Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12901

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
09/827106-18 e.a.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld voor zes feiten, waaronder drie mishandelingen waarbij dit twee maal tot een botbreuk bij het slachtoffer heeft geleid.

Er is een GBM en een voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd, beiden dadelijk uitvoerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer (jeugd)strafzaken

Parketnummer 09/827106-18, 09/020412-18 (t.t.g.) en 09/255745-17 (t.t.g.)

Datum uitspraak: 25 oktober 2018

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft dit vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaken zijn op de zitting van 11 oktober 2018, met gesloten deuren behandeld.

De officier van justitie in deze zaken was mr. D. Kortekaas en de raadsvrouw van de verdachte mr. J.I. Echteld.

2 De tenlastelegging

Er zijn drie verschillende dagvaardingen die tegelijkertijd op de zitting zijn behandeld.

Op dagvaarding 1 (09/827106-18) staat vermeld dat de verdachte wordt verdacht van de volgende vier feiten:

  • -

    zware mishandeling of mishandeling met zwaar letsel als gevolg (feit 1);

  • -

    diefstal van een mobiele telefoon (feit 2);

  • -

    belediging van drie politieambtenaren terwijl zij aan het werk waren (feit 3);

  • -

    mishandeling van zijn moeder (feit 5).

Feit 4 staat niet op deze dagvaarding.

Op dagvaarding 2 (09/020412-18) wordt beschreven dat de verdachte wordt verdacht van diefstal in vereniging of opzetheling van een fiets.

Op dagvaarding 3 (09/255745-17) staat vermeld dat de verdachte een mishandeling zou hebben gepleegd.

Deze, in totaal, zes feiten staan beschreven in een bijlage bij dit vonnis (bijlage 1).

3 Standpunten en beoordeling

Dagvaarding 1 1

3.1

Feit 1

Zware mishandeling of mishandeling met zwaar letsel als gevolg op

17 februari 2018

De aangever [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van zware mishandeling. Hij was

’s nachts met een aantal vrienden in een soort loods, die hoort bij de woning van een vriend van hem. Terwijl hij daar op een hometrainer zat, werd hij hard naar achteren getrokken waardoor hij op de grond viel. Daarna voelde hij een klap op zijn voorhoofd. Hij had daarbij het idee dat dit een vuistslag was omdat hij knokkels op zijn voorhoofd voelde. De aangever raakte naar zijn idee enigszins buiten bewustzijn, maar voelde meerdere dreunen of klappen tegen zijn hoofd. Daarna is hij helemaal buiten bewustzijn geraakt. Toen hij weer bijkwam, lag hij op een bank en zat de verdachte op dezelfde bank.

Tijdens het doen van de aangifte, voelde de aangever een stekende pijn aan de rechterkant van zijn hoofd en dan vooral bij zijn oogkas.2 Hij voelde zich zo slecht dat de politie een ambulance voor hem heeft gebeld die de aangever naar het ziekenhuis heeft gebracht.

De forensisch arts. [naam 1] heeft, op basis van informatie van de kaakchirurg, aan de politie laten weten dat bij de aangever sprake was van een botbreuk van het rechter jukbeen. Er heeft geen operatie plaatsgevonden. De inschatting was dat de breuk na zes weken is genezen.3

Getuige, [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat de verdachte en de aangever aan het vechten waren. De verdachte zat op de aangever die op de grond lag. De getuige heeft gezien dat de verdachte meerdere keren met gebalde vuisten op het gezicht van de aangever stompte. Verder zag hij dat de verdachte opstond en een aantal keer met kracht tegen het lichaam van de aangever schopte, maar hij zag niet waar de aangever precies werd geraakt.4

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de aangever twee of drie klappen met zijn vuist heeft gegeven. Hij weet niet meer precies waar deze klappen terecht zijn gekomen.5 Toen de aangever op de grond lag, heeft de verdachte hem nog een klap met zijn vuist in het gezicht gegeven. De verdachte heeft, zover hij weet, de aangever niet geschopt.6

De verdachte heeft verder bij de politie verteld dat hij op de bewuste avond wodka en bier had gedronken. Hij vond zelf dat hij een beetje aangeschoten was.7

Op de zitting heeft de verdachte verteld dat hij de aangever niet van achteren van een hometrainer heeft getrokken. Het gevecht ontstond nadat ze tegen elkaar aan liepen.

De verdachte heeft de aangever twee klappen gegeven, maar had nooit verwacht dat hij daarbij dergelijk letsel zou oplopen. De verdachte vindt dat hij niet had moeten slaan.8

3.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd de verdachte vrij te spreken van zware mishandeling, maar bewezen te verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Daarbij kan niet bewezen worden verklaard dat de verdachte heeft geschopt en dat de mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

3.1.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft - net als de officier van justitie - aangegeven dat alleen de mishandeling bewezen kan worden verklaard. Daarbij kan niet bewezen worden verklaard dat de verdachte heeft geschopt.

De verdachte ontkent dit en de verklaring van één getuige hierover is niet voldoende.

