Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12502

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
C/09/558890 / KG ZA 18-886
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

vordering tot opheffing conservatoire beslagen; deels toegewezen want summierlijk gebleken van ondeugdelijkheid van een deel van de ingeroepen vorderingsrechten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/558890 / KG ZA 18-886

Vonnis in kort geding van 23 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. P.J. Soede te Utrecht,

tegen:

SOLIDIAM VORDERINGEN B.V. te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘Solidiam Vorderingen’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 september 2018;

- de akte houdende overlegging producties van [eiser] ;

- de brief van mr. Bol van 28 september 2018, met producties;

- de op 2 oktober 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] houdt zich (via zijn beheermaatschappij [B.V.I] ) bezig met de exploitatie van vastgoed.

2.2.

Solidiam N.V. is een houdstermaatschappij. Tot [datum overlijden] waren [A] en de heer [B] (hierna: ‘ [B] ’) de bestuurders van Solidiam N.V. Op die datum is [B] overleden. Solidiam N.V. wordt sindsdien bestuurd door [A] . De aandelen van Solidiam N.V. worden gehouden door de Stichting Administratiekantoor Solidiam. [A] en de erven [B] houden ieder 50% van de certificaten van de door deze stichting uitgegeven aandelen.

2.3.

De persoonlijke holdingmaatschappijen van [A] ( [B.V. II] ) en [B] ( [B.V. III] B.V.) houden ieder 50% van de aandelen in Solid Assets. Solid Assets houdt zich eveneens bezig met de exploitatie van onroerend goed. Solidiam N.V. is bestuurder van Solid Assets.

2.3.1.

De aandelen in [B.V. III] B.V. worden gehouden door [Stichting Administratiekantoor B Holding] , waarvan thans de erven [B] de bestuurders zijn.

2.4.

Op 3 december 2009 hebben [B.V.I] en Solidiam N.V. een koopovereenkomst gesloten met de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Zorgverzekeraars betreffende de aankoop van een aan deze stichting in eigendom toebehorende vastgoedportefeuille.

2.5.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft op 2 juni 2017 aan [eiser] verlof verleend tot het leggen van conservatoir (derden)beslag ten laste van [A] en Solid Assets, zulks in verband met door [eiser] gestelde openstaande geldleningen. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [eiser] voorlopig begroot op € 3.254.000,--.

2.5.1.

ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ‘ABN AMRO’) heeft op 4 juli 2017 verklaard dat de op 6 juni 2017 door [eiser] ten laste van [A] gelegde conservatoire beslagen op een tweetal privérekeningen van [A] een bedrag van in totaal € 9.040,06 hebben getroffen. Bij verklaring van gelijke datum heeft ABN AMRO verklaard dat het door [eiser] ten laste van Solid Assets gelegde conservatoire beslag een ondernemersrekening heeft geraakt met daarop een saldo van € 129,90.

2.5.2.

De overige door [eiser] gelegde conservatoire beslagen op aan [A] en Solid Assets toebehorende onroerende zaken en de ten laste van hen gelegde conservatoire derdenbeslagen hebben geen zekerheid opgeleverd voor het verhaal van de door [eiser] gestelde openstaande geldleningen.

2.6.

[eiser] heeft [A] , de erven [B] , Solid Assets en Solidiam N.V. bij dagvaardingen van 20 juni 2017 in rechte betrokken. In die bij de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakte bodemprocedure vorderde [eiser] primair een hoofdelijke veroordeling van [A] en de erven [B] , dan wel subsidiair een veroordeling van Solid Assets dan wel meer subsidiair een veroordeling van Solidiam N.V. tot – kort gezegd – betaling van een bedrag van € 2.761.010,72. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat hij in verband met de hiervoor genoemde koopovereenkomst van 3 december 2009 zowel in maart als in oktober 2010 een lening van € 1.200.000,-- aan [A] en [B] , althans aan Solid Assets, althans aan Solidiam N.V. heeft verstrekt en dat de openstaande hoofdsommen en de daarover nog verschuldigde rente als gevolg van een opzegging van die leningen per 31 december 2015 opeisbaar zijn. [A] , de erven [B] , Solid Assets en Solidiam N.V. hebben in die procedure ten verwere gesteld dat de beide betalingen van € 1.200.000,-- niet kwalificeren als geldleningen, maar strekten tot de voldoening door [eiser] aan een eigen verplichting om bij te dragen aan de aankoop van een deel van de vastgoedportefeuille. Dit is volgens hen vormgegeven als een informele kapitaalverstrekking aan Solid Assets, waarvoor een vergoeding zou worden betaald als de resultaten van Solid Assets dat zouden toelaten.

