Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12418

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
16/501
Formele relaties
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2018:1428
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoek ex 552f Sv (in combinatie met artikel 33c tweede lid jo 36f tweede lid Sv). Verzoeker is in 2015 vrijgesproken van heling, maar omdat er wel gestolen onderdelen in zijn auto waren verwerkt, is zijn auto aan het verkeer onttrokken.

De verdediging heeft verzocht om een geldelijke compensatie. De rechtbank heeft verzoeker hiervoor in eerste instantie naar het burgerlijk recht verwezen.

In cassatie heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de afwijzing van de geldelijke compensatie in het strafrecht onvoldoende is gemotiveerd. Met name op het punt waarom verdachte - ondanks dat hij is vrijgesproken- niet onevenredig zou worden getroffen door het onttrekken aan het verkeer van zijn auto. De zaak is teruggewezen naar de rechtbank. De rechtbank heeft in tweede instantie geoordeeld dat verzoeker - gelet op de geschatte waarde van de auto ten tijde van de inbeslagname - onevenredig zou worden getroffen als hem geen geldelijke tegemoetkoming zou worden toegekend. De rechtbank stelt hierbij wel voorop dat een geldelijke tegemoetkoming niet hetzelfde is als een volledige vergoeding van de geleden schade. De rechtbank schat de waarde van de auto op de dag van inbeslagname op € 38.350,- en zal dit bedrag dan ook als geldelijke tegemoetkoming toewijzen, waardoor verdachte niet meer onevenredig wordt getroffen door de onttrekking van zijn auto aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Proces-verbaalnummer: PL1500-2015073987

Kenmerk RK: 16/501

Beschikking van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoek ex artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. H.W. van Eeuwijk,

[adres] .

Inleiding

Tegen verzoeker is de verdenking gerezen dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan heling van een Mercedes E350 CDI met kenteken [kenteken] (hierna: de Mercedes). Op 26 mei 2016 is verzoeker vrijgesproken.

Op 5 juli 2016 is - voor zover hier van belang - door de rechtbank op vordering van de officier van justitie besloten dat de Mercedes ondanks de vrijspraak zou worden onttrokken aan het verkeer, omdat de Mercedes verschillende gestolen onderdelen zou bevatten en het ongecontroleerde bezit van een dergelijke auto in strijd is met het algemeen belang. Voor een geldelijke compensatie voor het feit dat verzoeker door deze beslissing onevenredig zou worden getroffen, werd verzoeker - in de beklagprocedure ex artikel 552a Sv - naar het burgerlijk recht verwezen. Tegen beide beslissingen is cassatie ingesteld.

Op 10 juli 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de zaak voor wat betreft de geldelijke compensatie wordt teruggewezen naar de rechtbank, omdat de afwijzing hiervan ontoereikend gemotiveerd is. In het bijzonder moet gemotiveerd worden waarom klager - die is vrijgesproken van heling - door onttrekking aan het verkeer van de Mercedes niet onevenredig getroffen wordt in de zin van artikel 33c, tweede lid, in combinatie met artikel 36b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De enkele mogelijkheid dat de tegemoetkoming ook via het burgerlijk recht verhaald kan worden, is onvoldoende.

De procedure

Op 9 oktober 2018 is de zaak (opnieuw) behandeld in raadkamer.

Klager, bijgestaan door mr. H.E. van Eeuwijk, advocaat te Den Haag, is in raadkamer gehoord.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

Het verzoek

De raadsman heeft aangevoerd dat verzoeker onevenredig is getroffen door de onttrekking van de Mercedes en verzoeker hiervoor geldelijk voor gecompenseerd moet worden. De dagwaarde van de Mercedes op de dag van inbeslagname kan niet exact worden vastgesteld, maar wel staat vast dat de catalogusprijs van deze Mercedes, zonder opties, € 75.000,- was en soortgelijke auto’s nu voor ongeveer € 20.000,- worden verkocht. De geschatte waarde van de Mercedes op het moment van inbeslagname is volgens de raadsman dan ook zeker € 55.000,-, omdat er nog verschillende extra opties op zaten.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij een BMW 7 serie ter waarde van ongeveer € 40.000,- plus een bedrag van € 25.000,- heeft geruild voor de Mercedes. Hij schat de waarde op het moment van inbeslagname, zijnde ongeveer een jaar later, dan ook op € 55.000,-. Als vervangend vervoer heeft hij een bus ter waarde van € 10.000,- en later ook een Mercedes van € 45.000,- gekocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd dat verzoeker onevenredig is getroffen door het onttrekken van de Mercedes. Voor de hoogte van deze geldelijke compensatie refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling van het beklag.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het verzoek.

Ingevolge artikel 33c, tweede lid, in verbinding met artikel 36b, tweede lid, Sr kent de rechter een geldelijke tegemoetkoming toe indien dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen. Of de eigenaar van een voorwerp door de onttrekking aan het verkeer van zijn eigendom onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder andere worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen en wat de waarde van het onttrokken voorwerp is.

