Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12697

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
C-09-558579-KG ZA 18-866
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding betreffende de door vader gevorderde nakoming van een zorgregeling. Moeder heeft de in een ouderschapsplan opgenomen en in een beschikking vastgelegde zorgregeling feitelijk opgeschort. Zij is voordien of daarna echter geen procedure gestart, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Zij heeft evenmin in dit geding een reconventionele vordering tot opschorting van de regeling ingesteld. Het vonnis kan daarom in beginsel geen verandering brengen in de verplichting van moeder om de zorgregeling na te komen, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich verzetten tegen contact met vader. Geoordeeld wordt dat dit hier niet het geval is en moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/558579 / KG ZA 18/866

Vonnis in kort geding van (bij vervroeging) 13 september 2018

in de zaak van

[de man] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.D. Bakker te Den Haag,

tegen:

[de vrouw] te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B.S. van Haeften te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de vrouw overgelegde conclusie van antwoord, met producties;

- de op 6 september 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Het huwelijk van partijen, dat is gesloten op 28 mei 2014, is op 23 mei 2017 door echtscheiding ontbonden. In de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 3 mei 2017 is onder meer bepaald dat het aan die beschikking gehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking.

2.2.

In het ouderschapsplan hebben partijen afspraken gemaakt over hun zoon [de minderjarige], die is geboren op [geboortedatum] (hierna: [de minderjarige]). In het ouderschapsplan staat onder meer vermeld dat de ouders na de scheiding gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] blijven uitoefenen, dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw en dat de man regelmatig contact onderhoudt met [de minderjarige] door onder andere tijd met hem door te brengen, al dan niet in het huis waar [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft. Ten aanzien van de frequentie van het contact geldt volgens het ouderschapsplan, voor zover thans relevant en samengevat weergegeven, dat de man de ochtendzorg heeft voor twee ochtenden en de avondzorg voor één doordeweekse avond. Daarnaast is [de minderjarige] ten minste één dagdeel in het weekend (zijnde een aaneengesloten periode van minimaal vier uren) met/bij de man. Welke dag en welk dagdeel wordt telkens uiterlijk op de donderdag voorafgaand aan dat weekend in onderling overleg tussen de man en de vrouw afgestemd.

2.3.

Partijen hebben een aantal gesprekken gehad bij een mediator, maar de mediation is eind juli 2018 beëindigd. Partijen hebben zich voorts enige tijd geleden aangemeld voor het traject Ouderschap Blijft. Dit traject is nog niet gestart.

2.4.

De vrouw heeft begin augustus aan de man meegedeeld dat zij de zorgregeling voorlopig opschort. Zij heeft sindsdien geen medewerking meer verleend aan contacten tussen de man en [de minderjarige].

3 Het geschil

3.1.

De man vordert – zakelijk weergegeven – de vrouw te veroordelen om de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling na te leven, in die zin dat zij haar medewerking verleent aan contact tussen de man en [de minderjarige] op de wijze als in dat plan vermeld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de vrouw hier niet aan voldoet, met een maximum van € 25.000,-, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man en [de minderjarige] hebben recht op omgang met elkaar en dat is ook in het belang van [de minderjarige]. Er is geen enkele rechtvaardiging voor de opschorting door de vrouw van de zorgregeling. Het plotseling uitblijven van ieder contact met zijn vader is schadelijk voor de ontwikkeling van [de minderjarige] en hoe langer dit duurt hoe groter het risico is dat [de minderjarige] van de man vervreemdt. De regeling moet dan ook zo spoedig mogelijk worden hervat. Daarmee moet niet gewacht worden tot het traject Ouderschap Blijft is gestart, nu dat nog enige tijd op zich kan laten wachten. Bovendien mist de man [de minderjarige] en wil hij hem zo snel mogelijk weer zien.

3.3.