2.7.

[eiser] heeft uit hoofde van een daartoe op 21 november 2017 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verleend verlof op 23 november 2017 ten laste van [A] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder een drietal banken. Deze beslagen hebben geen doel getroffen.

2.8.

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 21 maart 2018 geoordeeld dat [eiser] de door hem gestelde leningen heeft verstrekt aan Solidiam N.V. en Solidiam N.V. – kort gezegd – veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 2.761.010,72. Zowel [eiser] als Solidiam N.V. heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Deze procedures zijn thans nog aanhangig.

2.9.

De advocaat van [eiser] heeft Solidiam N.V. op 22 maart 2018 middels een aan haar advocaat gerichte brief gesommeerd om binnen veertien dagen over te gaan tot betaling van een bedrag van € 2.902.330,71.

2.10.

Op 22 maart 2018 heeft Solidiam N.V. aan zowel [B.V. II] als [B.V. III] B.V. het recht van hypotheek verleend op een aan Solidiam N.V. in eigendom toebehorend registergoed, zulks in beide gevallen tot een bedrag van € 3.500.000,--.

2.10.1.

[eiser] heeft ten aanzien van deze hypotheken de actio Pauliana ingeroepen en heeft Solidiam N.V., [B.V. II] en [B.V. III] B.V. in een bodemprocedure betrokken. Deze procedure is thans nog aanhangig.

2.11.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 22 maart 2018 aan ABN AMRO bericht dat de op 6 juni 2017 ten laste van [A] en Solid Assets gelegde conservatoire beslagen worden opgeheven.

2.11.1.

De door [eiser] ingeschakelde deurwaarder heeft bij processen-verbaal van 23 maart 2018 verklaard de op 6 juni 2017 door [eiser] op onroerende zaken van [A] en Solid Assets gelegde conservatoire beslagen op te heffen.

2.12.

Op 24 april 2018 is Solidiam Vorderingen opgericht met Solidiam N.V. als enig aandeelhouder en bestuurder.

2.12.1.

De aandelen in Solidiam Vorderingen zijn op 9 mei 2018 overgedragen aan Stichting Administratiekantoor Vorderingen. Sinds 10 mei 2018 is mevrouw [X] bestuurder van Solidiam Vorderingen en van Stichting Administratiekantoor Vorderingen.

2.13.

Solidiam Vorderingen heeft uit hoofde van een daartoe op 15 mei 2018 verstrekt verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 25 mei 2018 conservatoir beslag doen leggen onder 328 aan [eiser] in eigendom toebehorende onroerende zaken alsmede conservatoir derdenbeslag onder tien huurders van [eiser] .

2.14.

Solidiam Vorderingen heeft [eiser] bij dagvaarding van 22 juni 2018 (en herstelexploot van 29 juni 2018) voor deze rechtbank gedagvaard tegen de terechtzitting van 10 oktober 2018. Solidiam Vorderingen vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat [eiser] met zijn beslagleggingen onrechtmatig jegens [A] en/of Solid Assets heeft gehandeld alsmede een veroordeling van [eiser] tot vergoeding van de door [A] en/of Solid Assets geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.14.1.

In voormelde bodemprocedure stelt Solidiam Vorderingen – kort gezegd – dat [A] en Solid Assets schade hebben geleden als gevolg van de door [eiser] gelegde conservatoire beslagen. Als gevolg van deze beslagen was [A] volgens Solidiam Vorderingen niet meer in staat om projecten van zijn ondernemingen in privé (voor) te financieren. Hierdoor ontstonden liquiditeitsproblemen bij [A] in privé en (daarmee bij) zijn ondernemingen, waaronder Solid Assets met schade in de vorm van a) spoedverkopen van diverse objecten, b) het hanteren van afwijkende financieringsmethoden, c) commerciële schade in relatie tot banken en huurders en d) kosten in verband met de vaststelling van de schade. [A] en Solid Assets hebben hun schadevorderingen op [eiser] gecedeerd aan Solidiam Vorderingen.

2.14.2.

