Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12829

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6372
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorrangsverklaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 18/6372

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster], te [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. T.J. Smittenaar).

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een voorrangsverklaring afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2018.

Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens zijn [X], de moeder van verzoekster, en [Y], sociaal casemanager bij de gemeente Den Haag, verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2 De voorzieningenrechter acht in beginsel spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de gevraagde voorziening aanwezig. De voorzieningenrechter zal beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en zo nodig een belangenafweging of er ook voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

3 Verzoekster heeft op 2 juli 2018 een voorrangsverklaring aangevraagd.

4 Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster om een voorrangsverklaring onder verwijzing naar het Advies Toetsingscommissie aanvraag voorrangsverklaring van
28 augustus 2018 afgewezen, omdat verzoekster volgens verweerder niet buiten eigen schuld en toedoen in de huidige woonsituatie terecht is gekomen, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019 (hierna: de Huisvestingsverordening). Verzoekster is door eigen schuld en toedoen in deze woonsituatie geraakt, omdat zij, wetende dat inwonen tot problemen kon leiden, is gaan inwonen bij haar moeder. Deze woonsituatie is verwijtbaar. Hoewel de woonsituatie van verzoekster en haar dochter onwenselijk is, is deze niet zodanig schrijnend dat verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen.

5 Verzoekster stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verzoekster heeft mede omwille van haar kind een voorrangsverklaring aangevraagd. Zij woonde in Turkije met haar man en kind, maar heeft eind 2017 na een huwelijk van vier jaar Turkije verlaten vanwege haar gewelddadige
(ex-)echtgenoot. Zij lijdt na haar echtscheiding aan depressieve klachten en woont met haar baby in bij haar moeder, waar ook haar zuster en broer wonen. Tussen hen zijn conflicten en zij en haar baby hebben nauwelijks privacy. De situatie thuis is onhoudbaar. Politie en de kinderbescherming zijn reeds betrokken geraakt bij de zaak. Ter onderbouwing van haar betoog heeft verzoekster een politierapport van twee zorgmeldingen, een sociale rapportage SCM van de gemeente Den Haag van 15 mei 2018 en een verklaring van GGZIntegraal van 17 april 2018 overgelegd. Verweerder is ten onrechte niet ingegaan op de bijzondere omstandigheden van verzoekster. Ter zitting is gebleken dat de situatie thuis dermate uit de hand is gelopen, dat verzoekster thans in de Crisisopvang van de gemeente Den Haag verblijft met haar kind. Verzoekster stelt verder dat verweerder onafhankelijk medisch advies had dienen aan te vragen. Verzoekster heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 februari 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:9006). Voorts heeft verzoekster een beroep gedaan op artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet. Daarnaast is verweerder ten onrechte voorbij gegaan aan haar beroep op de hardheidsclausule. Tot slot heeft verzoekster een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in dat kader gesteld dat zij als alleenstaande moeder van een jong kind tot de categorie kwetsbare personen behoort die in het bijzonder recht hebben op bescherming van het gezins- en privéleven. De afwijzing doorkruist het recht hierop volgens verzoekster.

6 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.1

Verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat verzoekster haar nadere gronden bij het verzoekschrift te laat heeft ingediend, dat daardoor in strijd met de goede procesorde is gehandeld en dat de nadere gronden daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster de avond voor de (middag)zitting de nadere gronden en bijlagen per fax heeft toegestuurd aan de rechtbank en aan de gemachtigde van verzoekster. De voorzieningenrechter is, ondanks deze late indiening, van oordeel dat dit niet in strijd is met de goede procesorde. Daarvoor is redengevend dat in een voorlopige voorzieningenprocedure kortere termijnen gelden, dat de omvang van de (voor de zitting) ingediende nadere gronden beperkt is en dat deze ter zitting integraal zijn doorgenomen. Verder is gebleken dat verweerder zich voorafgaand aan de zitting had voorbereid op de nadere gronden. Ook ter zitting heeft verweerder kunnen reageren op de gronden en de bijlagen, hetgeen ook is gebeurd. Gelet hierop worden de nadere gronden en bijlagen niet buiten beschouwing gelaten.

6.2

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening, verlenen burgemeester en wethouders een voorrangsverklaring aan woningzoekenden die buiten eigen schuld en toedoen in een dusdanige situatie verkeren dat zij binnen 3 maanden andere woonruimte behoeven.

De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat kan niet worden gezegd dat verzoekster buiten eigen schuld om in haar huidige (ten tijde van de zitting: voormalige) woonsituatie verkeert. Dat verzoekster er – gezien de situatie van huiselijk geweld door haar ex-echtgenoot - voor heeft gekozen om met haar baby uit Turkije terug te keren valt haar niet aan te rekenen en wordt haar ook niet tegengeworpen. Evenwel is de gestelde levensbedreigende situatie die ertoe heeft geleid dat verzoekster met haar kind Turkije heeft verlaten, niet leidend bij de beoordeling van een aanvraag tot afgifte van een voorrangsverklaring. Het gaat immers om de woonsituatie die ten tijde van de aanvraag bestond. Dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de feitelijke situatie ten aanzien van de verhuizing naar Nederland, zoals verzoekster in de nadere gronden heeft aangevoerd, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Wat betreft de woonsituatie ten tijde van de aanvraag is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat verzoekster kan worden tegengeworpen dat zij ervoor gekozen heeft terug te keren naar Nederland zonder eerst adequate huisvesting te regelen en met haar kind in te gaan wonen bij haar moeder, broer en zus, terwijl zij kon voorzien dat dit tot problemen zou (kunnen) leiden. Verzoekster kan daarom in zoverre verantwoordelijk worden gesteld voor haar problematische woonsituatie.

Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij volgens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening niet in aanmerking komt voor een voorrangsverklaring.

6.3

De verwijzing door verzoekster naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 februari 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:9006) kan haar niet baten. In die zaak was een aanvraag om een urgentieaanvraag afgewezen omdat volgens het betrokken bestuursorgaan sprake was van een voorliggende oplossing, te weten wonen op kamers of een woning in tijdelijke verhuur zoals anti-kraak via www.villex.nl. De betrokkene had onder verwijzing naar een verklaring van zijn behandeld psychiater gesteld dat de door het bestuursorgaan voorgestelde oplossingen in zijn geval gelet op zijn psychische toestand niet geschikt waren. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een urgentieaanvraag van medische- en/of psychosociale aard en dat het bestuursorgaan gebruik had moeten maken van de in het Reglement Urgentiecommissie Zuid-Kennemerland 2015 gegeven bevoegdheid om in een dergelijk geval zwaarwegend advies in te winnen bij een onafhankelijk arts om te beoordelen of de door het bestuursorgaan voorgestelde oplossingen gelet op zijn medische situatie verantwoord en aanvaardbaar waren en dit van hem verlangd kon worden. In het geval van verzoekster is niet (inhoudelijk) beoordeeld of de woonsituatie van verzoekster door sociale en/of medische omstandigheden als levensbedreigend en/of –ontwrichtend is aan te merken (artikel 29, tweede lid, van de Huisvestingsverordering), in welk geval verweerder advies dient in te winnen bij de GGD. Dit omdat niet is voldaan aan de bovenliggende voorwaarde van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening. In zoverre is dus geen sprake van een vergelijkbare situatie.

6.4

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad in de huisvestingsverordening bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet – voor zover hier van belang -behoren woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten, in ieder geval tot de woningzoekenden, bedoeld in het eerste lid.

In artikel 29, eerste lid aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening is – voor zover van belang - bepaald dat, voor zover woningzoekenden zelf een daartoe strekkend verzoek indienen, burgemeester en wethouders een voorrangsverklaring verlenen aan woningzoekenden die in de positie verkeren als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014.

De voorzieningenrechter overweegt dat deze bepalingen onverlet laten dat artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingsverordening meerdere, cumulatieve, voorwaarden bevat waaraan voldaan moet zijn wil sprake zijn van een inhoudelijke beoordeling. Nu verweerder verzoekster artikel 29, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening heeft tegengeworpen (‘buiten eigen schuld en toedoen in een dusdanige situatie verkeren dat zij binnen 3 maanden andere woonruimte behoeven’), kan verzoekster aan gestelde in het eerste lid, aanhef en onder c, geen rechten ontlenen.

6.5

Artikel 46 van de Verordening bepaalt dat verweerder bevoegd is in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vraag of sprake is van een bijzondere hardheid primair ter beoordeling is van verweerder. De toepassing van deze bevoegdheid wordt door de rechter zeer terughoudend getoetst.

Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster, gelet op de door haar aangevoerde omstandigheden een andere, stabielere woonsituatie nastreeft, laat dit onverlet dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie van verzoekster zich onvoldoende onderscheidt van andere mensen in de regio die in een gelijksoortige niet-benijdenswaardige situatie verkeren. Dat zij thans in de Crisisopvang verblijft, maakt dit niet anders, nu daarmee vast staat dat zij onderdak heeft. Niet is gebleken, zoals verzoekster ter zitting heeft gesteld, dat deze opvang in haar geval slechts zeer tijdelijk is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder immers aangegeven dat conform het Haagse beleid vrouwen met (jonge) kinderen niet op straat komen te staan. Dat verzoekster en haar kind wellicht zullen worden overgeplaatst naar Tilburg of Groningen, zoals verzoekster ter zitting eveneens heeft gesteld, is voorts op geen enkele wijze onderbouwd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door verzoekster aangevoerde omstandigheden er niet toe leiden dat de toepassing van de Huisvestingsverordening leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 46 van de Huisvestingsverordening.

7 Met betrekking tot het beroep van verzoekster op artikel 8 EVRM overweegt de voorzieningenrechter in lijn met het standpunt van verweerder dat artikel 8 van het EVRM niet zo ver strekt dat verweerder gehouden is om door verstrekking van een voorrangsverklaring verzoekster in staat te stellen om een huishouden te vormen op de door haar gewenste wijze.

8 De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y…de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.