Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12694

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
C/09/558582 / KG ZA 18/867
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing vorderingen die er o.a. toe strekken dat een geplande ava geen doorgang mag vinden en er een verbod wordt opgelegd tot het nemen van een besluit tot schorsing of ontslag van eiser als bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2018-0155
JONDR 2018/1299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/558582 / KG ZA 18/867

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] te [plaats 1] , Turkije,

eiser,

advocaat: mr. M.M. Arts te Den Haag,

tegen:

1 [gedaagde 1] B.V.te [plaats 2] ,

2. [gedaagde 2] te [plaats 3] , Turkije,

3. [gedaagde 3] te [plaats 1] , Turkije,

gedaagden,

gedaagde sub 1: niet verschenen,

gedaagden sub 2 en 3: advocaat mr. O. Albayrak te Rotterdam.

Eiser wordt hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en de gedaagden worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’ en ‘ [gedaagde 3] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties. Ter zitting zijn door [eiser] vertalingen in het Engels overgelegd van de door hem in het geding gebrachte producties in de Turkse taal. Albayrak heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt;

- de door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] overgelegde producties. Voor zover deze producties in de Turkse taal zijn gesteld en daarvan geen vertaling is overgelegd, worden deze bij de boordeling buiten beschouwing gelaten.

1.2.

Op 24 augustus 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij door zowel [eiser] als [gedaagde 2] en [gedaagde 3] pleitnotities zijn overgelegd.

1.3.

Op 24 augustus is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 31 augustus 2018.

1.4.

Er zal verstek worden verleend tegen [gedaagde 1] , nu [gedaagde 1] behoorlijk is opgeroepen tegen de terechtzitting van 24 augustus 2018, maar zij daar niet is verschenen. De stellingen die [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben ingenomen omtrent de wijze van procederen van [eiser] tegen [gedaagde 1] zullen hierna bij de beoordeling aan de orde komen.

1.5.

Ook als sprake zou zijn van gebreken in de betekening van de dagvaarding aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] – wat betreft [gedaagde 2] op het kantoor van zijn advocaat, waar hij geen domicilie heeft gekozen, wat betreft [gedaagde 3] overeenkomstig het bepaalde in artikel 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), maar pas enkele dagen voor de zitting en bij allebei zonder daarbij een vertaling van de dagvaarding te voegen – dan leidt dat nog niet tot nietigheid van de dagvaarding. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn hierdoor naar het oordeel van de rechtbank immers niet onredelijk benadeeld. Mr. Albayrak is ter zitting verschenen als advocaat voor hen beiden en hij is ter zitting voldoende in staat gebleken om namens hen verweer te voeren.

1.6.

De vraag of [eiser] zijn substantiëringsplicht heeft geschonden door in de dagvaarding onvoldoende melding te maken van de door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tegen de vorderingen aangevoerde verweren en de gronden daarvoor kan onbeantwoord blijven. De voorzieningenrechter ziet namelijk, ook als dit zo zou zijn, geen aanleiding om daar gevolgen aan te verbinden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is grootaandeelhouder en bestuurder van een Turkse vennootschap die eigenaar is van drie pizzeria’s in Turkije met de naam [X] . [X] is een formule van pizzeria’s met haar oorsprong in de Verenigde Staten.

2.2.

[eiser] heeft in 2017 overleg gevoerd met [gedaagde 2] en met [A] (hierna: [A] ) om ook in Nederland een pizzeria te openen die de formule van [X] hanteert. Nu in Nederland al een bedrijf actief was met de naam [X] is gekozen voor de naam [gedaagde 1] . Op 17 november 2017 is [gedaagde 1] opgericht. [gedaagde 1] houdt 100% van de aandelen in de werkmaatschappij [de Werkmaatschappij] B.V.

2.3.