Ter onderbouwing van de geleden schade heeft Solidiam Vorderingen in de bodemprocedure verwezen naar een in opdracht van [A] door [Y] , verbonden aan Hermes Advisory B.V., op 18 april 2018 opgemaakt ‘Rapport inzake indicatieve vermogensschade van de heer [A] en zijn ondernemingen’ (hierna: ‘het schaderapport’). In het schaderapport wordt de door [A] en zijn ondernemingen als gevolg van de beslagleggingen door [eiser] geleden schade indicatief begroot op een bedrag tussen € 9.112.304,-- en € 12.629.604,--. Uit het rapport volgt dat de deskundige ervan uit is gegaan dat sprake is geweest van vexatoire beslagleggingen. Daarnaast heeft de deskundige de causaliteit tussen de schadeposten en de vexatoire beslagen als gegeven beschouwd.

2.14.3.

Op 14 augustus 2018 heeft Solidiam Vorderingen krachtens een daartoe verstrekt verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank conservatoir derdenbeslag doen leggen onder twee huurders van [eiser] alsmede onder Solid Assets B.V.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de door Solidiam Vorderingen ten laste van hem gelegde conservatoire (derden)beslagen op te heffen en Solidiam Vorderingen te gebieden de inschrijving van de beslagen op de onroerende zaken te laten doorhalen in het Kadaster, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. Solidiam Vorderingen te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat de door Solidiam Vorderingen gestelde vorderingen op hem ondeugdelijk zijn, nu [A] en Solid Assets als gevolg van de ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen niet die schade hebben geleden waarvan thans via Solidiam Vorderingen vergoeding wordt gevorderd. [eiser] wijst er in dit verband op dat de op de onroerende zaken van [A] gelegde conservatoire beslagen geen doel hebben getroffen, omdat deze onroerende zaken zwaar zijn verhypothekeerd. De ten laste van [A] gelegde conservatoire bankbeslagen hebben volgens [eiser] slechts een bedrag van € 9.000,-- getroffen. Dat niettemin als gevolg van deze beslagen een schade zou zijn geleden van € 12.000.000,--, is volgens [eiser] in het geheel niet onderbouwd. Het overgelegde, uitsluitend op aannames gebaseerde, schaderapport onderbouwt het bestaan van deze schade en het vereiste causaal verband tussen die schade en de beslagleggingen naar de mening van [eiser] niet. Volgens [eiser] moeten de vestiging door Solidiam N.V. van de onder rov. 2.10 bedoelde hypotheekrechten en de oprichting van de lege, door een katvanger bestuurde en ingeval van schade geen verhaal biedende, vennootschap Solidiam Vorderingen en de door haar gepretendeerde schadevordering worden bezien in het licht van de wens van [A] (in zijn hoedanigheid van bestuurder van Solidiam N.V.) om niet te hoeven voldoen aan het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2018. Volgens [eiser] dienen de beslagleggingen van Solidiam Vorderingen uitsluitend als pressiemiddel om hem te bewegen af te zien van verdere incassering van de geldleningen. Bij gebreke van een deugdelijk vorderingsrecht zijn naar de mening van [eiser] de thans door Solidiam Vorderingen ten laste van hem gelegde conservatoire beslagen onrechtmatig en dienen deze te worden opgeheven. Dit klemt volgens [eiser] temeer nu deze beslagen meer verhaal bieden dan het vorderingsrecht waarvoor destijds beslagverlof is verleend.

3.3.

Solidiam Vorderingen voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Solidiam Vorderingen heeft in deze procedure ter zitting uitgebreid betoogd dat in haar visie geen sprake is van de door [eiser] gestelde geldleningen en dat, voor zover hiervan wel sprake mocht zijn, Solid Assets als contractuele wederpartij heeft te gelden. Daarnaast heeft zij gemotiveerd gesteld dat met het vestigen van de onder rov. 2.10 genoemde hypotheekrechten niet paulianeus is gehandeld. Over beide kwesties behoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze kortgedingprocedure niet te worden geoordeeld. De rechtbank Amsterdam heeft in het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 21 maart 2018 immers reeds geoordeeld dat sprake is van een geldlening tussen [eiser] en Solidiam N.V. en heeft Solidiam N.V. veroordeeld tot terugbetaling van het openstaande saldo van deze lening. Tegen dit vonnis heeft zowel [eiser] als Solidiam N.V. hoger beroep ingesteld. Deze procedures lopen thans nog en het debat over de juistheid van het oordeel van de rechtbank Amsterdam over de geldleningen dient dan ook in die procedures te worden gevoerd. Ook de vraag of met het vestigen van de beide hypotheekrechten al dan niet paulianeus is gehandeld, is door [eiser] in een thans nog aanhangige bodemprocedure ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd, zodat het de rechtbank is die zich hieromtrent een oordeel dient te vormen.