Afgaande op uitspraken van de Hoge Raad, is er geen sprake van zware mishandeling of zwaar lichamelijk letsel onder andere omdat het letsel naar verwachting binnen zes weken zal genezen.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, dat er te weinig bewijs is om vast te stellen dat de verdachte een zware mishandeling heeft gepleegd.

Het slachtoffer heeft door toedoen van de verdachte een nare botbreuk in het gezicht opgelopen, maar dat letsel is volgens de regels van de wet en de uitleg van de Hoge Raad hierover, niet zo ernstig dat gesproken kan worden van zwaar lichamelijk letsel, met name omdat operatief ingrijpen niet was vereist en er kans is op volledig herstel binnen niet al te lange termijn. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

De rechtbank vindt dat wel bewezen kan worden dat de verdachte een mishandeling heeft gepleegd. De rechtbank gelooft de aangever als hij zegt dat hij door de verdachte naar achteren is getrokken. De rechtbank gelooft ook dat het slachtoffer meerdere keren is geschopt. Hierover is verklaard door getuige [getuige] en de rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. De rechtbank is echter van oordeel dat deze mishandeling, zoals hierboven ook is te lezen, geen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

3.2

Feit 2

Diefstal van een mobiele telefoon op 17 februari 2018

De aangever heeft aangifte gedaan van de diefstal van zijn telefoon. Dit zou hebben plaatsgevonden na de mishandeling (zie 3.1.). De aangever zag dat de verdachte zijn telefoon in zijn handen had en er mee wegliep.9

Getuigen [getuige]10 en [getuige]11 hebben allebei verklaard dat de verdachte wegliep met de telefoon van het slachtoffer.

De verdachte heeft op de zitting bekend dat hij de telefoon uit de handen van het slachtoffer heeft getrokken en daarmee vervolgens is weggefietst.12

3.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd bewezen te verklaren dat de verdachte de telefoon heeft gestolen.

3.2.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangegeven dat de diefstal van de telefoon bewezen kan worden verklaard.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Het slachtoffer heeft aangifte gedaan, er zijn twee getuigen die zagen dat de verdachte de telefoon van de aangever in zijn handen had en de verdachte heeft het feit bekend.

De rechtbank vindt daarom dat bewezen kan worden dat de verdachte de mobiele telefoon heeft gestolen.

3.3

Feit 3

Belediging van politieambtenaren terwijl zij aan het werk waren op

17 februari 2018

Aangevers [aangever 1]13 en [aangever 2]14, die allebei bij de politie werken, hebben verklaard dat verdachte bij zijn aanhouding meerdere keren de woorden die bij dit feit op de tenlastelegging staan, naar hen heeft geroepen. Zij voelen zich hierdoor in hun eer en goede naam aangetast.

Mevrouw [naam 1] , die ook bij de politie werkt, heeft aangegeven dat de verdachte, toen hij op het politiebureau voor haar stond, zijn beide middelvingers naar haar opstak.15

De verdachte heeft bij de politie16 en op zitting17 bekend dat hij verschillende woorden naar de politieambtenaren heeft geroepen omdat hij door één van deze ambtenaren bij de keel werd gegrepen. Hij zou ook zo gereageerd hebben wanneer hij niet gedronken had. Hij was erg boos over de manier waarop hij is aangehouden.

De verdachte heeft bij de politie ook bekend dat hij zijn middelvingers naar een politieambtenaar heeft opgestoken.18

3.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd bewezen te verklaren dat de verdachte de politieambtenaren heeft beledigd.

3.3.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangegeven dat de belediging bewezen kan worden verklaard.

3.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De twee aangiftes, de verklaring van mevrouw [naam 1] en de bekentenis van de verdachte zijn voor de rechtbank genoeg om bewezen te verklaren dat de verdachte de politieambtenaren heeft beledigd, terwijl zij aan het werk waren.

3.4

Feit 5

Mishandeling van zijn moeder in de periode van 17 juni 2018 tot en met

27 juni 2018

De moeder van de verdachte heeft bij de politie verklaard dat de verdachte haar een aantal trappen tegen haar been heeft gegeven. De volgende dag zou hij haar op het bed hebben gegooid en haar vervolgens geslagen en getrapt hebben.19 De moeder heeft aangegeven hier een hersenschudding en meerdere plekken op haar arm en benen aan overgehouden te hebben. De moeder heeft geen aangifte willen doen.

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij een reden had voor zijn gedrag, maar dat hij die reden niet verder wil toelichten. Hij beaamde wel dat het hem dwars zat dat zijn moeder een relatie met een vriend van hem was aangegaan.20

3.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd bewezen te verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn moeder.

3.4.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangegeven dat de mishandeling bewezen kan worden verklaard.

3.4.3

Het oordeel van de rechtbank

De verklaring van de moeder, samen met de verklaring van de verdachte op de zitting zijn voor de rechtbank voldoende om bewezen te verklaren dat de verdachte zijn moeder heeft mishandeld.

