Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12465

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
C-09-560582-KG ZA 18-998
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Plaatsing in penitentiair programma en toekenning verlofaanvragen. Eiser is ontvankelijk. Geen spoedprocedure bij RSJ mogelijk tegen afwijzende beslissing van selectiefunctionaris. Na marginale toets worden vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/560582 / KG ZA 18/998

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] verblijvende te [locatie 1],

eiser,

advocaat mr. W.B.O. van Soest te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. S.J.M. Bouwman te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door de Staat overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiser is op 8 mei 2018 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden wegens het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij de invoer van cocaïne. Eiser is sinds 13 juli 2018 gedetineerd in de Zeer Beperkt Beveiligde Inrichting (ZBBI) […].

2.2.

Op 20 juli 2017 hebben de ZBBI […] enerzijds en [X] anderzijds een overeenkomst van opdracht gesloten waardoor een werkervaringsplaats voor eiser is gecreëerd. Ingevolge deze overeenkomst zou eiser werkzaam zijn bij [X] vanaf 23 juli 2018 tot 23 augustus 2018.

2.3.

Op 8 augustus 2018 is een senior casemanager van ZBBI […] op controle geweest bij de vestiging van [X] te [plaats 1]. Daar trof hij eiser niet aan. De enige aanwezige monteur gaf aan dat eiser er niet was en volgende week zou terugkomen. Later die dag heeft de senior casemanager tevens de vestiging van [X] te [plaats 2] bezocht. Daar trof hij twee mannen aan die auto’s aan het poetsen waren. Zij deelden mee eiser niet te kennen.

2.4.

Naar aanleiding hiervan is aan eiser op 9 augustus 2018 een ordemaatregel ex artikel 24.2 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) opgelegd inhoudende 14 dagen afzondering in een afzonderingscel.

2.5.

Op 9 augustus 2018 heeft de selectiefunctionaris aan eiser bericht:

“Ik laat u weten dat ik heb besloten het voorstel voor deelname aan een penitentiair programma af te wijzen.

Bij uw verzoek tot deelname aan het PP heeft de vrijhedencommissie negatief geadviseerd. Dit omdat u in de ZBBI tewerk bent gesteld en bij een controle op de werkvloer bleek dat u niet aanwezig was op de plaats van tewerkstelling.

Op grond hiervan wordt het eerder positieve advies van de vrijhedencommissie met betrekking tot uw deelname aan het PP, ingetrokken.

Gelet op het niet houden aan de regels tijdens uw verblijf in de ZBBI, heb ik tevens geen vertrouwen in een goed verloop van uw deelname aan het PP.

Uit het gespreksverslag van de casemanager blijkt dat het niet aanwezig zijn op de werkvloer geen eenmalig incident is. Het personeel daar moest diep nadenken of men u kende en gaf later aan dat u tot volgende week op vakantie was.”

2.6.

Tegen deze beslissing heeft eiser beroep ingesteld bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).

2.7.

Op 14 augustus 2018 heeft de selectiefunctionaris besloten tot overplaatsing van eiser van de ZBBI […] naar de normaal beveiligde inrichting JC [locatie 2] te [locatie 1]. Op 15 augustus 2018 heeft eiser tegen deze beslissing een bezwaarschrift ingediend.

2.8.

De selectiefunctionaris heeft het bezwaarschrift op 10 september 2018 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de selectiefunctionaris onder meer als volgt overwogen:

“In de kern komt het bezwaar erop neer dat u op de dag van de controle gewoon aanwezig was op uw werk. Daarvoor zijn verklaringen overgelegd van verschillende personen. Daartegenover staat het rapport van de senior casemanager die langs de twee locaties is geweest van uw werkgever en daar de aanwezige personen heeft gesproken. Hen is de vraag gesteld of u die dag werkzaam was op de betreffende locatie. Op beide locaties is door de aanwezige personen aangegeven dat u niet aanwezig was en dat onbekend was waar u wel was. De verklaringen die in bezwaar en bij de dagvaarding in kort geding zijn overgelegd betreffen verklaringen van personen die blijkbaar op het moment van controle ook niet aanwezig waren. Daarbij zij nog opgemerkt dat uit de verklaringen van dhr. [A] blijkt dat hij een duidelijk economisch belang heeft bij de voortduring van uw ZBBI status en het kunnen werken binnen diens bedrijf. De verklaringen afwegende ben ik van oordeel dat aan het op ambtseed opgemaakte verslag vanuit de PI meer gewicht toegekend kan worden dan de verklaringen van de werkgever die een duidelijk belang heeft bij de voortduring van de arbeidsovereenkomst.”

2.9.