4.1.1.

In het kader van deze kortgedingprocedure ligt uitsluitend de vraag voor of aanleiding bestaat om de door Solidiam Vorderingen ten laste van [eiser] gelegde conservatoire beslagen op te heffen. Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. Beoordeeld dient derhalve te worden of [eiser] summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door Solidiam Vorderingen ingeroepen vorderingsrecht dan wel van het onnodige van de ten laste van hem gelegde conservatoire beslagen heeft doen blijken. Daarbij komt het aan op de vraag of door [eiser] voldoende aannemelijk is gemaakt dat die beslagen bij [A] en Solid Assets (jegens wie de rechtbank Amsterdam de vorderingen van [eiser] heeft afgewezen) niet hebben geleid tot de schade waarvan Solidiam Vorderingen thans, na cessie door [A] en Solid Assets van hun vorderingsrechten, in een bodemprocedure vergoeding vordert en waarvoor zij ten laste van [eiser] conservatoir beslag heeft doen leggen.

4.2.

Solidiam Vorderingen heeft voor wat betreft de onderbouwing van de door [A] en Solid Assets ten gevolge van de beslagleggingen geleden schade hoofdzakelijk verwezen naar het schaderapport. Ter zitting is van de zijde van Solidiam Vorderingen toegelicht dat het overgrote deel van de in dit rapport genoemde schade is ontstaan doordat de Rabobank als gevolg van de beslagleggingen door [eiser] de stekker heeft getrokken uit een lopend herfinancieringstraject van de aan [A] in eigendom toebehorende panden aan de [adres] . Dit financieringstraject zou zich op dat moment in een vergevorderd stadium hebben bevonden. Ter onderbouwing hiervan zijn door Solidiam Vorderingen een ‘Indicatieve Term Sheet’ van de Rabobank van 9 juni 2017 en een taxatierapport overgelegd. In de ‘Indicatieve Term Sheet’ staat uitdrukkelijk vermeld dat dit een discussiestuk betreft dat slechts dient om een redelijke indicatie te geven van een mogelijke transactiestructuur tussen de Rabobank en (voor zover thans van belang) [A] . Daarbij zou het gaan om een kredietfaciliteit in rekening-courant van € 5.000.000,-- ten behoeve van een verbouwing. Volgens Solidiam Vorderingen zouden met deze kredietfaciliteit bestaande kredieten van € 750.000,-- en € 1.000.000,-- worden ingelost. Met het alsdan resterende bedrag zou een lening van [A] bij zijn oom ter grootte van € 3.250.000,-- met een hoger rentepercentage dan die van de kredietfaciliteit bij de Rabobank worden ingelost, zodat [A] een aanzienlijk rentevoordeel zou hebben behaald.

4.2.1.

Met [eiser] is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat met het uitsluitend overleggen van de ‘Indicatieve Term Sheet’ en het taxatierapport grote vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het gestelde vergevorderde stadium van het herfinancieringstraject via de Rabobank en het doel waarvoor het te verkrijgen krediet zou hebben kunnen worden aangewend. Dit laat echter onverlet dat in het beperkte bestek van deze procedure niet kan worden uitgesloten dat [A] de bedoelde kredietfaciliteit zonder de beslagleggingen door [eiser] zou hebben kunnen verkrijgen en daarmee een rentevoordeel van – naar Solidiam Vorderingen stelt – per 18 april 2018 € 135.426,67 zou hebben kunnen behalen.

4.2.2.

