Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12815

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
NL18.15167
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond. Hoogte dwangsom vastgesteld en beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden opgelegd. Proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.15167


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 16 augustus 2018 heeft eiser een beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn asielaanvraag.

Eiser heeft op 16 augustus 2018 nadere gronden ingediend.

Verweerder heeft op 10 september 2018 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank1. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen2.

3. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daarop volgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4. Op 31 januari 2018 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Uit artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat binnen zes maanden na ontvangst van de asielaanvraag een beschikking gegeven wordt.

5. Eiser heeft verweerder op 1 augustus 2018 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiser op 16 augustus 2018 dit beroep ingesteld.

6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 10 september 2018 aangevoerd dat hij van mening is dat het beroep terecht is ingediend en dat de ingebrekestelling van 1 augustus 2018 geldig is. Verweerder voert daarnaast aan dat eiser sinds 16 augustus 2018 recht heeft op een dwangsom in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Verweerder heeft verder de rechtbank geïnformeerd dat niet aangegeven kan worden binnen welke termijn op de asielaanvraag kan worden beslist. Op 29 augustus 2018 is een voornemen aan eiser verzonden. Hierna heeft eiser vier weken de tijd voor het indienen van een zienswijze. Verweerder streeft ernaar binnen twee weken na ontvangst van de zienswijze op de aanvraag te beslissen.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond.

8. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. Niet in geschil is dat de dwangsom in dit geval verschuldigd is vanaf 16 augustus 2018. Nu er vervolgens meer dan 42 dagen zijn verstreken zonder dat verweerder op de aanvraag heeft beslist, oordeelt de rechtbank dat verweerder het maximale bedrag van € 1.260 heeft verbeurd.

9. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.

11. Verder is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 250,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 501).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1260 (twaalfhonderdzestig euro);

- draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 250,50 (tweehonderdvijftig euro en vijftig cent);

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb

2 artikel 6:12, tweede lid, van de Awb