Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12689

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
C-09-554618-KG ZA 18-594
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing van de vordering om de Staat te verbieden om eiser uit te leveren aan Albanië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/554618 / KG ZA 18/594

Vonnis in kort geding van 14 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] te [plaats ] (gemeente [gemeente] ),

eiser,

advocaten: mrs A.J. Admiraal en J. Kuijper te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M. van Asperen te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 31 juli 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

De voorzieningenrechter laat de door [eiser] aan zijn pleitnotities gehechte productie bij de beoordeling van het gevorderde buiten beschouwing. De Staat heeft verklaard het betreffende stuk niet te kennen, zodat hij daaromtrent ook niets heeft kunnen nagaan of verifiëren. Het in aanmerking nemen van dit stuk, dat kennelijk ten tijde van de dagvaarding al bij [eiser] bekend was (nu hij daaruit heeft geciteerd), zou gelet daarop in strijd zijn met het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor. Wel wordt acht geslagen op hetgeen [eiser] in de dagvaarding heeft vermeld over dit stuk, waarop de Staat ter zitting ook heeft gereageerd.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] heeft de Albanese nationaliteit. Hij is in Albanië op 13 juni 2011 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden voor ‘murder committed through transcending the use of excessive force for self defense’ en ‘illegal manufacturing and possession of military weapons and ammunition’. Het slachtoffer was de heer [A] (hierna: [A] ).

2.2.

[eiser] is op 14 september 2016 op basis van een nadien voor hem uitgevaardigd internationaal opsporingsbevel in Nederland aangehouden en in verzekering gesteld.

2.3.

In een verklaring van het (volgens de Engelse vertaling) “Committee of Nationwide Reconciliation”, meer specifiek van de heer [X] , President, van 24 september 2016 staat vermeld dat, samengevat weergegeven, [eiser] een groot gevaar loopt op bloedwraak vanwege het doodschieten van [A] . De tragische gevolgen van bloedwraak in Albanië worden genoemd. Voorts wordt opgesomd wat er wordt gedaan om mensen te beschermen, maar wordt vervolgens gesteld dat dit onmogelijk is. In de verklaring worden verder diverse cijfers en voorbeelden uit het verleden genoemd van situaties betreffende bloedwraak.

2.4.

De Minister van Justitie van de Republiek Albanië (hierna: Albanië) heeft op 27 september 2016 een uitleveringsverzoek aan Nederland gedaan betreffende [eiser] in verband met de onder 2.1 vermelde veroordeling.

2.5.

De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam (hierna: de IRK) heeft in een uitspraak van 11 april 2017 de uitlevering van [eiser] aan Albanië toelaatbaar verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover thans relevant, het volgende overwogen:

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag (hierna: TAP EUV) betreffende uitlevering

(…)

5.4

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

(…)

Heeft de Republiek Albanië een verzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, TAP EUV gegeven?

(…)

Anders dan de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat de brief (…) een verzekering inhoudt ‘die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd’ in de zin van artikel 3, eerste lid, TAP EUV.

(…)

Dreigt in geval van uitlevering aan de Republiek Albanië een flagrante schending van artikel 6 EVRM?

Nu de Republiek Albanië een verzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, TAP EUV heeft gegeven, brengt het vertrouwensbeginsel mee dat de rechtbank in beginsel ervan uitgaat dat de verzoekende Staat de bepalingen van de toepasselijke uitleveringsverdragen zal naleven en dus de ‘verzekering’ gestand zal doen.

Dat lijdt alleen uitzondering, indien:

  • -

    a) (…)

  • -

    b) (…)

Aan geen van beide voorwaarden is voldaan.

(…)

Conclusie

De rechtbank verwerpt het verweer.

6 Dreigende schending van de artikelen 2 en 3 EVRM

(…)

6.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in de artikelen 2 en 3 EVRM voorbehouden is aan de minister van Veiligheid en Justitie en dat hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering zal moeten afwijzen (…).

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon voldoende heeft aangetoond dat de familie van het slachtoffer bloedwraak tegen hem heeft uitgesproken. Of dit gevolgen moet hebben voor de verzochte uitlevering en, zo ja, welke, staat overeenkomstig de hierboven genoemde rechtspraak uitsluitend ter beantwoording van de minister van Veiligheid en Justitie. De rechtbank zal in haar advies aandacht vragen voor deze problematiek, maar zal de minister van Veiligheid niet adviseren om afwijzend te beslissen op het uitleveringsverzoek. De enkele omstandigheid dat tegen de opgeëiste persoon bloedwraak is uitgesproken brengt immers nog niet mee dat een schending van de artikelen 2 en 3 EVRM niet meer kan worden afgewend.