Dagvaarding 2 21

3.5

Diefstal in vereniging of opzetheling op 30 augustus 2017

De aangever [aangever 3] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn fiets.22 Op een later moment zag de aangever dat zijn fiets te koop werd aangeboden op Marktplaats.23

Er konden twee verdachten worden aangehouden die beiden hebben verklaard dat de verdachte deze fiets aan hen heeft verkocht en dat zij de fiets wilden doorverkopen.24

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de fiets niet heeft gestolen, maar dat hij wel bij de diefstal aanwezig was door iemand anders waarvan hij de naam niet wil noemen, en dat hij van de diefstal wist. Hij heeft de fiets aan de twee andere verdachten verkocht.25

3.5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd de verdachte vrij te spreken van diefstal in vereniging, maar bewezen te verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Hij heeft namelijk de fiets proberen te verkopen, terwijl hij wist dat deze gestolen was.

3.5.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw is van mening dat de opzetheling van de fiets bewezen kan worden verklaard.

3.5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, dat er te weinig bewijs is om vast te stellen dat de verdachte de diefstal in vereniging heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Op basis van de aangifte, de twee verklaringen van de jongens die de fiets hebben gekocht en de verklaring van de verdachte zelf dat hij de fiets, waarvan hij wist dat deze gestolen was, heeft verkocht, vindt de rechtbank dat bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de fiets.

Dagvaarding 3 26

3.6

Mishandeling op 27 augustus 2017

De aangever [aangever 4] heeft in zijn aangifte bij de politie verklaard dat hij in de nacht, na een feest, met een aantal vrienden buiten was. Hij zag op een gegeven moment een andere groep jongeren waarin ook de verdachte zich bevond. Hij werd door de verdachte apart genomen en voelde dat de verdachte hem met zijn vuist in zijn zij en vervolgens op zijn schouderblad sloeg. Dit deed de aangever pijn. Kort daarna zag en voelde de aangever dat de verdachte hem hard op zijn voet trapte waardoor hij viel. Hij had opnieuw veel pijn.27

De aangever had een zwelling aan zijn linkervoet en een breuk van het vijfde middenvoetsbeentje. De geschatte duur van de genezing is gesteld op één tot twee maanden28.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte de aangever op zijn bovenbeen trapte en vervolgens uithaalde naar het been van de aangever. Toen de ruzie eigenlijk al klaar was, schopte de verdachte nog een keer op de bovenkant van de voet van de aangever, waardoor de aangever weer ten val kwam.29

Getuige [getuige] heeft verteld dat hij zag dat de aangever en een andere jongen aan het duwen en trekken waren. Hij zag dat de jongen een klap gaf op de arm van de aangever en hem vervolgens een trap op zijn enkel gaf.30

Getuige [getuige] heeft verklaard dat de aangever klappen heeft gekregen van de verdachte.31

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de aangever, met wie hij eerder ruzie had gehad, heeft weggeduwd en hem daarna nog een keer heeft geduwd. Vervolgens heeft hij de aangever een trap gegeven die terecht kwam in de buurt van zijn voet.32

Op zitting herhaalt de verdachte deze verklaring en zegt hij dat hij die nacht veel had gedronken en drugs had gebruikt. Het was een ongeluk dat het middenvoetsbeentje van de aangever is gebroken.33

3.6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd bewezen te verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een mishandeling. Deze mishandeling heeft volgens de officier van justitie geen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg gehad.

3.6.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangegeven dat de mishandeling bewezen kan worden verklaard.

Afgaande op uitspraken van de Hoge Raad, is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel onder andere omdat de verwachting is dat de breuk binnen één tot twee maanden genezen is.

3.6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt dat bewezen kan worden dat de verdachte een mishandeling heeft gepleegd. Er is een aangifte, er zijn getuigen die verklaren over klappen die zijn uitgedeeld en over de trap in de richting van de voet en de verdachte heeft bekend dat hij een trap heeft gegeven in de richting van zijn voet.

Het slachtoffer heeft door toedoen van de verdachte een breuk in de voet opgelopen, maar dat letsel is volgens de regels van de wet en de uitleg van de Hoge Raad hierover, niet zo ernstig dat gesproken kan worden van zwaar lichamelijk letsel.

3.7

De bewezenverklaring

De rechtbank vindt dat van dagvaarding 1 de mishandeling (feit 1), de diefstal (feit 2),

de belediging van politieambtenaren (feit 3) en de mishandeling van zijn moeder (feit 5), volgens de wet bewezen kunnen worden.

Van dagvaarding 2 vindt de rechtbank de opzetheling bewezen en van dagvaarding 3 de mishandeling.

De rechtbank is er ook van overtuigd dat de verdachte al deze bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd.

De tekst van deze bewezenverklaring staat in bijlage 2 bij dit vonnis.

4 De strafbaarheid van de feiten

De feiten die de verdachte heeft gepleegd, zijn strafbare feiten. Uit niets blijkt dat deze feiten niet strafbaar zouden zijn.

In de beslissing staat hoe deze feiten volgens de wet worden beschreven.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is ook strafbaar voor het plegen van deze feiten, omdat nergens uit volgt dat de verdachte niet strafbaar is.

