Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12578

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
NL17.15749
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, bekering tot het christendom, ADD, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15749


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W.H. Taymour. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen zijn gestelde diagnose van ADD te onderbouwen met medische stukken.

Eiser heeft hierop bij brieven van 12 september 2018 en 21 september 2018 gereageerd.

Verweerder heeft bij brief van 24 september 2018 gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben verleend voor het doen van een uitspraak zonder nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1991 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 2 november 2015 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- eiser stelt [naam] te zijn, afkomstig uit Bagdad (Irak) en in het bezit te zijn van de Iraakse nationaliteit;

- eiser stelt te zijn bekeerd tot het christendom;

- eiser stelt problemen te hebben ondervonden in verband met zijn werkzaamheden voor Jana;

- eiser stelt te hebben deelgenomen aan een demonstratie op 25 augustus 2014.

Verweerder acht de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser op 25 augustus 2014 bij een demonstratie op het Tahrirplein aanwezig was. Eisers verklaringen over zijn bekering tot het christendom, zijn werkzaamheden voor Jana en de daaruit voortvloeiende problemen worden door verweerder niet geloofd.

3. Eiser wijst in zijn beroepsgronden op het feit dat hij eerder werd bijgestaan door een andere advocaat. Deze advocaat heeft niet opgemerkt dat eiser concentratieproblemen heeft waardoor daarmee geen rekening is gehouden bij de gehoren. Eiser is hierdoor in zijn belangen geschaad omdat hij door zijn concentratieproblemen geen goede antwoorden op de vragen heeft kunnen geven tijdens de gehoren. Eiser voert verder, kort samengevat, aan dat verweerder zijn bekering ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Verweerder heeft eiser onvoldoende gelegenheid gegeven om mogelijke onduidelijkheden te verhelderen of aan te vullen. Omdat deze procedure al bijna drie jaar loopt heeft eiser zelf een verklaring opgesteld waarin hij omschrijft hoe het nu staat met zijn bekering. Ook heeft eiser nog andere aanvullende documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn (proces van) bekering. Eiser verwijst in dit kader ook naar de nieuwe werkinstructie die sinds kort van toepassing is op zaken zoals deze en waarin staat dat meer waarde gehecht moet worden aan de activiteiten die eiser ontplooit in het kader van zijn bekering. Eiser voert daarnaast aan dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een organisatie bestaat die Jana heet en dat hij daar werkzaamheden voor verricht heeft. Ook stelt eiser dat hij voldoende duidelijk heeft verklaard over de beschieting die plaatsvond op 31 maart 2017.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

Eerst in beroep stelt eiser dat hij is gediagnosticeerd met ADD en dat dit hem heeft belemmerd bij het geven van duidelijke antwoorden tijdens het nader gehoor en het aanvullend gehoor. De rechtbank is van oordeel dat eiser deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Tot op heden is eiser er niet in geslaagd om een document te overleggen waaruit blijkt dat hij is gediagnosticeerd met ADD. Eiser erkent dit ook. Uit de medische gegevens die eiser wel heeft overgelegd blijkt dat er een vermoeden is van AD(H)D maar dat een verdere beoordeling nodig is. Eiser krijgt medicijnen voor ADD. Anders dan eiser stelt, is het feit dat hij deze medicijnen gebruikt voor de rechtbank onvoldoende om op grond daarvan uit te gaan van een diagnose. Temeer nu uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat hij de medicijnen op eigen verzoek heeft gekregen en dat de medicatie op proef is gegeven in verband met de tijdsdruk van deze procedure.

Voorts blijkt uit het FMMU advies van 14 april 2016 dat er geen klachten zijn geconstateerd en dat er geen sprake was van beperkingen die relevant zouden zijn voor het horen en beslissen. Ook heeft eiser tijdens de gehoren zelf niet aangegeven dat hij concentratieproblemen had. Dat eiser destijds een andere advocaat had en het daarom niet is aangestipt in de correcties en aanvullingen, wat daar ook van zij, doet daar niet aan af. Gelet op het voorgaande leidt dit niet tot het oordeel dat verweerder niet uit heeft kunnen gaan van hetgeen eiser heeft verklaard tijdens zijn gehoren.

4.2

Ten aanzien van het eerste door verweerder niet geloofwaardig geachte relevante element – eisers gestelde bekering tot het christendom – overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) past verweerder een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die zien op drie elementen: (i) de motieven voor en het proces van bekering, (ii) de kennis van de nieuwe religie en (iii) de activiteiten die de vreemdeling ten aanzien van de nieuwe religie ontplooit. Het zwaartepunt ligt op de antwoorden van de vreemdeling over zijn eigen ervaringen en de persoonlijke beleving. De vreemdeling moet in dit kader inzichtelijk of aannemelijk maken dat sprake is van een weloverwogen keuze voor het ander geloof en een diepgewortelde overtuiging. Dit geldt temeer wanneer de vreemdeling afkomstig is uit een land waar bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is en kan worden bestraft. De verklaringen over deze drie elementen moeten steeds in onderling verband worden bezien, waarbij vanwege de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 10 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1307) en 30 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1068).

