Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12844

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
NL18.18921
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.18921


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Berg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.18922, plaatsgevonden op 23 oktober 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser heeft op 4 augustus 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 14 december 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Eiser heeft verklaard dat dit verzoeken is afgewezen door de Duitse autoriteiten. Tevens is uit EU-Vis gebleken dat eiser op 5 november 2015 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Frankrijk in Algerije in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, dat geldig was van 5 november 2015 tot 2 mei 2016. Verweerder heeft de Duitse autoriteiten op 15 augustus 2018 op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 17 augustus 2018 hiermee ingestemd.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord door een registertolk, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 29 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2224), stelt artikel 28, vierde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers, gelezen in samenhang met het derde lid, wat betreft de motivering geen andere eis aan verweerder dan dat hij de reden voor het gebruik maken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Uit het ‘rapport aanmeldgehoor’ en uit het bestreden besluit blijkt dat er in de taal van eiser geen registertolk beschikbaar was voor de IND. Ook heeft verweerder aangegeven dat de aard en de geldende termijnen van de Dublinprocedure spoed vereist bij het inplannen van de gehoren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd waarom hij gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk. Voorts stelt de rechtbank vast dat uit het ‘rapport aanmeldgehoor’ niet blijkt dat sprake is geweest van miscommunicatie tussen eiser en de tolk. Ter zitting heeft verweerder er bovendien op gewezen dat eiser alhoewel daartoe uitgenodigd, de eerste keer op 6 augustus 2018 niet is verschenen op het aanmeldgehoor. Verweerder heeft ter zitting gemeld dat bij dat gehoor wel een registertolk aanwezig is geweest. Concluderend ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser in zijn belangen is geschaad omdat hij niet is gehoor met behulp van een registertolk.

Onder de werking van de Dublinverordening mag verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Eiser heeft in het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen.

Ten aanzien van eisers grond dat hij geen kosteloze rechtsbijstand kreeg, overweegt de rechtbank het volgende. Zowel artikel 27, zesde lid, van de Dublinverordening, als artikel 20, derde lid, van de Richtlijn 2013/32/EU (hierna: de Procedurerichtlijn) staat toe dat de toegang tot gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk kan worden gesteld van de reële kans van slagen van de procedure. De kans van slagen dient te worden beoordeeld door de onafhankelijke rechter of een andere bevoegde instantie. Als een andere instantie de beoordeling verricht, dient die beoordeling vatbaar te zijn voor beroep bij de rechter. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan die bepalingen in Duitsland niet wordt voldaan. Ook uit eisers stellingen dat zijn asielaanvraag op basis van een kort gesprek is afgewezen, dat hij geen informatie kreeg over de procedure en dat hij geen schriftelijk besluit heeft ontvangen kan, wat daar ook van zij, niet afgeleid worden dat daarom niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser kan hier immers over klagen bij de Duitse autoriteiten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening nu eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het enkele feit dat er een mogelijk verschil in opvang bestaat tussen Nederland en Duitsland hoeft voor verweerder geen aanleiding te zijn om de behandeling van eisers asielverzoek onverplicht aan zich te trekken. Eisers beroepsgrond faalt.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.