Eiser heeft schorsing verzocht van de beslissing van de selectiefunctionaris van 10 september 2018, inhoudende de terugplaatsing van eiser van de ZBBI […] naar de normaal beveiligde inrichting JC [locatie 2]. Dat schorsingsverzoek is op 21 september 2018 afgewezen door de voorzitter van de RSJ, omdat voornoemde beslissing naar voorlopig oordeel niet onredelijk of onbillijk is.

2.10.

Eiser heeft naast het voorgaande twee verzoeken tot algemeen verlof ingediend. Beide verzoeken zijn afgewezen, op respectievelijk 29 augustus 2018 en 21 september 2018. De eerste afwijzing is gestoeld op het feit dat eiser is teruggeplaatst vanuit ZBBI […] en dat sprake is van gebleken onbetrouwbaarheid met betrekking tot het nakomen van afspraken. De tweede afwijzingsbeslissing is genomen omdat het verlofschema niet zou zijn nageleefd door het indienen van de aanvraag tot algemeen verlof. Eiser heeft daartegen op 31 augustus 2018 en op 24 september 2018 beklag ingediend.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

primair: te bepalen dat eiser per direct wordt geplaatst in het penitentiair programma;

subsidiair: te bepalen dat de twee afgewezen verlofaanvragen worden toegekend en per direct door eiser achter elkaar kunnen worden genoten.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Uit een selectieadvies volgt dat eiser sinds 22 augustus 2018 in aanmerking komt voor plaatsing in een penitentiair programma. De beslissing van de selectiefunctionaris om eiser niet alleen terug te plaatsen vanuit de ZBBI, maar ook niet deel te laten nemen aan het penitentiair programma, kan en mag geen standhouden. Die beslissing is genomen op grond van een onjuiste conclusie die de senior casemanager heeft getrokken naar aanleiding van een zeer summier en onbetrouwbaar onderzoek.

Ook de verlofaanvragen van eiser zijn ten onrechte afgewezen. Eiser komt zijn afspraken na en gedraagt zich uitstekend. Een verlofaanvraag van een medegedetineerde die zich in dezelfde omstandigheden bevindt, is wel toegewezen. Het enkele feit dat het verlofschema niet wordt nageleefd, vormt geen argument voor afwijzing van een verlofaanvraag.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

plaatsing in penitentiair programma

4.1.

De Staat heeft zich allereerst tegen de primaire vordering verweerd met de stelling dat eiser niet-ontvankelijk is in die vordering. Op zichzelf is juist dat voor eiser een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. Eiser kan tegen de beslissing van 9 augustus 2018, waarin is meegedeeld dat zijn voorstel tot deelname aan een penitentiair programma is afgewezen, immers beroep instellen bij de beroepscommissie van de RSJ. Eiser heeft zich echter op het standpunt gesteld dat voor hem geen spoedvoorziening mogelijk is. Voor zover de Staat betoogt dat voor eiser een spoedvoorziening open stond die eiser ook heeft gevolgd, kan dat betoog niet worden gevolgd. Weliswaar heeft de voorzitter van de RSJ een schorsingsverzoek van eiser op 21 september 2018 op inhoudelijke gronden afgewezen, maar dat betreft een verzoek van eiser om de beslissing te schorsen die zijn terugplaatsing vanuit de ZBBI naar een regulier gevangenisregime inhoudt. In deze procedure vordert eiser plaatsing in een penitentiair programma. Daarvoor biedt de schorsingsprocedure geen soelaas. Een beslissing tot schorsing kan immers niet leiden tot de door eiser gewenste situatie, namelijk toelating tot deelname aan een penitentiair programma. Nu eiser opkomt tegen een afwijzende beslissing van een selectiefunctionaris, leent de aard van de beslissing zich niet voor schorsing.

4.2.

De Staat betoogt voorts dat er geen ruimte is in kort geding voor behandeling van de vordering tot deelname aan een penitentiair programma, omdat de voorzitter van de RSJ het (qua vrijheden) mindere (plaatsing in de ZBBI) heeft beoordeeld en afgewezen. Dat betoog kan – wat daar ook van zij – hoe dan ook niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser, maar kan hooguit consequenties hebben voor de inhoudelijke beoordeling van de zaak.

4.3.

De conclusie van het voorgaande is dat eiser kan worden ontvangen in zijn primaire vordering. De primaire vordering van eiser dient dan ook inhoudelijk te worden beoordeeld. Daarbij wordt vooropgesteld dat die vordering enkel voor toewijzing in aanmerking komt indien geconcludeerd moet worden dat de selectiefunctionaris in redelijkheid niet had kunnen komen tot de beslissing om het verzoek van eiser tot deelname aan een penitentiair programma af te wijzen. De voorzieningenrechter kan die beslissing dus slechts marginaal toetsen.