De rechtbank stelt hierbij wel voorop dat een geldelijke tegemoetkoming niet hetzelfde is als een volledige vergoeding van de geleden schade. In een geval als dit heeft de eigenaar immers wel enig nadeel te dulden, welk nadeel hij middels de burgerlijke rechter zou kunnen compenseren. De geldelijke tegemoetkoming moet dan ook zodanig zijn dat de verzoeker niet meer onevenredig wordt getroffen.

De Mercedes van verzoeker is – hoewel verzoeker is vrijgesproken voor heling omdat hij te goeder trouw was – onttrokken aan het verkeer, omdat er gestolen onderdelen in de auto waren verwerkt.

De vragen die moeten worden beantwoord, zijn of verzoeker onevenredig is getroffen door de onttrekking aan het verkeer van de Mercedes en zo ja hoe hoog de geldelijke tegemoetkoming aan verzoeker moet zijn om niet meer onevenredig te zijn getroffen.

Tijdens de zitting is via de website van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) gebleken dat de cataloguswaarde (zonder opties) van deze Mercedes € 75.224,- betrof. Het bouwjaar van de auto was 2010.

Op zitting heeft de raadsman betoogd dat de Mercedes op de dag van de inbeslagname in 2015 zeker € 55.000,- waard moet zijn geweest, mede gelet op de extra opties die de auto bevatte. De rechtbank acht deze waardebepaling onvoldoende onderbouwd. De op zitting gegeven verklaring hoe en voor welk bedrag de Mercedes is aangeschaft, namelijk door inlevering van een BMW 7 serie en met bijbetaling van nog eens € 25.000,-, strookt niet met de door verzoeker in 2015 bij de politie afgelegde verklaring. Daar heeft hij immers verklaard dat hij de BMW heeft geruild voor de Mercedes en dat hij nog € 2.500,- terug kreeg. Die Mercedes had hem ongeveer € 45.000,- euro gekost. Medeverdachte in de strafzaak, [medeverdachte] , heeft bij de politie verklaard dat hij de Mercedes heeft geruild voor een BMW 7 serie zonder dat er bijbetaald is. Daarnaast is onvoldoende gebleken welke extra opties op de Mercedes zaten die maakten dat de auto ruim € 10.000,- meer waard was dan de eerder genoemde cataloguswaarde.

Gezien de cataloguswaarde van de auto, zoals die is gebleken uit de gegevens van de RDW, acht de rechtbank wel genoegzaam gebleken dat verzoeker door de onttrekking van de Mercedes in 2015 onevenredig is getroffen als hem geen geldelijke tegemoetkoming zou worden toegekend.

Over de hoogte van de vergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Zoals eerder genoemd blijkt uit onderzoek in openbare bronnen dat de cataloguswaarde van de Mercedes in 2010 € 75.224,- was (zonder opties). Vergelijkbare auto’s worden nu tweedehands aangeboden voor (ruim genomen) gemiddeld € 22.000,-. Kijkend naar de afschrijving over een periode van acht jaar, is de afschrijving ongeveer € 6.650,- per jaar.

Verzoeker had een Mercedes met bouwjaar 2010, die hij in 2014 heeft gekocht voor - volgens zijn eerste opgave bij de politie - ongeveer € 45.000,-. Dit bedrag wordt ondersteund door 1) de verklaring van [medeverdachte] dat de BMW 7 serie een op een is ingeruild voor de Mercedes en 2) de tijdens de zitting door verzoeker gestelde waarde van de BMW ten tijde van de ruil, te weten € 40.000,-. De op de zitting genoemde waarde van € 55.000,- voor de Mercedes vindt daarentegen onvoldoende steun in het dossier. De rechtbank neemt dan ook als aanschafwaarde van de auto een bedrag van € 45.000,-. De auto is in 2015 inbeslaggenomen. Uitgaande van een bedrag van € 6.650,- aan afschrijving per jaar komt de rechtbank op een bedrag van € 38.350,- dat de auto nog ongeveer waard moet zijn geweest ten tijde van de inbeslagname.

Dit bedrag zal de rechtbank in gevolge artikel 33c, tweede lid, in combinatie met artikel 36b, tweede lid Sr dan ook als geldelijke tegemoetkoming toewijzen, waardoor verzoeker in ieder geval niet meer onevenredig wordt getroffen door de onttrekking van de Mercedes aan het verkeer.

Beslissing.

De rechtbank zal het verzoek toewijzen en de hoogte van geldelijke tegemoetkoming vaststellen op een bedrag van € 38.350,- (zegge: achtendertigduizend driehonderdvijftig euro).

Aldus gedaan te ’s-Gravenhage door mr. N.F.H. van Eijk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Haalem, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 oktober 2018.