Per 1 juli 2018 is de nieuwe Werkinstructie 2018/10 Bekeerlingen in werking getreden. Met deze Werkinstructie is een intern informatiebericht met daarin de hierboven weergegeven vaste gedragslijn openbaar gemaakt. Van nieuw beleid is dan ook geen sprake. Dit wordt bevestigd in de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 4 juli 2018. Hoewel het bestreden besluit van voor de Werkinstructie is, ziet de rechtbank mede gelet hierop geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder, zoals door eiser gesteld, de asielaanvraag van eiser anders had moeten beoordelen dan hij heeft gedaan.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn bekering niet geloofwaardig zijn. Eiser stelt in januari 2013 bekeerd te zijn tot het christendom, nadat hij sinds 2006 studie had gemaakt van het christendom. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat gezien dit lange tijdsverloop, van eiser verwacht mocht worden dat hij duidelijk kon verklaren waarom hij zich van de islam heeft afgewend en zich tot het christendom heeft bekeerd. Eiser heeft evenwel slechts algemene verklaringen gegeven voor de reden waarom hij zich van de islam heeft afgewend en hij heeft deze verklaringen verder niet onderbouwd. Ook heeft eiser onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat er uiteindelijk toe geleid heeft dat hij besloot zich te bekeren tot het christendom. Verweerder heeft eiser hier meerdere keren naar gevraagd, maar eiser heeft hierin geen inzicht gegeven. Ook heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser vage en algemene verklaringen heeft afgelegd over wat zijn bekering hem persoonlijk heeft opgeleverd. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een innerlijke en oprechte bekering.

Verweerder heeft voorts niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser niet middels zijn verklaringen tijdens de gehoren aannemelijk heeft gemaakt dat hij over (voldoende) kennis van het christendom en de Bijbel beschikt. Eiser heeft onjuist verklaard door wie de Bijbel is geschreven en waaruit de Bijbel bestaat. Ook heeft eiser geen duidelijk antwoord gegeven op de vraag wie Jezus is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser vanwege deze summiere verklaringen ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij sinds 2013 de kerk heeft bezocht in Irak en later ook in Nederland. Eisers stelling dat het feit dat hij er jaren over heeft gedaan om uiteindelijk tot zijn bekering te komen niet wil zeggen dat hij in die jaren voldoende feitenkennis heeft opgedaan over zijn nieuwe religie, volgt de rechtbank dan ook niet.

4.3

Eiser heeft bij zijn aanvullende gronden een verklaring van hemzelf overgelegd waarin hij uitlegt hoe zijn bekering er nu voor staat. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat aan deze verklaring, die is opgesteld met behulp van een kennis, niet de door eiser gewenste waarde kan worden gehecht. Het is in de eerste plaats aan eiser om het asielrelaas tijdens zijn gehoor, al dan niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen, naar voren te brengen. Bovendien heeft verweerder in het aanvullend verweerschrift terecht gewezen op een tegenstrijdigheid naar aanleiding van eisers verklaring. Eiser heeft tijdens het nader gehoor en het aanvullend gehoor een aantal keer verklaard dat hij in 2013 was bekeerd dan wel dat hij toen heeft gekozen voor het christendom. In de door eiser ingebrachte nieuwe verklaring staat echter dat hij nog niet bekeerd was toen hij in Nederland aankwam. Deze tegenstrijdigheid dient voor rekening van eiser te komen.

4.4

Ten aanzien van verklaringen van derden is in de Werkinstructie 2018/10 herhaald dat het uitgangspunt blijft dat de vreemdeling tegenover verweerder overtuigend dient te kunnen verklaren over zijn bekering. De rechtbank ziet niet in dat verweerder zich niet aan deze nieuwe werkinstructie heeft gehouden bij de beoordeling van eiser asielrelaas. Nu eisers eigen verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn bevonden kan niet de door eiser gewenste waarde worden gehecht aan het door hem ingebrachte rapport van de stichting Gave, aan eisers doopakte en aan de verklaring van de priester van de oud-katholieke parochie van Utrecht, mevrouw Jutta-Eilander van Maaren. Deze stukken kunnen niet in de plaats treden van eisers eigen, ongeloofwaardig geachte, verklaringen.

4.5

Ten aanzien van het tweede door verweerder niet geloofwaardig geachte relevante element – de gestelde problemen in verband met eisers werkzaamheden voor Jana – overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft, kort samengevat, verklaard dat hij sinds 2010 lid is van de mensenrechtenorganisatie Jana. Op 13 februari 2014 is eiser met een aantal andere leden van Jana door Badar, een politieke organisatie, uitgenodigd voor een begrafenis van een

bekende Sjeik. Op 29 maart 2014 werd door Badar een bijeenkomst georganiseerd in verband met een campagne en werd eiser tezamen met andere leden van Jana uitgenodigd om te komen spreken. Tijdens deze bijeenkomst werd eiser ervan beschuldigd zich te hebben bekeerd tot het christendom en werd hij bedreigd. Op 31 maart 2017 werd eiser

vlakbij een controlepost beschoten.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij lid was van Jana en welke activiteiten hij voor deze organisatie heeft ontplooid. Uit de gehoren blijkt dat eiser summier heeft verklaard over de organisatie zelf en over de activiteiten daarvan. Eiser heeft daarmee ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat zijn werkzaamheden voor Jana waren. Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is beschoten en door wie hij zou zijn beschoten. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat de littekens zoals die zijn geconstateerd door het FMMU niet overeenkomen met de verklaringen van eiser over de schotwonden. Eiser heeft bovendien geen aanleiding gezien om te vertrekken naar aanleiding van de beschieting.

5. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op10 oktober 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.