De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw in beginsel gehouden is om de met de man overeengekomen en in het ouderschapsplan en de echtscheidingsbeschikking opgenomen zorgregeling na te komen. Indien de vrouw meent dat die regeling niet langer in het belang van [de minderjarige] kan worden geacht, ligt het op haar weg om bij de rechtbank een verzoekschrift in te dienen en te vragen om wijziging of opschorting van die regeling. Hiertoe kan de vrouw – gezien het feit dat zij gezamenlijk met de man het gezag over [de minderjarige] uitoefent – immers niet zelf beslissen. Indien de instemming van de man ontbreekt, heeft zij een beslissing van de rechtbank nodig. In spoedeisende gevallen kan een kort geding worden gestart waarin kan worden gevorderd dat er een voorlopige voorziening betreffende de zorgregeling wordt getroffen. In zeer spoedeisende gevallen is denkbaar dat een gezaghebbende ouder al tot opschorting overgaat voordat hij of zij een procedure is gestart, maar in dat geval dient hij of zij daar alsnog zo spoedig mogelijk toe over te gaan vanwege de verplichting die op hem/haar rust zoals vermeld in de eerste zin van deze alinea. Dit alles heeft de vrouw echter nagelaten en zij heeft in dit geding ook geen reconventionele vordering ingesteld. Dit vonnis kan dan ook in beginsel geen verandering brengen in de verplichting van de vrouw om de zorgregeling na te komen, tenzij zwaarwegende belangen van [de minderjarige] zich verzetten tegen contact met de man. De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent het volgende.

4.2.

De voorzieningenrechter heeft acht geslagen op de zorgen die de vrouw heeft. Die hebben enerzijds betrekking op de volgens haar zorgelijk psychische gesteldheid van de man en zijn ongeschiktheid om op een goede en positieve manier uitvoering te geven aan de zorgregeling. Anderzijds betreffen haar zorgen het – negatieve – gedrag van [de minderjarige] en zijn verontrustende uitlatingen na contactmomenten met de man. De vrouw maakt zich daardoor veel zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] als hij bij de man is. Daar komt bij dat de vrouw stelt geen vertrouwen meer te hebben in de man en zelf geen draagvlak meer te hebben om [de minderjarige] goed te begeleiden in zijn contacten met de man.

4.3.

Wat betreft de zorgen over de man heeft te gelden dat de vrouw heeft volstaan met het noemen van psychische stoornissen waar de man volgens haar aan lijdt, waarvoor hij geen hulp accepteert en die hem ongeschikt zouden maken voor de opvoeding van [de minderjarige]. De man heeft dit echter stellig betwist. Hij heeft daarbij toegelicht wel op enig moment hulp te hebben gekregen bij het leren stellen van grenzen. Van stoornissen en een gestelde diagnose, waar de vrouw over spreekt, is volgens hem geen sprake. Dat hij niet de benodigde zorg aan [de minderjarige] zou kunnen leveren en de veiligheid van [de minderjarige] niet zou kunnen waarborgen, wordt door de man ook uitdrukkelijk weersproken. Nu de vrouw niets heeft overgelegd waaruit de juistheid van haar betoog op dit punt kan worden afgeleid, moet daaraan als onvoldoende onderbouwd voorbij worden gegaan. Dat geldt ook voor de stelling van de vrouw dat de man een dreiging zou vormen voor haar veiligheid en de veiligheid van haar naasten. Zonder iets af te doen aan het gevoel dat de vrouw hier mogelijk over heeft, ontbreekt ook hiervoor iedere objectieve aanwijzing.

4.4.

Voor wat betreft de stelling van de vrouw dat [de minderjarige] na de omgang met de man zorgelijk gedrag vertoont, geldt het volgende. Het is niet ongebruikelijk dat een kind van streek is na een wisseling van verblijf tussen de verzorgende ouder en de ouder bij wie het niet verblijft, zeker bij kinderen van de leeftijd van [de minderjarige]. Dit speelt vaak in nog ergere mate indien de verhouding tussen de ouders gespannen is. Dat daarvan bij partijen sprake is, is genoegzaam gebleken. Hoewel dus niet uit te sluiten is dat [de minderjarige] spanningen ondervindt ten gevolge van de omgang, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende steun in de aangevoerde feiten en omstandigheden om te kunnen aannemen, zoals de vrouw stelt, dat de (eventuele) klachten en angsten die [de minderjarige] heeft, direct verband houden met (de wijze) waarop de man het contact tussen hem en [de minderjarige] invult. Evenmin is de voorzieningenrechter aannemelijk geworden dat [de minderjarige] dusdanige spanningen ondervindt, dat de omgang om die reden strijdig is met zijn zwaarwegende belangen en nu opgeschort moet worden.

