Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12611

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
AWB 18/2223
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning regulier, artikel 64 Vw, Kenia, Somalië, Paposhvili

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/2223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

(gemachtigde: mr. A.C. de Klerk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

(gemachtigde: mr. F. Ticheler).

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking van 11 november 2016 (het primaire besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2018, tezamen met de behandeling van de zaak AWB18/2224. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 26 mei 2016 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier ‘medische behandeling’ ingediend en gevraagd om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (uitstel van vertrek om medische redenen).

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, onder verwijzing naar adviezen van Bureau Medische Advisering (BMA) van 15 september 2017 en 14 februari 2018.

Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat eiser de Keniaanse nationaliteit heeft en aldaar medische behandeling kan ondergaan. Nederland is volgens verweerder niet het meest aangewezen land is voor het ondergaan van medische behandeling.1

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet de Keniaanse nationaliteit bezit, zodat hij niet in Kenia terecht kan voor medische behandeling. Ter staving hiervan heeft eiser een brief van de Keniaanse ambassade van 30 januari 2012 overgelegd.

Daarnaast meent eiser dat verweerder onzorgvuldig handelt door nu de Keniaanse nationaliteit tegen te werpen, omdat eiser een jaar lang uitstel van vertrek heeft gehad op basis van de aanname van verweerder dat eiser alleen de Somalische nationaliteit bezit.

Ten slotte stelt eiser dat de in Kenia aanwezige voorzieningen ontoereikend zijn en feitelijk niet voor hem toegankelijk.

4. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde adviezen van BMA blijkt dat eiser medische behandeling nodig heeft vanwege epilepsie, Hiv en psychische klachten. Indien de medische behandeling van epilepsie of Hiv wordt gestaakt, is er een risico op het ontstaan van een medische noodsituatie. Dit geldt niet voor de behandeling van eisers psychische klachten. Volgens BMA kan eiser reizen en is de medische behandeling die eiser ontvangt voorhanden in Kenia.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aan BMA gevraagd om te onderzoeken of de medische behandeling in Kenia aanwezig is, omdat moet worden aangenomen dat eiser de Keniaanse nationaliteit heeft. Verweerder heeft daartoe terecht gewezen op de brief van de Keniaanse ambassade van 26 maart 2009, waarin wordt vermeld dat eisers vingerafdrukken identiek zijn aan de vingerafdrukken van de Keniaanse staatsburger [naam 2] . Eisers stelling dat zijn vingerafdrukken bij de Keniaanse autoriteiten zijn aangetroffen omdat hij destijds als vluchteling is ingezet om verkiezingsfraude te plegen, leidt zonder concrete individuele onderbouwing niet tot serieuze twijfel aan de Keniaanse nationaliteit van eiser.

6. Eiser heeft in verband hiermee in een aanvulling op het beroepschrift nog gewezen op een schriftelijke weigering van de Keniaanse ambassade te Den Haag van 30 januari 2012 om aan eiser reisdocumenten te verstrekken. De redenen voor die weigering waren dat eiser volgens de door hem verstrekte gegevens de Somalische nationaliteit heeft, eisers gestelde Keniaanse nationaliteit niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld aan de hand van het met hem gehouden interview op de Keniaanse ambassade en omdat eiser geen documenten ter onderbouwing van zijn verzoek had overgelegd. Uit de desbetreffende brief blijkt echter niet dat eiser zijn verzoek om reisdocumenten heeft gedaan onder vermelding van de bij de Keniaanse autoriteiten bekende persoonsgegevens, zodat eiser ook hiermee niet voldoende heeft weerlegd dat van zijn Keniaanse nationaliteit moet worden uitgegaan.

7. Gelet op het voorgaande is de omstandigheid dat eiser ook de Somalische nationaliteit bezit niet van betekenis voor de verdere beoordeling van het bestreden besluit. Voor zover eiser op grond van die nationaliteit eerder uitstel van vertrek heeft gehad, kan hij daaraan thans geen rechten ontlenen.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud, de volledigheid of de wijze van totstandkoming van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende adviezen van BMA. Uit het BMA-adviezen van 15 september 2017 blijkt dat eiser kan reizen. Uit de bij de adviezen gevoegde landeninformatie blijkt dat de medische behandeling die eiser behoeft in Kenia voorhanden is.

9. In beroep heeft eiser onder verwijzing naar een internetpublicatie2 van 13 april 2018 aangevoerd dat het Coast Provincial General Hospital in Mombassa een minder dan optimale behandelomgeving is. In de publicatie wordt gesproken over een geregeld gebrek aan middelen en het ontbreken van stromend water en elektriciteit. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit echter geen concreet aanknopingspunt om, in weerwil van de landeninformatie, te twijfelen aan de beschikbaarheid van de voor eiser noodzakelijke behandeling van epilepsie. Uit het BMA-advies van 14 februari 2018 volgt dat eiser in genoemd ziekenhuis terecht kan voor behandeling door een neuroloog. De verstrekking van medicatie is volgens de landeninformatie mogelijk in het Mombassa Hospital, elders in Mombassa.

10. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat hij niet in staat zal zijn om de noodzakelijke medicatie te betalen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk vanwege een beperkte toegankelijkheid van de zorg een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM.3 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd.

Eiser heeft slechts gewezen op algemene informatie over de kosten van Hiv-medicijnen van 4 dollar (omgerekend ongeveer 400 Kenyaanse shilling) per maand, kosten van levensonderhoud en het gemiddelde maandsalaris van ongeveer 37.000 Kenyaanse shilling. Hieruit volgt nog niet dat de medische zorg voor hem niet toegankelijk is. Eiser stelt, maar heeft niet concreet onderbouwd, dat hij persoonlijk niet zal kunnen beschikken over de benodigde middelen en dat hij evenmin kan rekenen op hulp van derden.

Ter zitting heeft eiser nog naar voren gebracht dat de verschillende voorgeschreven medicijnen alleen beschikbaar zijn in ziekenhuizen die 500 kilometer van elkaar verwijderd liggen. Eiser heeft echter niet inzichtelijk gemaakt wat dat voor hem persoonlijk betekent: bijvoorbeeld of en zo ja, hoe vaak hij die afstand moet afleggen voor het verkrijgen van de medicatie. De rechtbank volgt eiser niet in diens stelling dat op hem hiermee een te zware bewijslast rust.

11. Eiser stelt ten slotte dat de uitzetting als zodanig een risico op intens lijden met zich brengt en daarom in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat door de uitzetting een significante verslechtering van eisers medische toestand te verwachten is. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij nachtmerries heeft, slecht slaapt, en angstig is voor een mogelijke uitzetting. De rechtbank stelt vast deze psychische klachten door BMA zijn betrokken in de advisering en dat eiser geacht wordt te kunnen reizen.

12. Nu ervan uit moet worden gegaan dat eiser naar Kenia kan terugkeren voor het ondergaan van medische behandeling aldaar, heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen.

13. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 3.46 van het Vreemdelingenbesluit 2000

2 http://ameca.org.uk/directory/listing/coast-provincial-general-hospital-kenya

3 Uitspraken van de Afdeling van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2627, 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2362 en 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2739