(…)”

2.6.

Het door [eiser] tegen de uitspraak van 11 april 2017 ingestelde cassatieberoep is verworpen met toepassing van artikel 81 RO.

2.7.

De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft in een beschikking van 16 mei 2018 besloten om de uitlevering van [eiser] aan Albanië toe te staan ten behoeve van de verdere tenuitvoerlegging van het strafvonnis voor de feiten zoals genoemd in het vonnis van de rechtbank van Dürres van 13 juni 2011. Daartoe heeft de Minister onder meer het volgende overwogen:

“(…)

4.6

De Minister onderkent dat het fenomeen bloedwraak nog steeds bestaat in Albanië, zij het als marginaal verschijnsel. Zo blijkt uit de periodieke rapportage van 2011 van Albanië aan het VN Mensenrechtencomité dat Albanië werk heeft gemaakt van het terugdringen van bloedwraak, en dat het aantal bloedwraak gerelateerde moorden in Albanië over de gerapporteerde periode drastisch is gedaald. Ook heeft de Minister informatie ontvangen uit Albanië, zij het met betrekking tot een ander uitleveringsverzoek, waaruit blijkt dat deze daling zich heeft voorgezet in de periode na 2011, tot 1 bekend geval van een bloedwraak gerelateerde moord in 2016.

4.7

Namens de opgeëiste persoon is een verklaring ingebracht opgesteld door de niet-gouvernementele organisatie Committee of Nationwide Reconciliation, ondertekend door de voorzitter [X] . De Minister merkt op dat de Canadese Immigratie- en Vluchtelingendienst in een document van 1 februari 2012 al wees op de handel in valse attesten over bloedwraak en op een onderzoek door politie en justitie tegen [X] . Bovendien is in een Albanees televisieprogramma op 27 oktober 2011 te zien dat [X] onder het oog van een verborgen camera geld aanneemt voor de afgifte van een certificaat en het aanleggen van een vendettadossier voor een vrouw die hij op dat moment voor het eerst ontmoet.

4.8

De Minister heeft naar aanleiding van de verklaring van de Committee on Nationwide Reconciliation advies gevraagd aan de Minister van Buitenlandse Zaken. In een bericht van 3 oktober 2017 adviseert de Minister van Buitenlandse Zaken dat aan dergelijke certificaten geen enkele waarheidswaarde kan worden toegekend.

4.9

De Minister merkt op dat de door de opgeëiste persoon ingediende asielaanvraag door de opgeëiste persoon is ingetrokken. De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft bij beschikking van 31 augustus 2017 een inreisverbod opgelegd aan de opgeëiste persoon. De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft in de zienswijze van de opgeëiste persoon geen aanleiding gezien om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod om humanitaire of andere redenen.

4.10

Gelet op het voorgaande ziet de Minister in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat tegen de opgeëiste persoon bloedwraak is uitgesproken.

4.11

De raadsman heeft de Minister ook verzocht om aandacht te besteden aan de mogelijkheden tot bescherming tegen een schending van artikel 2 en 3 EVRM in Albanese detentie. De Minister merkt op dat uit algemene rapportages zoals die van de US State Department 2016 het beeld bestaat dat weinig sprake is van (dodelijk) geweld in Albanese gevangenissen.

4.12

Zekerheidshalve heeft Minister bij brief van 3 april 2018, de Albanese autoriteiten verzocht om een reactie op de door de opgeëiste persoon geuite vrees dat hij slachtoffer kan worden van bloedwraak. Bij brief van 27 april 2018 heeft Albanië de Minister aanvullend geïnformeerd over het fenomeen bloedwraak in Albanië. Daarnaast zegt de Albanese minister van Justitie toe dat de opgeëiste persoon in Albanese detentie zal worden geplaatst in overeenstemming met de rechten voortvloeiend uit het EVRM.

