Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1243

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
AWB 17/11840
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Irak, Kirkuk, Arabier, geen kwetsbare minderheid, 3 EVRM, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/11840

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

daaronder begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als telefonische tolk heeft gefungeerd M. Hamawandi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [eiser] in Bagdad. Eiser behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Op 10 november 2015 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft aan zijn asielrelaas het volgende ten grondslag gelegd. Zijn problemen zijn begonnen in 2006 in Bagdad toen zijn vader vanwege een sektarisch conflict is ontvoerd. Toen zijn vader werd vrijgelaten moest het gezin gedwongen de wijk Al Shaab verlaten en vertrekken naar de wijk Al Seleikh. In 2007 werd eiser willekeurig opgepakt vanwege het sektarische geweld. Eiser heeft een maand in jeugddetentie gezeten en werd daarna vrijgelaten. Enige tijd later is hij naar Syrië gegaan, waar hij onregelmatig heeft gewerkt. Omdat het leven daar financieel moeilijk was is eiser eind december 2009 teruggekeerd naar Irak, waarbij hij bij zijn zus in Kirkuk is gaan wonen. Zijn ouders zijn in 2011 uit Bagdad ook naar Kirkuk gekomen. In Kirkuk heeft eiser gewerkt, eerst in een winkel en later samen met zijn vader in de bouw. Toen kwam er nieuwe regelgeving dat Arabieren die geen woonverklaring in Kirkuk hadden moesten vertrekken. Eiser en zijn ouders zijn daarom in 2013 naar een tante in Tikrit gegaan. Daar konden zij verblijven tot de komst van Islamitische Staat. Via een corridor konden zij toen met hulp van een chauffeur, die garant voor hen stond, naar Kirkuk terugkeren. Daar verbleven zij bij de zus van eiser, totdat zij een ontheemdenverklaring en een woning geregeld hadden. Omdat de situatie in Kirkuk was verslechterd en er werd geschoten op een koffiehuis in een Arabische wijk waar eiser aan de bar zat, is hij uit Kirkuk vertrokken. Eiser is eerst naar Bagdad gegaan. Daar heeft hij een identiteitskaart aangevraagd en verkregen. Hiermee heeft hij vervolgens een paspoort aangevraagd en verkregen. Met dit paspoort is eiser met het vliegtuig naar Turkije gegaan. In dit land heeft eiser zich aangemeld bij een kantoor van de Verenigde Naties en zich op 3 maart 2015 laten registreren als vluchteling. Na een maand is eiser weer teruggekeerd naar Kirkuk. Omdat zijn leven daar gevaar liep vanwege het geweld tegen Arabieren is hij in oktober 2015 uit Irak vertrokken.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder gelooft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. De verklaring van eiser, dat er in de Arabische wijken van Kirkuk werd geschoten en dat Arabieren het doelwit waren, gelooft verweerder eveneens. Verweerder acht de verklaringen van eiser over de ontvoering van zijn vader in 2006, de arrestatie van eiser in 2007 en de hieruit voortgevloeide problemen niet geloofwaardig. Verder acht verweerder het niet geloofwaardig dat eiser vanwege zijn etniciteit in Kirkuk geen baan kon krijgen. Volgens verweerder is daarom niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat Kirkuk in de periode 2009 tot en met 2015, met tussenpauzes, de woon- en verblijfplaats van eiser is geweest. Uit eisers verklaringen blijkt, zoals ook door hem ter zitting is bevestigd, dat uitsluitend de problemen in Kirkuk voor hem de aanleiding zijn geweest om Irak te verlaten. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de beroepsgronden die betrekking hebben op de ontvoering van eisers vader in 2006 en de arrestatie van eiser in 2007 in Bagdad vanwege het ontbreken van relevantie niet te beoordelen.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser kan terugkeren naar Kirkuk, Irak. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser sinds 2009 in Kirkuk heeft gewoond, en dat hij ook na de veranderde regelgeving in 2013, waarbij veel ontheemden Kirkuk hebben moeten verlaten, met behulp van een garantsteller daarnaar heeft kunnen terugkeren. Uit eisers eigen verklaringen en de documenten die hij heeft overgelegd blijkt dat zijn familie zich met toestemming van de autoriteiten in Kirkuk heeft kunnen vestigen en dat hij en zijn ouders een eigen woning hebben weten te regelen. Eisers familie woont, zoals door eiser ter zitting is bevestigd, nog steeds in Kirkuk en heeft sinds hun terugkeer uit Tikrit geen problemen met de autoriteiten ondervonden. Daarnaast heeft eiser zonder problemen van Kirkuk naar Turkije en weer terug en van Kirkuk naar Bagdad kunnen reizen. Er is daarom geen enkele reden om aan te nemen dat eiser niet opnieuw toegang zal krijgen tot Kirkuk. Eiser heeft dat in beroep niet weerlegd met de door hem ingebrachte informatie.

7. Verweerder heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser als Arabier in Kirkuk niet kan worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep. Verweerder gelooft dat eiser zich in het dagelijks leven in Kirkuk als Arabier beperkt voelde, maar stelt dat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van december 2016 en de door eiser overgelegde stukken niet kan worden geconcludeerd dat Arabieren in Kirkuk een kwetsbare minderheid zijn. Volgens verweerder kan uit de omstandigheid dat een café werd beschoten en dat eiser toen daar aanwezig was niet worden geconcludeerd dat de beschieting op eiser persoonlijk was gericht; eiser heeft dit niet betwist. Met verweerder wordt geoordeeld dat niet is gebleken dat eiser als Arabier in Kirkuk zodanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk was op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Zijn gezin kon aldaar een woning huren, zij hebben verschillende documenten van de autoriteiten gekregen en eiser heeft kunnen werken. Dat eiser verwacht bij terugkeer naar Kirkuk geen werk meer te kunnen vinden, wat door verweerder niet geloofwaardig is geacht, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van dusdanige discriminatie dat eisers verblijf daar onhoudbaar wordt.

8. Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat eiser in (Kirkuk) Irak een gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast is er ook geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Kirkuk (Irak) een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.