4.4.

Uit het bericht van 9 augustus 2018 van de selectiefunctionaris volgt dat het verzoek van eiser tot deelname aan een penitentiair programma is afgewezen om dezelfde reden als waarom de plaatsing in de ZBBI is beëindigd, namelijk omdat eiser zich niet zou hebben gehouden aan afspraken over zijn tewerkstelling. Die conclusie is gebaseerd op een rapport van de case manager, waaruit volgt dat eiser op de dag van controle niet op een van de locaties van zijn werkgever – in [plaats 1] en [plaats 2] – aan het werk was, dat werknemers ter plaatse niet wisten waar eiser was en dat sommige aanwezigen in de werkplaats zeiden eiser niet te kennen. Het is niet als onredelijk aan te merken dat de selectiefunctionaris belang heeft gehecht aan dat rapport en op grond daarvan heeft geconcludeerd dat eiser zijn afspraken niet nakwam. Daarbij komt dat de Staat onweersproken heeft aangevoerd dat eiser is geconfronteerd met zijn afwezigheid op de werkplek in [plaats 1] en daarop heeft verklaard in [plaats 2] aan het werk te zijn geweest. Toen hem werd verteld dat ook daar een controle had plaats gevonden, heeft eiser verklaard dat hij onderweg was om auto’s op te halen. Eiser heeft geen verklaring gegeven voor deze gang van zaken. De primaire vordering zal dan ook worden afgewezen.

toekenning verlofaanvragen

4.5.

Eiser vordert voorts te bepalen dat de twee afgewezen verlofaanvragen worden toegekend. De Staat heeft betoogd dat eiser (ook) in deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat betoog faalt. De schorsingsprocedure kan immers ook niet worden gevolgd in geval van de weigering verlof te verlenen. De Staat heeft betoogd dat op 17 oktober aanstaande een zitting bij de beklagcommissie staat gepland, waardoor er van uit moet worden gegaan dat op korte termijn een beslissing kan worden verkregen over de verloven. Nu eiser heeft betwist dat er een behandeling bij de beklagcommissie is gepland en de Staat daar geen stukken van heeft overgelegd, kan niet tot uitgangspunt worden genomen dat op korte termijn behandeling zal plaatsvinden, nog afgezien van het feit dat niet duidelijk is geworden op welke termijn na behandeling een beslissing zal volgen. De mededeling van de Staat dat de commissie “zich ervan is bewust dat de einddatum van de detentie van eiser nadert” is onvoldoende om aan te nemen dat op korte termijn uitspraak zal worden gedaan. Nu gelet hierop niet vast is komen te staan dat eiser in de procedure bij de beklagcommissie op korte termijn kan bereiken wat hij met zijn subsidiaire vordering in dit kort geding beoogt, is eiser ook ontvankelijk voor wat betreft die subsidiaire vordering.

4.6.

De voorzieningenrechter kan ook de beslissingen om de verlofaanvragen af te wijzen slechts marginaal toetsen. De beslissing van 29 augustus 2018, waarin een verlofaanvraag van eiser is afgewezen, is gebaseerd op de veronderstelde onbetrouwbaarheid van eiser met betrekking tot het nakomen van afspraken. Omdat deze beslissing binnen afzienbare tijd is gevolgd nadat eiser is overgeplaatst van de ZBBI naar een regulier beveiligde inrichting, kan niet worden geconcludeerd dat de directeur van de inrichting op grond van hetzelfde feitencomplex – zoals hiervoor bij de beoordeling van de primaire vordering overwogen – in redelijkheid niet tot afwijzing van de verlofaanvraag had kunnen overgaan.

4.7.

De beslissing van 21 september 2018 behelst eveneens de afwijzing van een verlofaanvraag van eiser. De reden voor die afwijzing is dat het verlofschema niet zou zijn nageleefd door het indienen van de aanvraag tot algemeen verlof. Op grond van artikel 16 van de Regeling tijdelijk verlaten inrichting heeft de directeur de bevoegdheid om een verlofschema op te stellen om te bevorderen dat de verloven zoveel mogelijk gelijkmatig over het strafrestant worden verspreid. Nu eiser niet heeft weersproken dat zijn verlofaanvraag niet binnen het opgestelde verlofschema past, kan niet worden geconcludeerd dat de directeur – met het oog op voornoemde bevoegdheid – niet in redelijkheid tot afwijzing van de verlofaanvraag had kunnen overgaan. De Staat heeft daarnaast gemotiveerd weersproken dat de situatie van de door eiser genoemde medegedetineerde identiek is aan de situatie van eiser.

4.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat ook de subsidiaire vordering van eiser zal worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt eiser om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2018.

hvd