4.11

Op basis van de bovenstaande overwegingen acht de Minister de vrees van de opgeëiste persoon dat juist hij slachtoffer kan worden van bloedwraak onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat zelfs indien de opgeëiste persoon het risico op bloedwraak tegen juist hem voldoende aannemelijk zou hebben gemaakt, uitlevering naar Albanië niet zou leiden tot een reëel risico op schending van artikel 2 EVRM. Immers wordt de opgeëiste persoon uitgeleverd aan de Albanese autoriteiten en dient de opgeëiste persoon een straf uit te zitten in een Albanese gevangenis. Opgemerkt wordt dat het tussen Nederland en Albanië geldende vertrouwensbeginsel ertoe leidt dat de Minister er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat Albanië de in het EVRM neergelegde rechten en verplichtingen – waaronder het zorgdragen voor de veiligheid van gevangenen- jegens de opgeëiste persoon zal nakomen. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet de Minister onvoldoende grond om van het tussen Nederland en Albanië geldende vertrouwensbeginsel af te wijken.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair: de Staat te verbieden om [eiser] uit te leveren aan Albanië;

subsidiair: de Staat te verbieden om [eiser] uit te leveren aan Albanië zonder dat eerst nader onderzoek is gedaan naar het fenomeen van bloedwraak in Albanie in zijn algemeenheid en meer in het bijzonder naar het gevaar dat eiser dientengevolge loopt;

meer subsidiair: de Staat te verbieden om [eiser] uit te leveren aan Albanië zonder dat nadere toereikende garanties bij de Albanese autoriteiten zijn bedongen betreffende, kort gezegd, bescherming van eiser tegen bloedwraak gedurende zijn verblijf in Albanië;

nog meer subsidiair: de zaak aan te houden om [eiser] in de gelegenheid te stellen getuigen te doen horen in het kader van een voorlopig getuigenverhoor of ander bewijsmateriaal aan te dragen en [eiser] in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de in deze zaak tussen de Minister en de Albanese autoriteiten gevoerde correspondentie;

meest subsidiair: de Staat te verbieden om [eiser] uit te leveren aan Albanië zolang niet is voldaan aan nadere door de voorzieningenrechter te bepalen voorwaarden dan wel een andere voorziening te treffen,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per dag of gedeelte daarvan, met veroordeling van de Staat in de kosten van [eiser] .

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Zijn uitlevering door Nederland aan Albanië levert een dreigende schending op van zijn rechten zoals gegarandeerd door het EVRM. Op de eerste plaats is er sprake van een dreigende schending van artikel 6 EVRM. Weliswaar heeft de rechtbank hier al over geoordeeld, maar toen was een door het EHRM gedane uitspraak, die specifiek betrekking heeft op de problematiek met de Albanese verzetsgarantie en waarin een schending van artikel 6 EVRM is aangenomen, nog niet bekend. In het licht van de overwegingen van het Hof in die zaak moet ernstig rekening gehouden worden met een schending van artikel 6 EVRM als [eiser] wordt uitgeleverd. Op de tweede plaats is er sprake van een dreigende schending van de artikelen 2 en 3 EVRM. Door de rechtbank is vastgesteld dat over [eiser] en zijn familie de bloedwraak is uitgesproken, zodat dat geen onderwerp van discussie meer kan zijn. De Minister heeft dat miskend. De wijze waarop de Minister hier afbreuk aan poogt te doen, kan ook niet worden gevolgd. Zolang de bloedwraak voortduurt en er geen verzoening is bereikt, zoals hier het geval is, is sprake van een reëel gevaar dat [eiser] zal worden gedood bij terugkeer naar Albanië. Door de overheid getroffen maatregelen hebben nog geen effect gehad. Het vermoeden dat Albanië de door het EVRM gegarandeerde rechten zal naleven moet dan ook terzijde worden gesteld. Verder is sprake van een dreigende schending van artikel 13 in verband met de artikelen 2 en 3 EVRM.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Beoordelingskader

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van de Uitleveringswet (Uw) uitlevering van een opgeëiste persoon plaatsvindt nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.2.

Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten, zoals een inbreuk op het verbod van artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277).

4.3.

De hiervoor omschreven taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016, 14).