De afspraak van de betrokken personen was dat [gedaagde 2] zou zorgdragen voor de financiering van de benodigde initiële investeringen door het betalen van het geplaatste kapitaal namens de aandeelhouders van in totaal € 180.000,-. [eiser] zou know-how, arbeid en inzet inbrengen. Hij zou voorts de bestuurder van [gedaagde 1] worden, waarbij hij zijn werkzaamheden als bestuurder (voorlopig) onbezoldigd zou uitvoeren. [A] zou de lokale manager worden van de pizzeria als ook bestuurder. [A] heeft zich echter teruggetrokken en hij heeft zijn aandelen overgedragen aan [gedaagde 3] (die bij die gelegenheid ook een deel van de aandelen van [eiser] en [gedaagde 2] heeft overgenomen).

2.4.

Sindsdien is [eiser] de algemeen directeur en enige bestuurder van [gedaagde 1] . Tevens houdt [eiser] thans 40% van de aandelen in [gedaagde 1] . De overige aandelen worden gehouden door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en wel respectievelijk voor 40% en 20%.

2.5.

De pizzeria is op 4 mei 2018 geopend en begonnen met de exploitatie. In eerste instantie was [A] daar nog bij betrokken. Na zijn vertrek was mevrouw [B] de store manager. Zij is ziek geworden. Een aantal andere personeelsleden hebben de onderneming verlaten en degene die [B] zou vervangen is niet komen werken. Op 11 juli 2018 is de pizzeria (tijdelijk) gesloten.

2.6.

Begin augustus is een nieuwe store manager aangenomen (hierna: [C] ) en is er een heropening van de pizzeria gepland op 1 september 2018.

2.7.

Op 13 augustus 2018 heeft [gedaagde 2] aan [eiser] en [gedaagde 3] meegedeeld dat hij gebruik wil maken van zijn recht om een algemene vergadering van aandeelhouders (hierna ook: ava) bij elkaar te roepen om te stemmen over de vervanging van [eiser] als algemeen directeur van [gedaagde 1] door [gedaagde 2] . [eiser] heeft aangegeven daar niet mee akkoord te gaan en ook niet in te stemmen met het voorstel om dit schriftelijk af te doen. De advocaat van [eiser] heeft in een brief van 16 augustus 2018 aan [gedaagde 2] het standpunt van [eiser] nader uiteengezet.

2.8.

Op 16 augustus 2018 hebben zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 3] aan [eiser] een oproep gestuurd voor een op 25 augustus 2018 in Rotterdam te houden ava, waarbij zal worden gestemd over de agendapunten van het ontslag van [eiser] als algemeen directeur en de aanstelling van [gedaagde 2] als zodanig. De advocaat van [eiser] heeft diezelfde dag aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bericht dat [eiser] en hij niet aanwezig kunnen zijn bij een op 25 augustus 2018 te houden vergadering en hij verzoekt om te laten weten dat deze vergadering niet door zal gaan, waarbij hij aanbiedt om de week daarna met elkaar te overleggen over de toekomst van de onderneming en de rol van [eiser] daarin.

2.9.

De advocaat van [gedaagde 2] heeft op 20 augustus 2018 schriftelijk gereageerd op hetgeen de advocaat van [eiser] heeft gesteld in de brief van 16 augustus 2018 als vermeld onder 2.7. Voorts heeft meegedeeld dat [gedaagde 2] niet bereid is af te zien van de op 25 augustus 2018 te houden ava.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

1. [gedaagde 1] te verbieden om:

  1. in de ava besluiten te nemen tot schorsing of ontslag van [eiser] en wel voor een periode van drie maanden of zoveel langer of korter als nodig is om met betrekking tot een vordering tot uitstoting ex artikel 2:336 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van [eiser] jegens [gedaagde 2] en met betrekking tot een onderzoek op grond van artikel 2:344 BW een uitspraak te verkrijgen met kracht van gewijsde en/of in het kader van laatstgenoemd onderzoek zodanige voorlopige voorzieningen te krijgen dat de verhoudingen binnen [gedaagde 1] zijn hersteld, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  2. de uitgeroepen ava op zaterdag 25 augustus 2018 doorgang te laten vinden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te gebieden om te gehengen en gedogen dat besluitvorming ten aanzien van de positie van [eiser] wat betreft schorsing en/of ontslag is verboden dan wel dat de vergadering op 25 augustus 2018 is verboden en hen te verbieden enige handeling te verrichten die afbreuk doet of kan doen aan (een) dergelijk(e) verbod(en), op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3. [gedaagde 2] te gebieden:

