeerd.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van roekeloos rijgedrag. Daartoe is vereist dat er sprake is van bewustheid van het risico op ernstige gevolgen, waarbij er op zeer lichtzinnige wijze van wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren. Daarvan was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank oordeelt wel dat het gedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig kan worden beschouwd en dat hij niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie.

Verdachte heeft met bijna vier keer de toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank op gereden. Alcohol heeft een negatieve invloed op het beoordelingsvermogen en de reactiesnelheid. Verdachte was volstrekt niet in staat om auto te rijden en de nodige aandacht te geven aan de weg en andere verkeersdeelnemers die zich daarop bevonden. Hij is, zonder dat daarvoor enige aanleiding was, vlak voor een bocht in de rechterberm terechtgekomen. De bocht waar dit is gebeurd is, zo leidt de rechtbank uit het sporenonderzoek en de bijbehorende foto’s af, betreft een flauwe bocht naar links, zodat een normaal oplettende bestuurder tijd en gelegenheid zou hebben gehad om te corrigeren. Verdachte heeft evenwel niet die correctiehandelingen verricht die bij een oplettende bestuurder zijn te verwachten, zoals vaart minderen en bijsturen. Hij heeft zijn auto zodanig onvoldoende onder controle gehad, dat hij uiteindelijk dwars op de weg terecht is gekomen, op de weghelft bestemd voor tegemoetkomend verkeer, waar zijn busje werd aangereden door een tegemoetkomende vrachtwagen. Dit handelen, in het bijzonder het niet adequaat reageren en corrigeren, kan naar het oordeel van de rechtbank worden verklaard uit de mate waarin verdachte onder invloed van alcohol verkeerde. Daar komt bij dat verdachte tussen 77 en 120 kilometer per uur reed waar een snelheid van slechts 60 kilometer per uur was toegestaan. Verdachte was bekend met de situatie en er waren geen beletselen, objecten of iets anders wat maakte dat verdachte de situatie op dat moment niet kon overzien.

Conclusie

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat door het zeer onvoorzichtige rijden van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden en daardoor een ander is overleden, terwijl hij onder invloed van alcohol (1,9 milligram alcohol per milliliter bloed) verkeerde.

Feit 2

Gelet op het hierboven genoemde rapport van het NFI en de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij die middag alcohol heeft gedronken voordat hij in de auto stapte 12 acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcoholhoudende drank zoals strafbaar is gesteld in artikel 8, eerste lid, WVW.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 21 augustus 2017 te 's-Gravenzande , gemeente Westland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede

rijdende over de weg, de provincialeweg N467 , ter plaatse bekend als de Naaldwijkseweg , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig, als volgt te handelen:

  • -

    hij heeft aldaar gereden terwijl hij onder invloed was van alcohol en vervolgens

  • -

    hij heeft aldaar gereden met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, en vervolgens

  • -

    hij heeft zijn motorrijtuig niet voldoende onder controle gehad, ten gevolge waarvan zijn motorrijtuig dwars op de rijbaan terechtgekomen is en hij aldaar in botsing is gekomen met een aldaar rijdend motorrijtuig (bedrijfsauto),

waardoor een ander (genaamd [Slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen te weten ernstig hersentrauma, ten gevolge waarvan die [Slachtoffer] op 30 augustus 2017 is overleden, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2.

hij op 21 augustus 2017 te 's-Gravenzande , gemeente Westland , als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,9 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat gelet op de ernstige schuld van verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar wordt opgelegd, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs al ingevorderd en ingehouden is geweest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een taakstraf in combinatie met een hoge voorwaardelijke gevangenisstraf met een lange proeftijd en bijzondere voorwaarden op te leggen. De raadsman heeft voorts verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte in behandeling is bij Triora Verslavingszorg, hij wekelijks naar AA-meetings gaat, hij in behandeling is bij een psycholoog en hij vrijwillig om de twee weken zijn bloed laat testen op de aanwezigheid van alcohol. Daar komt bij dat verdachte een goedlopend eenmansbedrijf heeft en hij kostwinner is. Ook is zijn geestelijke gezondheid niet goed en heeft hij veel spijt van hetgeen hij heeft gedaan. Een eventuele gevangenisstraf dient geen redelijk doel meer en zal het leven van verdachte (opnieuw) laten instorten, aldus de raadsman.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en zijn gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft onder invloed van alcohol een verkeersongeval veroorzaakt waarbij zijn passagier [Slachtoffer] , zijn werknemer van slechts 16 jaar oud, is overleden.

