Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12462

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
C-09-559312-KG ZA 18-916
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot opheffing vervangende hechtenis afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0853
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/559312 / KG ZA 18/916

Vonnis in kort geding van 21 september 2018

in de zaak van

[eiser] , thans verblijvende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. M.R. de Kok te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. Beekes te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door de Staat overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 september 2018. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiser is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2017 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Daarnaast is aan eiser een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van € 10.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente, te vervangen door 85 dagen hechtenis. Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.2.

De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

2.3.

Nadat het CJIB diverse aanmaningsbrieven naar het BRP-adres van eiser heeft gestuurd, is op 24 februari 2018 een arrestatiebevel uitgevaardigd. Eiser is op 27 juli 2018 door de politie aangehouden.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

I. de Staat te bevelen de vervangende hechtenis op te heffen en eiser onmiddellijk in vrijheid te stellen;

II. de Staat te gebieden akkoord te gaan met een betalingsregeling van € 250,-- per maand en storting van een voorschot van € 500,-- ineens;

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is onrechtmatig. Eiser leeft van een bijstandsuitkering en is niet in staat om de schadevergoeding ineens te voldoen. Eiser was niet op de hoogte van de zitting en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en heeft dan ook geen hoger beroep kunnen instellen tegen de uitspraak. Er heeft een advocaat verweer gevoerd voor eiser, maar die advocaat had daar geen machtiging voor. Eiser heeft een zwaarwegend persoonlijk belang bij onmiddellijke invrijheidstelling. De uitkering van eiser is stopgezet en eiser kan niet aan zijn lopende verplichtingen voldoen, zodat een huurachterstand van twee maanden is ontstaan. Als er in de toekomst een huurachterstand van meer dan drie maanden ontstaat, zal de verhuurder wellicht een ontbindingsprocedure starten. Eiser zal dan mogelijk zijn woning kwijtraken.

Het CJIB kan uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan, mits het bedrag binnen 27 maanden wordt betaald nadat het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De termijn van 27 maanden is nog lang niet verstreken. Eiser zal er alles aan doen om de schadevergoeding binnen die termijn te voldoen. Als hij werk vindt, zal het te betalen maandbedrag kunnen worden verhoogd. Eiser heeft kort voor de zitting nog voorgesteld om € 1.000,-- in één keer te betalen en het resterende bedrag in maandelijkse termijnen van € 300,--. Het CJIB heeft ook dat voorstel afgewezen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Eiser heeft allereerst gesteld dat hij niet bekend was met het vonnis van de strafrechter. Volgens eiser is weliswaar door een advocaat verweer gevoerd op de strafzitting, maar heeft die advocaat opgetreden zonder daartoe gemachtigd te zijn. In het algemeen moet ervan worden uitgegaan dat een advocaat die verweer voert namens een cliënt daartoe ook is gemachtigd. Dat algemene uitgangspunt geldt ook in deze zaak, nu eiser heeft nagelaten zijn andersluidende standpunt te voorzien van een deugdelijke onderbouwing. Daarbij komt nog het volgende. Op grond van artikel 408 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering moet het hoger beroep in beginsel binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld, onder meer indien de verdachte ter zitting is verschenen (in persoon of bij advocaat). Op grond van het tweede lid van dat artikel kan daarop in bepaalde gevallen een uitzondering worden gemaakt. In die gevallen moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Eiser is hoe dan ook op de dag van zijn aanhouding, 27 juli 2018, bekend geworden met het vonnis van de strafrechter en heeft ook binnen de twee weken nadien geen hoger beroep ingesteld. De conclusie hiervan is dat het vonnis van de strafrechter onherroepelijk is geworden.

4.2.

In het wettelijk stelsel ligt besloten dat een onherroepelijke beslissing van de strafrechter – waaronder begrepen een opgelegde schadevergoedingsmaatregel – niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Dat is op zichzelf ook niet door eiser betwist. Het CJIB, dat is belast met de executie van onder andere schadevergoedingsmaatregelen, heeft een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding de beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kan toetsen. De wijze waarop het CJIB een schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer legt, is in hoofdlijnen neergelegd in de “Aanwijzing executie” en wordt in de rechtspraak van de Hoge Raad bevestigd.

4.3.

De stelling van eiser dat hij in betalingsonmacht verkeert, leidt niet tot het oordeel dat de tenuitvoerlegging onrechtmatig is. De strafrechter kan in uitzonderlijke gevallen op grond van een gebrek aan draagkracht afzien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel. Dat is in de zaak van eiser niet gebeurd. Van deze onherroepelijk geworden uitspraak moet worden uitgegaan op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Betalingsonmacht staat volgens vaste jurisprudentie niet aan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in de weg (zie onder meer HR 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6246 en HR 23 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5053).

4.4.

Dat eiser nadelige gevolgen ondervindt van zijn detentie, is daaraan inherent. Die nadelige gevolgen komen voor zijn rekening en risico en kunnen evenmin tot het oordeel leiden dat de tenuitvoerlegging onrechtmatig is. Voor een belangenafweging is hierbij geen plaats.

4.5.

Het betoog van eiser dat het CJIB gehouden is zijn betalingsregeling te accepteren, kan niet worden gevolgd. Het CJIB heeft immers in ogenschouw genomen dat volledige betaling met het voorstel van eiser niet binnen afzienbare termijn zal plaatsvinden en dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis reeds was aangevangen op het moment dat eiser zijn betalingsvoorstellen deed. Dat het CJIB op grond van deze omstandigheden de betalingsregeling niet heeft geaccepteerd, past binnen het beleid uit de Aanwijzing executie, zoals onder 4.2. genoemd. Het CJIB heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen de betalingsregeling niet te accepteren.

4.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van eiser zullen worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt eiser om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.

hvd