Beroep op dreigende schending artikel 6 EVRM

4.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de IRK reeds (overeenkomstig de hiervoor bedoelde taakverdeling tussen haar en de minister) heeft geoordeeld over de vraag of uitlevering van [eiser] een dreigende schending van artikel 6 EVRM oplevert. Het IRK heeft het door [eiser] ingenomen standpunt dat dit het geval is, verworpen. Aan het door [eiser] in dit geding opnieuw ingenomen zelfde standpunt wordt voorbij gegaan, nu [eiser] daar geen andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal aan ten grondslag heeft gelegd. [eiser] heeft er weliswaar op gewezen dat het EHRM nadien een uitspraak heeft gedaan in een zaak van een persoon die was uitgeleverd aan Albanië en die had verzocht om een “retrial”, maar dat kan niet als een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid worden aangemerkt, die maakt dat er plaats is voor een nieuwe beoordeling in dit geding. Allereerst is daarvoor van belang dat, zoals de Staat ook stelt, nieuwe jurisprudentie in zijn algemeenheid niet als nieuw feit of nieuwe omstandigheid kan worden aangemerkt die aanleiding kan geven om een nieuwe beoordeling. Bovendien mist die zaak relevantie voor de onderhavige zaak. Daarin is immers geen sprake van een bij een uitlevering verstrekte garantie, zoals hier wel het geval is, en voorts betreft die zaak een zogenoemd “oud geval”, waarbij de termijnen om een beroep te kunnen doen op retrial al waren verstreken, hetgeen in de onderhavige zaak niet het geval is. Het door [eiser] ingenomen standpunt ten aanzien van artikel 6 EVRM kan dan ook geen grond vormen voor toewijzing van het gevorderde in dit geding.

Beroep op dreigende schending artikelen 2 en 3 EVRM

4.5.

De IRK heeft vastgesteld dat [eiser] voldoende heeft aangetoond dat de bloedwraak tegen hem is uitgesproken. Het standpunt van [eiser] dat de Minister daaraan is gebonden wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. Het beroep dat [eiser] heeft gedaan op een dreigende schending van de artikelen 2 en 3 EVRM als gevolg van de volgens hem uitgesproken bloedwraak is ter beoordeling van de Minister. Het IRK heeft de vraag of voormelde vaststelling aanleiding is om afwijzend te beslissen op het uitleveringsverzoek om die reden ook niet beantwoord. Voormelde vaststelling betreft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen dragende overweging van de IRK. Uit de uitspraak van de IRK blijkt verder niet in hoeverre de officier van justitie op de door [eiser] overgelegde stukken (welke dat zijn blijkt overigens evenmin uit de uitspraak) heeft kunnen reageren en heeft gereageerd. Niet kan worden uitgesloten dat – zoals de Staat ter zitting heeft opgemerkt – de officier van justitie zich in de procedure bij de IRK daar (nog) niet heeft uitgelaten, omdat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van genoemde artikelen in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister aan de Minister voorbehouden. Al het vorenstaande in combinatie bezien maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Minister zich zelfstandig een oordeel heeft mogen vormen over de vraag of er aanleiding is om aan te nemen dat [eiser] te vrezen heeft voor bloedwraak. Dat oordeel – inhoudende dat dit door [eiser] onvoldoende aannemelijk is gemaakt – ligt in dit geding dan ook ter toetsing voor.

4.6.

Hetgeen [eiser] in dit geding naar voren heeft gebracht kan er niet leiden dat dit oordeel onjuist moet worden geacht. Daartoe is het volgende redengevend. [eiser] heeft geen enkel stuk overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat de bloedwraak tegen hem is uitgesproken. Hij heeft in zijn dagvaarding wel verwezen naar en geciteerd uit de verklaring als vermeld onder 2.3, die daarna door de Staat in het geding is gebracht (nu de Staat de Albanese Minister van Justitie heeft gevraagd om daarop te reageren) maar dat acht de voorzieningenrechter, evenals de Minister, onvoldoende om uit te kunnen gaan van de juistheid van de stelling van [eiser] . Hetgeen de Minister opmerkt over die verklaring en over haar voorzitter, de heer [X] , die de verklaring heeft ondertekend, zoals vermeld onder 2.7 in de alinea’s 4.7 en 4.8, te weten dat en waarom aan de verklaring geen waarde kan worden gehecht, wordt door de voorzieningenrechter gevolgd. Dit vindt bovendien ook nog bevestiging in het (door de Minister niet genoemde) rapport “Country Information and Guidance Albania: Bloodfeuds” van het UK Home Office van 6 juli 2016 (www.refworld.org/docid/578366a94.html).

4.7.

