Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12826

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6339
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Strafontslag ivm diefstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 18/6339

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 oktober 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.R. Hoendermis),

tegen

de griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Zanten).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker per

1 september 2018 de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd vanwege ernstig plichtsverzuim en bepaald dat deze maatregel onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2018. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn namens verweerder verschenen
mr. J.C. Punt en [X].

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2 Verzoeker is sinds 2009 werkzaam als [functie] bij de Tweede Kamer. Op 3 juni 2016 is geconstateerd dat een aan het bedrijf [bedrijf 1] toebehorende en in het gebouw van de Tweede Kamer in een kast opgeslagen Phabrix portable meetscoop (ter waarde van ongeveer € 6000,--) werd vermist. Op 13 juni 2018 bleek dat eenzelfde apparaat door verzoeker op de verkoopsite www.marktplaats.nl (hierna: Marktplaats) te koop aangeboden werd. Een medewerker van [bedrijf 2] (rechtsopvolger van [bedrijf 1]) heeft zich als geïnteresseerde koper voorgedaan, de woning van verzoeker bezocht en het apparaat bekeken. Hij constateerde dat het apparaat hetzelfde serienummer had als het in 2016 in de Tweede Kamer vermiste apparaat. Hij heeft de woning verlaten en de politie ingeschakeld. De politie heeft daarop de woning van verzoeker bezocht en deze laatste heeft desgevraagd afstand gedaan van het apparaat. Een andere medewerker van [bedrijf 2] heeft vervolgens contact opgenomen met de facilitaire dienst van de Tweede Kamer om verweerder van het voorval op de hoogte te stellen.

3 Op 27 juni 2018 heeft een gesprek met verzoeker plaatsgevonden, waarna verzoeker met onmiddellijke ingang is geschorst en hem de toegang tot de gebouwen van verweerder is ontzegd. Dit is bevestigd bij brief van 29 juni 2018. Op 3 juli 2018 heeft een gesprek met verzoeker plaatsgevonden. Bij brief van 12 juli 2018 heeft verweerder te kennen gegeven voornemens te zijn over te gaan tot strafontslag. Op 31 juli 2018 heeft nog een gesprek met verzoeker plaatsgevonden.

4 Verweerder acht aannemelijk dat verzoeker het Phabrix apparaat in 2016 mee naar huis genomen heeft, onder zich heeft gehouden en vervolgens twee jaar later te koop heeft aangeboden op Marktplaats. Verder acht verweerder aannemelijk dat verzoeker voorafgaand aan het te koop aanbieden van de Phabrix de bij het apparaat behorende accessoires (draagtas, adapters, etc.) heeft meegenomen en tegelijkertijd met de Phabrix te koop heeft aangeboden.

5 Verzoeker heeft erkend dat hij de Phabrix in 2016 mee naar huis heeft genomen en deze in 2018 te koop heeft aangeboden op Marktplaats. Verzoeker stelt dat hij het apparaat op een vrijdagmiddag in 2016 op de Hofplaats in het Haagse centrum heeft aangetroffen en mee naar huis heeft genomen met de bedoeling om het na het weekend mee terug te nemen naar de Tweede Kamer. Vervolgens heeft hij het apparaat thuis opgeborgen en is hij het vergeten. Toen hij de Phabrix pas veel later weer thuis aantrof besloot hij deze te koop aan te bieden op Marktplaats. Verzoeker ontkent kort voor het aanbieden van de Phabrix op Marktplaats de accessoires behorende bij het apparaat te hebben meegenomen uit het gebouw van de Tweede Kamer. Volgens verzoeker zaten de accessoires bij de Phabix toen hij deze in 2016 buiten aantrof.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij zich weliswaar aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt door het apparaat mee naar huis te nemen, niet terug te brengen en te koop aan te bieden, maar dat onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is met het begane plichtsverzuim. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat een andere medewerker van de Tweede Kamer voor het stelen van een fiets voorwaardelijk strafontslag opgelegd heeft gekregen.

6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7.1

Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, om die reden disciplinair worden gestraft.

7.2

Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat het plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

7.3

Ingevolge artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR kan de disciplinaire straf van ontslag worden opgelegd.

