Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12414

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
22-10-2018
Zaaknummer
NL18.16796
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, 3 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.16796


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. L.J. Blijdorp),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.16797, plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.

2. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers aanvraag. Op 18 juli 2018 is het claimverzoek door de Italiaanse autoriteiten geaccordeerd.

3. Alleen nog in geschil is, of in het geval van eiser, overdracht in strijd is met artikel 3 van het EVRM.1 Daarbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 augustus 2018.2 In dat specifieke geval oordeelde de rechtbank dat overdracht wel in strijd was met artikel 3 van het EVRM. Eiser stelt dat Italië zijn internationale verplichtingen niet is nagekomen omdat hij aldaar niet meer in aanmerking kwam voor opvang en zorg.

4. Het beroep op deze uitspraak treft geen doel, want eisers situatie is niet vergelijkbaar met de voorgenoemde uitspraak. Verweerder heeft in zijn verweerschrift een aantal zaken aangestipt waarbij de rechtbank zich aansluit. In de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam werd het verhaal van de vreemdeling niet door verweerder in twijfel getrokken, en heeft de vreemdeling zonder succes meerdere keren hulp verzocht bij de Italiaanse autoriteiten. Eiser heeft andere persoonlijke ervaringen, deze ervaringen zijn niet concreet gemaakt met een onderbouwing. Eiser heeft ook wel degelijk medische zorg gekregen in Italië. Daarnaast heeft eiser in deze zaak zich niet gewend tot de Italiaanse autoriteiten. Op grond van deze redenen is er geen sprake van een vergelijkbaar geval.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden

2 ECLI:NL:RBDHA:2018:9792