  1. alles in het werk te stellen om [eiser] toegang te verschaffen tot de email-accounts en social media accounts van [gedaagde 1] , onder meer door wachtwoorden te verschaffen of daartoe aan [C] opdracht te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  2. zich jegens [C] schriftelijk zodanig uit te laten dat [eiser] enig bestuurder is van [gedaagde 1] en dat de rol van [gedaagde 2] is beperkt tot die van aandeelhouder, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

4. [gedaagde 2] te verbieden:

  1. zich zodanig uit te laten naar derden dat er onduidelijkheid kan (blijven) bestaat of ontstaan over zijn hoedanigheid als enkel aandeelhouder van [gedaagde 1] of de hoedanigheid van [eiser] als (enig) bestuurder en aandeelhouder van die vennootschap, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  2. in het algemeen handelingen te verrichten of na te laten die schade kunnen veroorzaken aan [gedaagde 1] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;

dan wel een andere maatregel te treffen om te bewerkstelligen dat [eiser] zijn werkzaamheden als bestuurder van de vennootschap ongestoord en volledig kan uitvoeren en de verhoudingen binnen [gedaagde 1] voorlopig zijn of worden hersteld, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] kan niet aanwezig zijn bij de ava als die wordt gehouden op 25 augustus 2018. Hij heeft dan verplichtingen in Turkije, zoals hij ook aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] heeft aangegeven. Hij heeft er wel belang bij om aanwezig te kunnen zijn bij de ava. De besluitvorming moet een vrucht zijn van onderling overleg en [eiser] wil gebruik maken van de mogelijkheid om verantwoording af te leggen en het belang van [gedaagde 1] nogmaals onder de aandacht te brengen. In de week na 25 augustus 2018 is [eiser] hoe dan ook in Nederland, zodat het aangewezen is dan te vergaderen. Verder dient om meerdere redenen de onder 1a genoemde afkoelingsperiode te worden ingelast waarin geen ontslag- of schorsingsbesluiten mogen worden genomen. Hiertoe is onder meer redengevend de gemaakte afspraak dat [eiser] (altijd) de bestuurder zou zijn van [gedaagde 1] , de rolverdeling tussen de betrokken personen, de kennis van [eiser] van de activiteiten en de formule van [gedaagde 1] en de omstandigheid dat alleen [eiser] de rechten heeft met betrekking tot die formule. Zijn ontslag is daarom in strijd met het belang van [gedaagde 1] . Verder heeft te gelden dat [gedaagde 2] met zijn handelwijze de belangen van [gedaagde 1] heeft geschaad zodat [eiser] voornemens is een van de onder 1a genoemde procedures te starten in de gevorderde afkoelingsperiode. Het nut daarvan mag niet worden doorkruist met onomkeerbare beslissingen en [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kunnen in die periode ook nog nader overleg voeren. De overige vorderingen dienen om te zorgen dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld om zijn taken als bestuurder van [gedaagde 1] normaal te kunnen uitvoeren.

3.3.

[gedaagde 2] en Üal voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Bij [eiser] is sprake van een tegenstrijdig belang, nu hij eiser is in deze procedure en tevens enig bevoegd bestuurder is van [gedaagde 1] , gedaagde sub 1. Dit heeft ertoe geleid dat [gedaagde 1] niet in deze procedure is verschenen en geen verweer heeft gevoerd tegen de jegens haar ingestelde vorderingen. Wat betreft die vorderingen heeft te gelden dat, alhoewel die zijn ingesteld tegen [gedaagde 1] omdat besluiten van de ava aan die vennootschap kunnen worden toegerekend, de vorderingen feitelijk zijn gericht tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Zij hebben als aandeelhouders van [gedaagde 1] (met tezamen een meerderheid van de aandelen) de datum vastgesteld voor de ava en zij zijn voornemens alsdan besluiten te nemen. Gelet op het vorenstaande zal bij de beoordeling van de vorderingen tegen [gedaagde 1] ook acht worden geslagen op hetgeen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als verweer naar voren hebben gebracht.