De psycholoog, die de verdachte heeft onderzocht, is van mening dat de feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend vanwege de stoornissen die bij de verdachte zijn vastgesteld en die er ook al waren op het moment van de feiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om de verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie van 97 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk. De verdachte hoeft deze

30 dagen niet vast te zitten zolang hij zich in de proeftijd van twee jaar aan de voorwaarden houdt. De tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht wordt van de detentiestraf afgetrokken. De voorwaarden zouden moeten zijn dat de verdachte zich meldt bij de jeugdreclassering en dat hij een dagbesteding heeft. Of een opname in een instelling ook een voorwaarde zou moeten zijn, wordt aan de rechtbank overgelaten. De officier van justitie vraagt om de voorwaarden direct in te laten gaan (dadelijke uitvoerbaarheid).

Daarnaast heeft de officier van justitie gevraagd om een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: GBM) op te leggen voor 12 maanden. Deze maatregel zou moeten bestaan uit MultiDimensionele FamilieTherapie (hierna: MDFT), Individuele Traject Begeleiding (hierna: ITB) Harde Kern, Elektronische Controle (enkelband) en urinecontroles. Wanneer de verdachte zich niet aan dit pakket aan hulpverlening houdt, moet hij 6 maanden vastzitten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw vindt het vooral van belang dat de verdachte door kan gaan met MDFT omdat hij vertrouwen heeft in zijn begeleidster en er eindelijk resultaten worden geboekt. Deze vorm van hulp is beter voor zijn toekomst dan een opname in een instelling. De verdachte wil dat niet en ook al eerder, in de jeugdgevangenis, is duidelijk geworden dat hij een verblijf in een instelling heel lastig vindt. De hulp van MDFT kan onderdeel zijn van de GBM. Uitbreiding van deze hulp zou een mogelijkheid zijn. Ook tegen het opleggen van de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden heeft de raadsvrouw zich niet verzet.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Om te bepalen welke straf en/of maatregel voor de verdachte gepast is, kijkt de rechtbank naar de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder ze zijn begaan en ook naar de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich tot drie keer toe zeer agressief gedragen; hij heeft twee jongens en zelfs zijn moeder geslagen en geschopt. De verdachte heeft de slachtoffers pijn gedaan, twee slachtoffers hebben een botbreuk opgelopen en zij hebben nog lange tijd nodig gehad om te herstellen.

Op de zitting is verteld wat de gevolgen van het geweld voor slachtoffer [slachtoffer] zijn (geweest). Het slachtoffer wordt nog steeds herinnerd aan wat er is gebeurd en daar heeft hij last van. Het gebruik van geweld kan ook andere mensen een onveilig gevoel geven, zoals bijvoorbeeld mensen die de mishandelingen hebben gezien of mensen die in de krant hebben gelezen dat het dicht bij hun huis is gebeurd.

De verdachte heeft ook drie politieambtenaren beledigd. Hij heeft nare kwetsende woorden tegen hen gezegd en zijn middelvingers opgestoken. Politieambtenaren moeten hun werk kunnen doen zonder dat zij respectloos worden behandeld.

De verdachte heeft verder nog een telefoon gestolen en een gestolen fiets verkocht.

De verdachte moet van de spullen van anderen afblijven. Dit soort feiten zijn heel vervelend voor de mensen die daarvan slachtoffer zijn.

De rechtbank heeft de rapporten gelezen van de Raad, de jeugdreclassering en de psycholoog.

In het rapport van de psycholoog, [psycholoog] van 14 september 2018 leest de rechtbank dat de verdachte licht verstandelijk beperkt is, dat hij een oppositionele-opstandige- en een periodiek explosieve stoornis heeft en dat hij een stoornis heeft in het gebruik van cannabis. Hierdoor kan de verdachte bepaalde situaties en de risico’s en gevolgen van zijn gedrag niet altijd goed inschatten. De verdachte heeft moeite om zijn boosheid onder controle te houden. Hij kan daarbij agressief reageren omdat hij onvoldoende heeft geleerd om op een meer passende manier te reageren. Als hij alcohol drinkt, kan hij nog sneller boos worden.

De verdachte heeft moeite met het inzien van zijn eigen aandeel in situaties en legt de schuld voor zijn problemen bij anderen. Hij lijkt alleen agressie te kunnen inzetten om met problemen om te gaan. Door zijn jeugd en opvoeding heeft hij niet geleerd rekening te houden met regels en het gezag van autoriteitsfiguren en is hij zelfbepalend. Hij herkent zijn eigen boosheid vaak lange tijd niet en deze komt dan uiteindelijk tot een uitbarsting als hij het gevoel heeft belaagd te worden.

De kans op herhaling van gewelddadig gedrag wordt, als de verdachte geen behandeling krijgt, als matig tot hoog ingeschat.

De psycholoog adviseert de rechtbank om de verdachte een Gedragsbeïnvloedende Maatregel (hierna: GBM) voor de duur van 12 maanden op te leggen. Een onderdeel daarvan moet zijn dat de verdachte gaat wonen in een instelling waar hij geholpen kan worden bij het omgaan met zijn stoornissen en waar hij voordeel kan hebben van de duidelijke regels en structuur die daar geboden worden.