4.5.

Dat laat onverlet dat het zorgelijk is dat [de minderjarige] te lijden heeft onder de spanningen tussen zijn ouders. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de vrouw er naar haar zeggen veel moeite mee heeft om [de minderjarige] goed te begeleiden bij het contact met zijn vader. Dit is echter onvoldoende redengevend om te bepalen dat er voorlopig geen contact tussen [de minderjarige] en de man moet zijn. Het ligt uitdrukkelijk op de weg van beide partijen om er de komende tijd – in het belang van [de minderjarige] – voor te zorgen dat de contacten zo rustig en ontspannen mogelijk verlopen en om [de minderjarige] niet te belasten met de problemen die tussen hen spelen. De voorzieningenrechter wijst partijen er in dit kader op dat zij ook expliciet in het ouderschapsplan hebben opgenomen dat zij het belangrijk vinden dat het contact tussen [de minderjarige] en de ouders zo min mogelijk door de scheiding wordt beïnvloed en dat de ouders zullen bevorderen dat [de minderjarige] zo goed mogelijk contact heeft met ieder van de ouders. Nu beide partijen stellen dat het belang van [de minderjarige] voor hen voorop staat, gaat de voorzieningenrechter er van uit dat beide partijen zich daarvoor de komende tijd zeer zullen inspannen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan hiermee niet worden gewacht totdat het traject Ouderschap Blijft van start gaat. Met name gelet op de nog zeer jonge leeftijd van [de minderjarige] is het van groot belang dat het contact met de man zo spoedig mogelijk wordt hervat, zodat de periode waarin er geen contact is geweest wordt beperkt.

4.6.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen toewijsbaar zijn als na te melden. Daarbij is het van belang, mede gezien het feit dat aan de nakoming een dwangsom zal worden verbonden, dat deze regeling voldoende concreet wordt geformuleerd. De voorzieningenrechter zal daarom aansluiten bij de feitelijke invulling die partijen hieraan hebben gegeven, zoals kan worden afgeleid uit de verklaringen van partijen ter zitting. Dat houdt in dat de twee ochtenden per week de maandag- en dinsdagochtend zijn. Nu ter zitting is gebleken dat partijen tot op heden geen vaste avond per week hebben afgesproken, het avondcontact ook regelmatig niet heeft plaatsgevonden – om welke reden dan ook waar partijen ieder een eigen mening over hebben – en de communicatie tussen partijen momenteel zeer moeizaam verloopt, zal de voorzieningenrechter in dit geding, waarin enkel een voorlopige ordemaatregel wordt getroffen, de vrouw niet veroordelen tot nakoming van dat onderdeel van de overeengekomen regeling. De weekendregeling dient wel te worden nagekomen overeenkomstig hetgeen in het ouderschapsplan daarover staat vermeld.

4.7.

De voorzieningenrechter acht oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, aangewezen. De op te leggen dwangsom zal echter worden gematigd en gemaximeerd.

4.8.

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de vrouw om de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling na te leven, in die zin dat zij haar medewerking dient te verlenen aan contact tussen de man en [de minderjarige] op de maandag- en dinsdagochtend – waarbij de man zorgdraagt voor de door partijen zo genoemde ochtendzorg voor [de minderjarige] – en gedurende een dagdeel per weekend op de wijze als in het ouderschapsplan nader omschreven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per keer dat de vrouw hier niet aan voldoet, met een maximum van € 5.000,-;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Westerhuis-Evers en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018.

ts