Tijdens het werk heeft hij een fles sterke drank gehaald om zijn kater van de vorige avond beter te kunnen verdragen. Verdachte heeft hierna onaanvaardbare risico’s genomen door na het drinken van bijna vier keer de toegestane hoeveelheid alcohol te gaan rijden, met [Slachtoffer] als passagier. Als bestuurder – en werkgever – was hij verantwoordelijk voor [Slachtoffer] . Het leed dat verdachte de nabestaanden heeft aangedaan is groot en onherstelbaar, zoals ook naar voren is gekomen uit de verklaring die de moeder van [Slachtoffer] ter terechtzitting heeft afgelegd. [Slachtoffer] zal nooit zijn plannen voor de toekomst waar kunnen maken en zij zullen door het leven moeten zonder hun zoon en broertje die midden in het leven stond. Maar ook buiten de kring van onmiddellijk betrokkenen doen de gevolgen van ongevallen als dit zich voelen. Hierbij is de rechtbank zich ervan bewust dat geen enkele straf het leed dat is veroorzaakt kan compenseren.

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van verdachte acht geslagen op het rapport van de reclassering van 27 oktober 2017 en het voortgangsverslag van 1 oktober 2018 . De reclassering maakt zich zorgen om het alcoholgebruik van verdachte. Voorafgaand aan het ongeval had verdachte zijn leven goed op orde: een vaste relatie, een goedlopend bedrijf en een eigen koopwoning. Naar aanleiding van het ongeval heeft verdachte last van posttraumatische stressklachten. Hij heeft herbelevingen, kan zich moeilijk concentreren en slaapt slecht. De kans op herhaling acht de reclassering laag. De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een alcoholverbod en schadevergoeding. Uit het voortgangsverslag blijkt dat verdachte na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis zich goed heeft gehouden aan de daarbij behorende voorwaarden. Hij is zijn meldplicht goed nagekomen en is onder behandeling bij een psycholoog en bij Triora Verslavingszorg. Ook daar komt hij zijn afspraken goed na en is hij behandeltrouw. Daarnaast laat verdachte vrijwillig iedere twee weken zijn bloed controleren op de aanwezigheid van alcohol, tot dusverre steeds met negatief resultaat. De reclassering handhaaft het eerder gedane advies en merkt daarbij op dat de ingezette behandelingen een positieve bijdrage leveren aan de gedragsverandering van verdachte en het recidiverisico.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij veel spijt heeft van hetgeen hij heeft gedaan en dat hij nooit meer alcohol zal drinken.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verdachte blijkens een uittreksel uit de Justitiële documentatie d.d. 19 september 2018 , eerder is veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol.

In een zaak waarin sprake is van een ernstige verkeersfout (waaronder ook begrepen rijden onder invloed) die tot een dodelijk slachtoffer heeft geleid, is – gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting – het uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en 4 jaren ontzegging van de rijbevoegdheid.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de ernst van de feiten zonder meer rechtvaardigen dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd. Niettemin zal de rechtbank afwijken van de eis van de officier van justitie en voornoemde oriëntatiepunten. De rechtbank zal aan verdachte een lagere gevangenisstraf opleggen, waarvan een deel in voorwaardelijke vorm zal worden opgelegd, waarbij hierna te vermelden bijzondere voorwaarden zullen worden opgelegd. De reden hiervoor is gelegen in de persoon van verdachte zoals hiervoor omschreven en de manier waarop hij na het ongeval zijn verslaving heeft opgepakt en dit nog steeds doet. Tevens heeft de rechtbank laten meewegen dat de gevolgen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte zeer groot zullen zijn. Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte, bij herhaling, spijt heeft betuigd aan de nabestaanden en dat hij ter terechtzitting, binnen zijn mogelijkheden, blijk heeft gegeven inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een hierna te noemen onvoorwaardelijke ontzegging tot het besturen van motorrijtuigen van aanzienlijke duur opleggen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en bijkomende straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 14d en 55 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en die het bewezenverklaarde uitmaken:

eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;

en

overtreding van artikel 8, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 8 (ACHT) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland (Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Brijder verslavingszorg of een soortgelijke ambulante verslavingszorg, zulks ter beoordeling van de reclassering , waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan controle met door de reclassering te bepalen controlemiddelen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt verdachte voorts tot:

- ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 3 (DRIE) jaren;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. van Essen, voorzitter,

mr. M.J.C. Dijkstra, rechter,

mr. M.M. Dolman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Peet, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 november 2018.

Mr. M.M. Dolman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017238533-1, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 136).

2 Proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse, p. 74 onder 2.2 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 31.

3 Proces-verbaal van misdrijf, p. 6.

4 Proces-verbaal van misdrijf, p. 62.

5 Een geschrift te weten een rapport alcohol in het verkeer d.d. 1 september 2017 opgesteld en ondertekend door [Apotheker-Toxicoloog] , p. 67.

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 19 oktober 2018 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 32.

7 Proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse, p. 74.

8 Proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse, p. 74-75.

9 Een geschrift, te weten een rapport Snelheidsbepaling naar aanleiding van een verkeersongeval in ’s-Gravenzande op 21 augustus 20107, d.d. 22 mei 2018, opgesteld en ondertekend door ing. [naam] , p. 103.

10 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 19 oktober 2018.

11 Proces-verbaal van verhoor [Getuige] , p. 42.

12 Zie noten 4 en 5 en verklaring verdachte ter terechtzitting van 19 oktober 2018.