Verder zou het goed zijn wanneer de verdachte intensieve begeleiding krijgt om meer zelfstandig te worden en voor het omgaan met middelen.

De Raad ondersteunt het GBM-advies en adviseert om de maatregel in te vullen met MDFT, begeleiding door de jeugdreclassering in de vorm van ITB Harde Kern, Elektronische Controle en een avondklok.

De Raad adviseert verder om, naast de GBM ook een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Eén van de voorwaarden zou volgens de Raad moeten zijn dat hij zich zal melden bij de jeugdreclassering en dat hij behandeling zal volgen in een instelling wanneer de jeugdreclassering dat nodig vindt.

Op de zitting is namens de Raad verder uitgelegd dat de verdachte dan in een instelling zou moeten wonen waar hij niet zomaar zelf naar buiten kan gaan (besloten). Verder vindt de Raad het belangrijk dat de verdachte onderwijs volgt of een dagbesteding heeft.

De Raad geeft daarbij het advies om zowel de GBM als de voorwaarden van de voorwaardelijke jeugddetentie dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De jeugdreclassering vindt ook dat een GBM en een opname in een instelling goed zouden zijn voor de verdachte. De jeugdreclassering ziet dat de verdachte goed meewerkt aan MDFT, maar vraagt zich af of deze hulp voldoende voor hem is. In een instelling zijn er meer mogelijkheden om met de problemen van de verdachte aan de slag te gaan. Het is nog niet duidelijk waar de verdachte zou kunnen gaan wonen. Er zijn meerdere instellingen die hem, onder andere vanwege zijn leeftijd en het feit dat hij blowt, niet willen opnemen.

Toepasselijk recht

De vraag die de rechtbank eerst moet beantwoorden is of de verdachte voor de mishandeling van zijn moeder (feit 5, dagvaarding 1) volgens het jeugdstrafrecht of het gewone strafrecht bestraft moet worden. De verdachte was tijdens het plegen van dit feit 18 jaar oud.

Eigenlijk is dus het gewone strafrecht, het strafrecht voor volwassenen aan de orde. Maar de rechtbank heeft bij jongvolwassen van 18 tot 23 jaar de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dat kan de rechtbank doen wanneer de persoon van de verdachte zelf of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daar aanleiding voor geven.

De rechtbank vindt, vooral gebaseerd op de persoon van de verdachte en wat daarover door de deskundigen is opgeschreven dat de verdachte beter gestraft kan worden met toepassing van het jeugdstrafrecht dan met toepassing van het gewone strafrecht.

De op te leggen straf / maatregel

Een GBM kan alleen worden opgelegd als het gaat om een heel ernstig feit of om veel feiten en wanneer deze maatregel de verdachte kan helpen om zich zo goed mogelijk verder te ontwikkelen.

De verdachte wordt veroordeeld voor zes feiten. Al deze feiten hebben ongemak, verdriet of pijn veroorzaakt, maar met name de drie mishandelingen zijn heel ernstig omdat de verdachte toen flink geweld heeft gebruikt en de slachtoffers hierbij aanzienlijk gewond zijn geraakt. De schade en het letsel door de mishandelingen zijn nu niet blijvend, maar dat is niet de verdienste van de verdachte. Met name de mishandeling van [slachtoffer] (feit 1, dagvaarding 1) had ook beslist anders kunnen aflopen, gelet op de ongeremde agressie die de verdachte daarbij toonde.

Verder heeft de rechtbank in de rapporten kunnen lezen dat verdere hulp van belang is voor de ontwikkeling van de verdachte, vooral om te voorkomen dat eventuele strafbare feiten in de toekomst een nog slechtere afloop hebben.

De rechtbank zal daarom de GBM opleggen.

De rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van 12 maanden. Deze tijd is nodig omdat de verdachte veel problemen heeft en het tijd kost om daaraan te werken.

De maatregel bestaat uit een programma waaraan de verdachte zich moet houden.

Voor de invulling van de GBM vindt de rechtbank het vooral van belang dat de verdachte goed blijft meewerken aan de begeleiding van MDFT. Deze begeleiding is intensief en de verdachte heeft vertrouwen in zijn begeleidster. De rechtbank vindt dit positief en zal deze vorm van begeleiding dan ook opnemen als onderdeel van de GBM.

De rechtbank zal ook de geadviseerde begeleiding door de jeugdreclassering, de eerste zes maanden in de vorm van ITB Harde Kern, als onderdeel van het programma opnemen, ondersteund door Elektronische Controle.

Verder zal de rechtbank opnemen dat de verdachte geen middelen mag gebruiken. Dit vindt de rechtbank van belang omdat de verdachte ten tijde van een aantal feiten alcohol had gebruikt, wat hem sneller boos maakt, en had geblowd. Daarbij speelt mee dat de verdachte een stoornis in het cannabisgebruik heeft. Om te controleren of de verdachte zich aan dit middelenverbod houdt, zullen er bloed- en urinecontroles uitgevoerd worden.