Solidiam Vorderingen heeft in deze procedure tevens betoogd dat de oom van [A] het met de kredietfaciliteit afgeloste bedrag van € 3.250.000,-- weer als werkkapitaal aan [A] ter beschikking zou hebben gesteld en dat [A] hiermee (vastgoed)aankopen zou hebben kunnen financieren. Deze, in het licht van het door Solidiam Vorderingen betoogde rentevoordeel weinig voor de hand liggende stelling, is echter in deze procedure op geen enkele wijze onderbouwd, zodat op voorhand niet valt in te zien dat het gestelde afketsen van het herfinancieringstraject [A] heeft genoodzaakt tot het met spoed bewandelen van de in deze procedure gestelde andere wegen om gelden tot een bedrag van € 3.250.000,-- vrij te maken. De voorzieningenrechter tekent nog aan dat het schaderapport aan deze conclusie niet afdoet, nu daarin het vereiste causaal verband tussen de beslagleggingen van [eiser] en de door Solidiam Vorderingen gestelde schade van [A] in de vorm van minderopbrengst naar aanleiding van een aantal spoedverkopen van onroerend goed en de gestelde schade als gevolg van het hanteren van afwijkende financieringsmethoden als ‘gegeven’ is beschouwd. Dit causaal verband is daarmee in deze procedure – wat hier verder ook van zij – onvoldoende aannemelijk geworden, zodat in zoverre summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de door Solidiam ingestelde vorderingen.

4.2.3.

Solidiam Vorderingen heeft voorts betoogd dat Solid Assets schade heeft geleden doordat de beslagen van [eiser] onder de huurders van Solid Assets ertoe hebben geleid dat ING Bank N.V. haar pandrecht heeft ingeroepen, waardoor Solid Assets niet langer over de huuropbrengsten kan beschikken. Ook heeft Solid Assets volgens Solidiam Vorderingen als gevolg van de door [eiser] gelegde beslagen reputatieschade geleden. Ten slotte hebben [A] en Solid Assets volgens Solidiam Vorderingen kosten moeten maken ter begroting van hun ten gevolge van de gelegde beslagen geleden schade, welke kosten volgens haar op [eiser] kunnen worden verhaald. [eiser] heeft ook het bestaan van deze schadeposten weersproken. Hoewel aan [eiser] kan worden toegegeven dat ook de nodige vraagtekens kunnen worden geplaats bij (de hoogte van) deze gestelde schadeposten, valt op voorhand niet uit te sluiten dat enige schade in voormelde zin door [A] en Solid Assets wordt geleden. Dit zal echter pas in de reeds aanhangige bodemprocedure, waarin in tegenstelling tot de kortgedingprocedure wel ruimte is voor feitenonderzoek en bewijslevering, kunnen worden vastgesteld. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat thans summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van deze door Solidiam Vorderingen gestelde schadeposten.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat, met uitzondering van het door Solidiam Vorderingen betoogde rentevoordeel, de gestelde schade als gevolg van de beslagen onder de huurders van Solid Assets, de gestelde reputatieschade en de kosten ter begroting van schade, [eiser] in deze procedure voor het overige summierlijk heeft doen blijken van de ondeugdelijkheid van het door Solidiam Vorderingen ingeroepen vorderingsrecht.

4.3.1.

Vervolgens is de vraag wat een en ander betekent voor de door Solidiam Vorderingen ten laste van [eiser] gelegde beslagen. [eiser] heeft onvoldoende weersproken gesteld dat de door Solidiam Vorderingen beslagen onroerende zaken te [plaats 2] en [plaats 3] reeds een overwaarde hebben van ongeveer € 10.000.000,--. Gelet hierop, biedt handhaving van de beslagen op deze onroerende zaken, die – naar de rechtbank begrijpt – [eiser] in zijn bedrijfsvoering nauwelijks hinderen, dus meer dan voldoende zekerheid voor het thans niet als summierlijk ondeugdelijk aangemerkte deel van de door Solidiam Vorderingen gestelde schadevordering. Dit betekent dat voor handhaving van de overige beslagen geen grond bestaat en deze dienen te worden opgeheven. De voorzieningenrechter zal deze beslagen bij dit vonnis opheffen. Met dit vonnis kan [eiser] deze beslagen vervolgens zelf laten doorhalen, zodat hij geen belang heeft bij de gevorderde veroordeling van Solidiam Vorderingen daartoe.

4.4.

Aangezien partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten op de hierna te melden wijze tussen hen worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

heft op de door Solidiam Vorderingen ten laste van [eiser] gelegde conservatoire (derden)beslagen, met uitzondering van de gelegde conservatoire beslagen op de aan [eiser] toebehorende onroerende zaken te [plaats 2] en [plaats 3] ;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018.

mw