De vorderingen sub 1 en 2

De algemene vergadering van aandeelhouders van 25 augustus 2018

4.2.

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben onweersproken gesteld dat bij de oproep van 16 augustus 2018 voor de ava van 25 augustus 2018 aan de formele vereisten voor het oproepen van een ava is voldaan. [eiser] heeft desondanks bezwaar gemaakt tegen de doorgang van de ava op die datum omdat hij stelt dan niet aanwezig te kunnen zijn, zoals hij voordien al aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] heeft aangegeven. Het laten doorgaan van de vergadering op laatstgenoemde datum is volgens [eiser] daarom in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat [eiser] zijn verhindering voor 25 augustus 2018 al kenbaar had gemaakt voor het plannen van die vergadering is door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet weersproken. Wel hebben zij betwist dat [eiser] niet aanwezig zou kunnen zijn. Door [eiser] is dit enkel onderbouwd met de stelling dat hij verplichtingen heeft in Turkije. Door de voorzieningenrechter kan dan ook niet worden beoordeeld hoe zwaarwegend de verhindering van [eiser] is. Verder hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 3] er op gewezen dat [eiser] zich op de ava kan laten vertegenwoordigen en dat hij telefonisch zou kunnen deelnemen aan de vergadering. Daar komt bij dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben toegelicht dat en waarom het van belang is dat de vergadering niet wordt uitgesteld, namelijk omdat de datum van heropening van de pizzeria is gepland op 1 september 2018, zoals ook door [eiser] tot uitgangspunt wordt genomen. Volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen daar vanaf de week daarvoor en dus vanaf maandag 27 augustus 2018 de nodige voorbereidingen voor moeten plaatsvinden. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in hun stelling dat (uiterlijk) dan duidelijk zal moeten zijn wie vanaf de heropening de bestuurder van de vennootschap is. Ten slotte is ter zitting genoegzaam gebleken dat [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] inmiddels al meermaals hun standpunten aan elkaar uiteen hebben gezet en dat zij zich daarin inmiddels lijken te hebben ingegraven. Gelet daarop komt het de voorzieningenrechter onwaarschijnlijk voor dat het verzetten van de vergadering er toe zal leiden dat deze standpunten nog wijzigen, zoals [eiser] kennelijk hoopt gezien zijn verwijzing naar het door hem gewenste overleg tussen hem, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tijdens die vergadering. Alles tegen elkaar afwegende acht de voorzieningenrechter het niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de door hen uitgeroepen ava op 25 augustus 2018 doorgang laten vinden.

Verbod op nemen besluit tot schorsing of ontslag van [eiser] als bestuurder

4.3.

[eiser] baseert deze vordering op meerdere gronden. Op de eerste plaats is dat de volgens [eiser] gemaakte afspraak dat hij (altijd) de bestuurder zou zijn van [gedaagde 1] . Het door [eiser] in zijn betoog tussen haakjes geplaatste woord ‘altijd’ is in deze essentieel. Door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is namelijk niet betwist dat is afgesproken dat [eiser] de bestuurder zou zijn van [gedaagde 1] . Aan die afspraak is immers ook uitvoering gegeven en [eiser] ís ook al enige tijd de bestuurder van [gedaagde 1] . Dat laat echter onverlet dat [eiser] als bestuurder ook weer ontslagen kan worden. Dat er is afgesproken dat [eiser] altijd de bestuurder van [gedaagde 1] zal blijven en dus nooit ontslagen zal kunnen worden, is door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wel weersproken en [eiser] heeft dit op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Bovendien zou dat in strijd zijn met de in de statuten opgenomen regeling ten aanzien van schorsing en ontslag van bestuurders als ook in strijd met dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt voorts het volgende. Na de uitvoerige uiteenzetting van [eiser] in de dagvaarding en ter zitting over wat er de afgelopen periode tussen [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en in de vennootschap is voorgevallen, hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bijna alle door [eiser] genoemde feiten gemotiveerd weersproken en hebben zij toegelicht hoe een en ander volgens hen is verlopen. In dit geding kan niet worden vastgesteld wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Meer in het bijzonder heeft [eiser] de juistheid van zijn betoog niet in voldoende mate aannemelijk gemaakt. Het lag wel op zijn weg om daarvoor te zorgen, nu de door hem ingestelde vorderingen daarop, met name op het door hem geschetste gedrag van [gedaagde 2] , zijn gebaseerd.