De psycholoog, de Raad en de jeugdreclassering hebben geadviseerd om de verdachte verplicht te laten opnemen in een instelling. De rechtbank neemt dit advies niet over, omdat zo’n opname in de weg kan staan aan de vertrouwensband tussen de verdachte en zijn begeleidster van MDFT en de rechtbank vooral wil stimuleren dat datgene waaraan de verdachte nu met zijn begeleidster werkt verder wordt versterkt en uitgebouwd.

De verdachte is inmiddels ruim achttien jaar oud. Hij heeft in het verleden uithuisplaatsingen meegemaakt. Hulp en begeleiding is noodzakelijk, maar moet ook haalbaar zijn en zal het beste resultaat opleveren met de inzet en medewerking van de verdachte. Dat maakt dat de rechtbank kiest voor voortzetting van de al in detentie gestarte MDFT en niet voor een opname in een instelling.

Het programma van de GBM kan bovendien volgens de wetgever niet bestaan uit een vrijheidsbenemende plaatsing.

Wanneer de verdachte zich niet aan de onderdelen van de GBM houdt, dan vindt de rechtbank dat de verdachte 3 maanden jeugddetentie moet uitzitten. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat de verdachte vanwege zijn ontwikkeling kwetsbaar is en hij het eerder moeilijk heeft gehad binnen de jeugdgevangenis.

Het programma van de GBM kan dadelijk uitvoerbaar worden verklaard omdat aan het criterium van artikel 77w, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, aangezien in de verschillende rapporten is te lezen dat de kans matig tot groot is dat de verdachte weer strafbare feiten zal plegen als hij niet snel behandeld wordt en dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is.

De rechtbank vindt, naast de GBM, jeugddetentie een passende straf, vanwege het grote aantal strafbare feiten dat de verdachte heeft gepleegd en de ernst daarvan. De verdachte heeft echter een tijd in voorlopige hechtenis gezeten en deze tijd gaat van de duur van de jeugddetentie af. Het overige deel van de jeugddetentie wordt voorwaardelijk opgelegd en hoeft hij dus alleen te ondergaan als hij zich niet aan bepaalde voorwaarden houdt.

De rechtbank vindt de begeleiding door de jeugdreclassering, ook wanneer de GBM ophoudt, erg belangrijk.

De proeftijd stelt de rechtbank vast op 2 jaar.

Het toezicht en de voorwaarden bij de voorwaardelijke jeugddetentie kunnen ook dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, omdat de kans dat de verdachte weer geweldsdelicten zal plegen groot is. Dit blijkt uit het feit dat de verdachte meerdere mishandelingen heeft gepleegd en problemen heeft om zijn boosheid onder controle te houden. Daarmee is voldaan aan het criterium van artikel 77za, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank gaat ervanuit dat de proeftijd ingaat op het moment van de uitspraak, omdat er dadelijke uitvoerbaarheid wordt bevolen.

7 De vordering van de benadeelde partijen

7.1

Dagvaarding 1, feit 1

[slachtoffer] heeft een vordering ingediend voor het bedrag van € 625,- aan immateriële schade, kort gezegd smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd het bedrag te verlagen, met afwijzing van het overige deel van de vordering en dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.1.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw van de verdachte heeft ook verzocht het bedrag te verlagen en daarnaast heeft zij verzocht de eventuele vervangende jeugddetentie op 1 dag te bepalen.

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt dat de verdachte € 625,- aan immateriële schade moet betalen.

De benadeelde partij heeft door toedoen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen.

Ook heeft de mishandeling ingrijpende gevolgen gehad voor de psychische gesteldheid van de benadeelde. De rechtbank ziet geen redenen om dit bedrag te verlagen, want het is een redelijk bedrag.

Daar komt de wettelijke rente ook nog bij, te reken vanaf de dag dat de mishandeling is gepleegd (17 februari 2018), tot de dag dat het bedrag is betaald.

Dit brengt mee dat de verdachte ook moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.

De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 0,00.

De rechtbank zal aan de verdachte ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat hij het bedrag aan de staat moet betalen en de staat ervoor zorgt dat het geld bij de benadeelde partij terecht komt.

Als de verdachte het bedrag dan niet betaalt, zal hij een jeugddetentie van 12 dagen moeten ondergaan. Ook daarna zal hij nog verplicht zijn om het bedrag te betalen. De rechtbank ziet geen reden om het aantal dagen jeugddetentie te verlagen, aangezien er een serieuze prikkel tot betaling van de schadevergoeding moet zijn.

7.2

Dagvaarding 3

[naam 1] heeft namens [aangever 4] een vergoeding gevraagd voor de schade die is ontstaan door de mishandeling. [naam 1] heeft een vordering ingediend voor € 187,38, vermeerderd met de wettelijke rente.

7.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd de vordering toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie van verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw is van mening dat de vordering toegewezen kan worden.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt dat de verdachte de kosten van € 187,38 moet betalen, omdat hij deze schade ook heeft veroorzaakt. Daar komt de wettelijke rente ook nog bij, te rekenen vanaf de dag dat de mishandeling is gepleegd (27 augustus 2017), tot de dag dat het bedrag is betaald.