Voor het overige stelt [eiser] dat het Instituut van Gerechtigheid en Nationale Verzoening een verklaring heeft afgelegd betreffende het voortdurende en onoplosbare conflict tussen [eiser] en de familie van [A] en de omstandigheid dat die familie de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf onterecht en laag heeft bevonden. In die verklaring wordt volgens [eiser] ook melding gemaakt van een verklaring van de burgemeester van [stad] die zou hebben bevestigd dat de familie van [A] zich niet heeft verzoend met [eiser] en dat de vete tussen hen blijft bestaan. Deze uitlatingen over verklaringen die zouden zijn afgelegd zijn echter onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Daarbij is ook acht geslagen op de omstandigheid dat, als de eerstgenoemde verklaring al zouden zijn afgelegd, dat is geschied door een niet-gouvernementele organisatie. Ten aanzien van verklaringen daarvan staat in het onder 4.6 vermelde rapport vermeld dat deze “should not in general be regarded as reliable evidence of the existence of a feud”.

4.8.

Enig ander bewijs dat [eiser] te vrezen heeft voor bloedwraak, zoals bijvoorbeeld documenten van een rechtbank, de politie of het openbaar ministerie, die volgens genoemd rapport wel zouden kunnen bijdragen aan de vaststelling van het bestaan van bloedwraak, is niet overgelegd. Daar komt nog bij dat [eiser] ter onderbouwing van zijn standpunt dat er bloedwraak tegen hem is uitgesproken heeft gesteld dat hij afkomstig is uit het Noorden van Albanie, waar volgens hem de Kanun, zeker destijds, hoogtij vierde. Ter zitting is echter gebleken dat eiser niet afkomstig is uit het Noorden van Albanië maar uit het midden van Albanië. De Staat heeft namelijk gesteld (en de raadsman van [eiser] heeft dat bevestigd) dat [eiser] is geboren in [geboorteplaats] , een plaats in het midden van het land en dat in deze stad ook het delict heeft plaatsgevonden waarvoor hij is veroordeeld. Op dat moment woonde [eiser] in [stad] , een plaats ten Zuiden van [geboorteplaats] .

4.9.

De voorzieningenrechter volgt dan ook de primaire overweging van de Minister, te weten dat de vrees van [eiser] dat juist hij slachtoffer kan worden van bloedwraak door hem onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De vergelijking die [eiser] maakt met de zaak waarin het Gerechtshof Den Haag op 25 november 2014 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:GHDHA:2014:3750) gaat gelet daarop niet op.

4.10.

Voor een aanhouding van de zaak in afwachting van getuigenverhoor, zoals [eiser] (nog meer subsidair) wenst, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Daarvoor is in een kort geding, gezien het karakter daarvan, in beginsel geen plaats en hier is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat van dat uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. Daarbij is mede acht geslagen op het feit dat door [eiser] in dit geding geen enkel bewijs is overgelegd (bij de dagvaarding was geen enkel stuk gevoegd), ook niet in de vorm van schriftelijke verklaringen.

4.11.

De vragen hoe vaak bloedwraak in Albanië nog voorkomt en in hoeverre Albanië in staat is om daartegen toereikende bescherming te bieden, zowel in gevangenissen als daarbuiten, behoeven gelet op het vorenstaande geen beantwoording meer. Al hetgeen partijen daaromtrent naar voren hebben gebracht kan dan ook onbesproken blijven. Voor het verlangen van verdergaande garanties van Albanië dan tot op heden zijn verstrekt is in het licht van het vorenstaande evenmin plaats.

4.12.

De omstandigheid dat [eiser] in Albanië naar eigen zeggen nog maar enkele maanden detentie hoeft te ondergaan, nu een gedetineerde in beginsel slechts de helft van zijn straf hoeft uit te zitten, kan het vorenstaande niet anders maken. Nog daargelaten dat de Staat bij gebrek aan wetenschap heeft betwist dat dit voor [eiser] geldt en ook dit door [eiser] op geen enkele wijze is onderbouwd, is dit onvoldoende om de uitlevering te verbieden.

Tot slot

4.13.

Nu de door [eiser] gestelde dreigende schending van artikel 13 EVRM naar de voorzieningenrechter begrijpt enkel moet worden bezien in combinatie met de artikelen 2 en 3 EVRM en overigens niet nader is onderbouwd, wordt ook daaraan voorbij gegaan.

4.14.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2018.

ts