4.5.

Wat in dit geding enkel kan worden vastgesteld is dat [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] vergaand met elkaar van mening verschillen over wat er de afgelopen periode is voorgevallen, aan wie te wijten is dat de zaken niet zo zijn gegaan als beoogd en hoe het de komende tijd verder moet binnen [gedaagde 1] . De wet en statuten voorzien in regels op grond waarvan in een dergelijke situatie besluiten kunnen worden genomen door daartoe bevoegde organen om te trachten de problemen op te lossen. De voorzieningenrechter ziet in dit geval geen dan wel onvoldoende aanleiding om daarin in te grijpen door een bevoegd orgaan te verbieden om een bepaald besluit te nemen of een afkoelingsperiode te gelasten. Het enkel uiten van een voornemen om een procedure te starten tot overdracht van aandelen dan wel om een enquête-procedure te starten kan dit niet anders maken.

4.6.

Verder is nog het volgende van belang. De omstandigheid dat [gedaagde 2] stellig is in zijn mening en in zijn voornemen, maakt nog niet dat het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder al tot stand is gekomen. Aan de betreffende stelling van [eiser] wordt voorbij gegaan. De verwijzing door [eiser] naar de aard van de vennootschap en zijn rechten betreffende de formule kan niet tot een ander oordeel. Door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wordt betwist dat [eiser] beschikt over intellectuele eigendomsrechten alsmede dat, als dat wel zo zou zijn, dit in de weg staat aan het ontslag van [eiser] als bestuurder van [gedaagde 1] . [eiser] heeft dit standpunt daarna niet dan wel onvoldoende nader onderbouwd, zodat ook dit niet redengevend kan zijn voor toewijzing van het gevorderde. Stellingen zoals dat in de betrokkenheid van [eiser] het bestaansrecht van de beoogde onderneming is belichaamd zijn door [eiser] onvoldoende geconcretiseerd. Mede in het licht van al het vorenstaande kan in dit geding ook niet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [eiser] dat zijn ontslag in strijd is met het vennootschappelijk belang.

4.7.

De vorderingen sub 1 en 2 zijn gezien het vorenstaande niet voor toewijzing vatbaar.

De vorderingen sub 3 en 4

4.8.

De vorderingen sub 3 en 4 zijn evenmin toewijsbaar. De grondslag voor deze vorderingen vormen de stellingen van [eiser] dat [gedaagde 2] de beschikking heeft over de genoemde accounts, [gedaagde 2] de toegang van [eiser] tot die accounts heeft geblokkeerd, [gedaagde 2] zich heeft voorgedaan als bestuurder van [gedaagde 1] en de positie van [eiser] ondermijnt en [gedaagde 2] schade heeft veroorzaakt aan [gedaagde 1] . [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben dit een en ander echter betwist, waarna [eiser] deze stellingen onvoldoende heeft onderbouwd om van de juistheid daarvan uit te kunnen gaan, hetgeen wel op zijn weg ligt. Daar komt nog bij dat in ieder geval de vordering sub 4b te algemeen geformuleerd is om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen. Overigens valt ook niet in te zien welk belang [eiser] heeft bij toewijzing van deze vorderingen in de situatie zoals deze zich nu voordoet, te weten waarin de voorzieningenrechter niet op de door [eiser] gewenste wijze ingrijpt in het aanstaande besluitvormingsproces en gezien de thans door alle betrokkenen te verwachten uitkomst van dat proces.

Conclusie en proceskosten

4.9.

Alle vorderingen zullen dus worden afgewezen. [eiser] zal gelet daarop, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verleent verstek tegen [gedaagde 1] ;

- wijst alle vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagden sub 2 en 3 tezamen begroot op € 1.271,--, waarvan € 980,- aan salaris advocaat en € 291,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2018.

ts