8 Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie onder meer de uitspraak van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1550), dient in een geschil waarin sprake is van plichtsverzuim ter zake waarvan een disciplinaire staf is opgelegd te worden beoordeeld of de ambtenaar de verweten gedraging heeft verricht, of deze gedraging is te kwalificeren als plichtsverzuim, of deze gedraging aan de ambtenaar kan worden toegerekend en of de opgelegde straf evenredig is aan het plichtsverzuim.

9 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

10.1

Tussen partijen is niet in geschil is dat verzoeker de Phabrix in 2016 zonder toestemming mee naar huis heeft genomen en diezelfde Phabrix met daarbij behorende accessoires in 2018 op Marktplaats te koop heeft aangeboden en dat dit handelen plichtsverzuim oplevert. Uit de door verweerder overgelegde stukken (de e-mail van [persoon Y] van [bedrijf 1] van 8 juni 2016, het gespreksverslag van 4 juli 2017 en het memo vermissing Phabrix van 28 juni 2018) blijkt voorts genoegzaam dat de accessoires behorende bij de Phabrix tot kort voor het te koop aanbieden van de Phabrix in het gebouw van de Tweede Kamer lagen. Nu deze accessoires samen met de Phabrix op 13 juni 2018 door verzoeker te koop zijn aangeboden, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in voldoende mate vast dat verzoeker deze accessoires heeft meegenomen uit het gebouw van de Tweede Kamer. De enkele stelling van verzoeker dat dit niet zo is en dat hij het apparaat in 2016 samen met de accessoires heeft aangetroffen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

10.2

Gesteld noch gebleken is dat het plichtsverzuim verzoeker niet zou kunnen worden toegerekend.

10.3

Het gehele complex van feiten en gedragingen van verzoeker is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts van een zodanige ernst dat niet gesproken kan worden van onevenredigheid tussen het gepleegde plichtsverzuim en de opgelegde straf.

Het zonder toestemming meenemen of anderszins toe-eigenen van eigendommen van de werkgever – of zaken die zich onder de werkgever bevinden - is in het algemeen aan te merken als ontoelaatbaar gedrag dat ernstig plichtsverzuim oplevert. Daarbij heeft verweerder tevens acht mogen slaan op het feit dat het (kostbare) apparaat eigendom was van een particulier bedrijf waarmee door de Tweede Kamer werd samengewerkt en de verdwijning van het apparaat dus extern, maar ook bij de eigen medewerkers van de facilitaire dienst, brede bekendheid heeft gekregen en tot reputatieschade heeft geleid.

Los van vraag waar en hoe verzoeker de Phabrix precies heeft aangetroffen en met welke intentie hij deze heeft meegenomen en bewaard, staat vast dat hij deze nimmer mee terug heeft genomen naar de Tweede Kamer of uit zichzelf melding heeft gemaakt dat hij deze in bezit had, ook niet nadat is geconstateerd dat het apparaat werd vermist en de Tweede Kamer enige tijd later een eigen vergelijkbaar apparaat heeft aangeschaft. Verzoeker is niet uit eigener beweging gekomen tot beëindiging van zijn handelwijze, maar daaraan is pas een einde gekomen doordat een derde ontdekte dat verzoeker het apparaat – twee jaar na de verdwijning - te koop aanbood op Marktplaats. Met genoemd handelen heeft verzoeker ernstig afbreuk gedaan aan de aan hem te stellen hoge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid. De lange en goede staat van dienst van verzoeker doen daaraan niet af.

10.4

Verzoeker heeft verwezen naar de uitspraak van 31 mei 2012 van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2012:BW7121) waarin een medewerker van de Tweede Kamer voorwaardelijk strafontslag is verleend vanwege het mee naar huis nemen van een niet aan hem toebehorende fiets uit de fietsenstalling van de Tweede Kamer. Verzoeker wijst er op dat verweerder in zijn geval direct is overgegaan tot onvoorwaardelijk strafontslag, terwijl de feiten vergelijkbaar zijn.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het hier geen vergelijkbare gevallen betreft. Nog los van het waardeverschil tussen de Phabrix en een fiets, heeft verzoeker de Phabrix niet alleen meegenomen en lange tijd onder zich gehouden, maar deze kennelijk ook ter eigen verrijking te gelde proberen te maken door deze voor een (substantieel) geldbedrag openbaar op Marktplaats te koop aan te bieden. Bovendien heeft verweerder kosten moeten maken om een vergelijkbaar apparaat aan te schaffen.

11 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

12 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

19 oktober 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.