De rechtbank zal aan de verdachte ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat hij het bedrag aan de staat moet betalen en de staat ervoor zorgt dat het geld bij de benadeelde partij terecht komt.

Als de verdachte het bedrag dan niet betaalt, zal hij een jeugddetentie van 3 dagen moeten ondergaan. Ook daarna zal hij nog verplicht zijn om het bedrag te betalen.

Dit brengt mee dat de verdachte ook moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.

De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 0,00.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen:

36f, 77a, 77c, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 267, 300, 304, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals ze golden op het moment dat de feiten gepleegd werden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

dagvaarding 1 feit 1 primair;

dagvaarding 2 primair;

en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wel wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:

dagvaarding 1 feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, feit 5;

dagvaarding 2 subsidiair;

dagvaarding 3;

de wettelijke kwalificaties van deze feiten zijn:

dagvaarding 1, parketnummer 09/827106-18:

feit 1, subsidiair

MISHANDELING

feit 2

DIEFSTAL

feit 3

EENVOUDIGE BELEDIGING, TERWIJL DE BELEDIGING WORDT AANGEDAAN AAN EEN AMBTENAAR GEDURENDE OF TER ZAKE VAN DE RECHTMATIGE UITOEFENING VAN ZIJN / HAAR BEDIENING, MEERMALEN GEPLEEGD

feit 5

MISHANDELING BEGAAN TEGEN ZIJN MOEDER

dagvaarding 2, subsidiair, parketnummer 09/020412-18 (t.t.g.):

OPZETHELING

dagvaarding 3, parketnummer 09/255745-17 (t.t.g.):

MISHANDELING

verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden, die bestaat uit:

- begeleiding door de jeugdreclassering,

- ITB Harde Kern, ondersteund door Elektronische Controle, voor de duur van

(maximaal) 6 maanden, tellend vanaf 5 september 2018;

  • -

    MDFT;

  • -

    een verbod op het gebruik van alcohol en wiet en bloed- urinecontroles om dit te

controleren;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 3 maanden;

beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 96 dagen;

bepaalt dat de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht hier vanaf getrokken moet worden, tenzij dat al bij een andere straf is gedaan;

bepaalt dat 30 dagen van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd als de veroordeelde zich tot het einde van de proeftijd, die 2 jaar is, houdt aan de volgende voorwaarden:

1. dat hij zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. dat hij voor het vaststellen van zijn identiteit zal meewerken aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs (artikel 1 Wet op de identificatieplicht) zal laten inzien;

3. dat hij zal meewerken aan het toezicht door de jeugdreclassering en aan huisbezoeken (artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht);

4. dat hij zich zal melden bij de jeugdreclassering, op momenten waarop zij dat willen en zolang zij dat willen;

de rechtbank geeft de opdracht om erop toe te zien dat de veroordeelde zich zal houden aan de voorwaarden en om hem daarbij te begeleiden aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert;

de rechtbank beveelt dat het toezicht en de voorwaarden bij de voorwaardelijke jeugddetentie dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

dagvaarding 1, feit 1

de rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het bedrag van € 625,-, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 17 februari 2018 tot de dag waarop de vordering is betaald en veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting om € 625,- aan de staat te betalen voor het slachtoffer [slachtoffer];

bepaalt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen als de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichting;

bepaalt dat door betaling aan de staat, de verplichting om aan de benadeelde partij te betalen vervalt en omgekeerd;

dagvaarding 3

de rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] toe tot het bedrag van € 187,38, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 27 augustus 2017 tot de dag waarop de vordering is betaald en veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting om € 187,38 aan de staat te betalen voor het slachtoffer [aangever 4];

bepaalt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen als de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichting;

bepaalt dat door betaling aan de staat, de verplichting om aan de benadeelde partij te betalen vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. C.J. van der Wilt, kinderrechter,

mr. Y.N. van den Brink, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. van Schevikhoven, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2018.

Mr. Van den Brink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlagen:

1) de tenlastelegging

2) de bewezenverklaring

Bijlage 1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoeld gedagvaarde persoon is tenlastegelegd dat:

09/82716-18

1.

hij op of omstreeks 17 februari 2018 in Haastrecht (gemeente Krimpenerwaard), althans in Nederland aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas (fractuur of botbreuk van het jukbeen) en/of een verschuiving van de oogkas heeft toegebracht door die

[slachtoffer] :

- achterover te trekken;

- met de vuist (hand) een of meerderere keren tegen het hoofd en/of lichaam te slaan/stompen;

- een of meerdere keren tegen het lichaam en/of hoofd te schoppen;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 februari 2018 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] achterover te trekken, met de vuist (hand) een of meerdere keren tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of een of meerdere keren tegen het lichaam en/of hoofd te schoppen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas

(fractuur, botbreuk van het jukbeen) en/of verschuiving van de (bodem van de) oogkas ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 17 februari 2018 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan

[slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op of omstreeks 17 februari 2018 te Gouda en/of Haastrecht en/of Stolkwijk, althans in Nederland opzettelijk een of meer ambtenaren, te weten [aangever 1] , hoofdagent van politie en/of [aangever 2] , brigadier van politie en/of A.I.M. [naam 1] , inspecteur van politie (politie-eenheid Den

Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hen tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen een of meerdere keren de woorden toe te voegen:

'mongolen, kankerlijers, sukkel, ik neuk je in je kont, morgen sta ik op straat en dan zijn jullie de eerste, motherfucker, hoerenjong en zijn middelvinger(s) op te steken', althans woorden en/of gebaren van gelijke beledigende aard en/of strekking;

5.

hij in de periode 17 juni 2018 tot en met 27 juni 2018, op een of meerdere momenten, te Bergambacht (in ieder geval in Nederland),

zijn moeder, [naam 2] ,

heeft mishandeld door haar

- te schoppen tegen haar lichaam (been/benen) en/of;

- op het bed te gooien en/of;

- haar tegen het lichaam te slaan met zijn vuist (hand);

09/020412-18

hij op of omstreeks 30 augustus 2017 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een herenfiets (merk gazelle), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2017 tot en met 3 september 2017 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard, een goed te weten een herenfiets (merk gazelle) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

09/255745-17

hij op of omstreeks 27 augustus 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk

[aangever 4] heeft mishandeld door die [aangever 4] (meermalen) te slaan tegen zijn zij

en/of schouderblad, althans zijn lichaam en/of door te trappen/schoppen tegen de voet van die [aangever 4] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken enkel/middenvoetsbeentje)

tengevolge heeft;

Bijlage 2. De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat:

09/82716-18

1. Subsidiair

hij op 17 februari 2018 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] achterover te trekken, met de vuist meerdere keren tegen het hoofd te slaan en meerdere keren tegen het lichaam te schoppen;

2.

hij op 17 februari 2018 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, een mobiele telefoon die aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op 17 februari 2018 te Gouda en Stolwijk, opzettelijk ambtenaren, te weten [aangever 1] , hoofdagent van politie en A.B. [aangever 2] , brigadier van politie en A.I.M. [naam 1] , inspecteur van politie (politie-eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen:

'mongolen, kankerlijers, sukkel, ik neuk je in je kont, morgen sta ik op straat en dan zijn jullie de eerste, motherfucker, hoerenjong’ en zijn, verdachtes, middelvingers op te steken';

5.

hij in de periode 17 juni 2018 tot en met 27 juni 2018, op meerdere momenten, te Bergambacht,

zijn moeder, [naam 2] , heeft mishandeld door haar

- te schoppen tegen haar lichaam en

- op het bed te gooien en

- tegen het lichaam te slaan met zijn vuist (hand);

09/020412-18

Subsidiair

hij in de periode van 30 augustus 2017 tot en met 3 september 2017 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard, een goed te weten een herenfiets (merk gazelle) heeft voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

09/255745-17

hij op 27 augustus 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, [aangever 4] heeft mishandeld door die [aangever 4] te slaan tegen zijn zij en schouderblad en door te trappen/schoppen tegen de voet van die [aangever 4] .

Eventuele taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet benadeeld.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar verklaringen, dan zijn dat verklaringen uit twee politiedossiers met de nummers PL1500-2018045752 en PL1500-2018170222

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 37 t/m 39

3 Brief GGD Hollands Midden aan de politie Den Haag, binnengekomen bij het Openbaar Ministerie op 8 mei 2018

4 Proces-verbaal van getuige, blz. 42 t/m 43

5 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 51

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 58

7 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 53

8 Eigen verklaring verdachte op de zitting van 11 oktober 2018

9 Proces-verbaal van aangifte, blz. 38

10 Proces-verbaal van getuige, blz. 43

11 Proces-verbaal van getuige, blz. 49

12 Eigen verklaring verdachte op de zitting van 11 oktober 2018

13 Proces-verbaal van aangifte, blz. 64 en 65

14 Proces-verbaal van aangifte, blz. 67 en 68

15 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 18

16 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 53 en 54

17 Eigen verklaring verdachte op de zitting van 11 oktober 2018

18 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 54

19 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 3

20 Eigen verklaring verdachte op de zitting van 11 oktober 2018

21 Wanneer hierna wordt verwezen naar verklaringen, dan zijn dat verklaringen uit het dossiers met het nummer PL1500-2017249220

22 Internetaangifte, blz. 67 en 68

23 Proces-verbaal van aangifte, blz. 69

24 Proces-verbaal verhoor [naam 3] , blz. 24 en proces-verbaal verhoor [naam 4] , blz. 36

25 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 50 en 51

26 Wanneer hierna wordt verwezen naar verklaringen, dan zijn dat verklaringen uit het dossiers met het nummer PL1500-2017248324

27 Proces-verbaal aangever, blz. 8 t/m 11

28 Geneeskundige verklaring, blz. 19

29 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , blz. 24 t/m 27

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , blz. 32 t/m 34

31 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , blz. 35 t/m 39

32 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 51

33 Eigen verklaring verdachte op de zitting van 11 oktober 2018