Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12406

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
18_2110
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit België zijn alcoholhoudende dranken aan eiseres (een drankenhandel) geleverd. Over de dranken is noch door de leverancier noch door eiseres Nederlandse accijns voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de accijns terecht bij eiseres nageheven. Zo het wetenschapsvereiste nog van toepassing is, voldoet eiseres daaraan. Een drankenhandel dient te weten dat over alcoholhoudende dranken accijns verschuldigd is. Zij had niet kunnen of mogen menen dat de leverancier, die niet over een Nederlands accijnsnummer beschikt, de Nederlandse accijns reeds had betaald. Voorts had eiseres, die de dranken kon en mocht verkopen, de beschikkingsmacht over de dranken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/2110

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P. de Haas),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 24 juni 2015 tot 26 oktober 2015 een naheffingsaanslag accijns (de naheffingsaanslag) opgelegd van € 26.662. Daarbij heeft verweerder bij beschikkingen € 1.863 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking) en een verzuimboete opgelegd van € 2.666 (de boetebeschikking).

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 14 februari 2018 de naheffingsaanslag verminderd tot € 26.655, de rentebeschikking verminderd tot € 1.862 en de boetebeschikking vernietigd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Namens eiseres is verschenen [X], bijgestaan door de gemachtigde en mr. N. Idrissi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Chung en mr. U. Gürsültür.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert een drankenhandel. Zij beschikt niet over een accijnsentrepot en heeft geen accijnsnummer.

2. Op 12 januari 2016 heeft een controle plaatsgevonden in een mede door eiseres gebruikte loods. Van dit onderzoek is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tot de stukken behoort. Daarbij is vastgesteld dat in de periode van 24 juni 2015 tot en met 26 oktober 2015 door drankenhandel [K] (K) te [plaats] in België dranken zijn geleverd aan eiseres. Deze dranken bestaan uit wijn, bier en overige alcoholhoudende producten (de dranken). Eiseres heeft voor de dranken geen accijnsaangiften gedaan.

3. In een door eiseres en K gesloten consignatie-overeenkomst is het volgende opgenomen waarbij eiseres als ‘de klant’ en K als ‘de eigenaar’ is aangeduid:

“De eigenaar geeft aan de klant (…) een aantal goederen in consignatie onder de volgende opschortende voorwaarden:

De klant neemt de goederen mee zonder voorafgaande betaling en rekent af binnen de 30 dagen of indien de goederen eerder verkocht zijn (…).

De goederen blijven eigendom van de eigenaar tot volledige betaling is gebeurd.”

4. K beschikt niet over een Nederlands accijnsnummer en heeft ter zake van de dranken geen accijnsaangiften ingediend. Op de facturen van K, waarvan afschriften tot de gedingstukken behoren, wordt geen melding gemaakt van enige vorm van accijnsheffing.

5. Verweerder heeft eiseres op 28 augustus 2017 geïnformeerd over zijn voornemen om ter zake van de bij K ingekochte dranken een naheffingsaanslag accijns op te leggen. Nadat eiseres op dit voornemen heeft gereageerd heeft verweerder op 25 september 2017 medegedeeld een naheffingsaanslag accijns en een verzuimboete te zullen opleggen.

6. Verweerder heeft de naheffingsaanslag overeenkomstig het voornemen en de aankondiging opgelegd.

7. Na controle van de heffingsgrondslagen heeft verweerder geconcludeerd dat bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een fractioneel te grote hoeveelheid overige alcoholhoudende producten. De naheffingsaanslag is daarom bij de bestreden uitspraak op bezwaar verminderd.

Geschil

8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd. De hoogte van de naheffingsaanslag na uitspraak op bezwaar is als zodanig niet in geschil.

9. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Volgens eiseres was zij met K overeengekomen dat K de te betalen accijns voor haar rekening zou nemen en zijn de dranken aan haar geleverd inclusief accijns en BTW. Verder stelt eiseres dat zij de dranken niet voorhanden heeft gehad omdat niet is voldaan aan het wetenschapsvereiste en het vereiste van de feitelijke beschikkingsmacht. Zij wist niet dat de accijns niet door K was voldaan en de dranken zijn nooit haar eigendom geworden omdat deze op consignatiebasis werden ingekocht.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

11. Op grond van artikel 1 van de Wet op de accijns (de Wet) wordt de accijns verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van – onder meer – bier, wijn en overige alcoholhoudende producten (de accijnsgoederen). Op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet wordt onder uitslag mede verstaan het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Vindt deze bepaling toepassing, dan wordt, op grond van artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet de accijns geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is.

12. Niet in geschil is dat eiseres de verschuldigde accijns niet heeft voldaan en dat K niet beschikt over een Nederlands accijnsnummer. Dat betekent dat K de ter zake van de dranken verschuldigde accijns niet heeft kunnen voldoen. Eiseres heeft de enkele, door verweerder weersproken, stelling dat K wel de verschuldigde accijns heeft betaald niet aannemelijk gemaakt. Verder is gesteld noch gebleken dat de dranken onder een schorsingsregeling vielen. Daarmee staat vast dat over de goederen geen accijns is geheven overeenkomstig de Nederlandse wettelijke bepalingen.

13. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet (kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3, p. 8) is onder meer het volgende vermeld:

“De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. Ter zake van het in deze bepaling bedoelde “voorhanden hebben” wijst de Accijnsrichtlijn 2008 (artikel 8, eerste lid, onderdeel b) als belastingplichtige aan “de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is”. (…). De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste).”

14. Uit de hierboven geciteerde Memorie van Toelichting leidt de rechtbank af dat het wetenschapsvereiste niet langer van toepassing is. De stelling van eiseres dat zij niet wist dat voor de dranken geen Nederlandse accijns was voldaan omdat zij meende dat K de verschuldigde accijns voor haar rekening had genomen, kan dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep. Zo het wetenschapsvereiste nog wel van toepassing zou zijn, is daaraan overigens voldaan. De rechtbank overweegt daartoe dat eiseres een handel in alcoholhoudende dranken exploiteert en dat zij als zodanig dient te weten dat over dergelijke producten accijns verschuldigd is. Op de facturen van K staat geen accijns vermeld. Op de prijslijst van K staat weliswaar vermeld “incl.Acc./Ex BTW” maar aangezien K een in België gevestigde onderneming is, heeft eiseres moeten begrijpen dat die vermelding enkel kon zien op eventuele Belgische accijns. Uit het voorgaande volgt dat eiseres moet hebben geweten dat over de dranken geen accijns was voldaan. De stelling van eiseres dat bij de grensoverschrijding door K accijns had moeten worden betaald, doet niet af aan het feit dat geen accijns is betaald. Verder volgt uit de consignatie-overeenkomst dat eiseres de drankenzelf in België heeft opgehaald en is in de stukken geen steun te vinden voor de stelling van eiseres dat de goederen door K naar Nederland zijn vervoerd. Eiseres heeft niet kunnen of mogen menen dat K de verschuldigde accijns had betaald.

15. De stelling van eiseres dat zij geen beschikkingsmacht over de goederen had omdat ze de goederen niet in eigendom had, kan, wat daar ook van zij, evenmin leiden tot een geslaagd beroep. Eigendom is voor het voorhanden hebben van goederen niet vereist. Eiseres kon en mocht de goederen verkopen. Daarmee staat haar beschikkingsmacht vast. Dat de dranken volgens eiseres waren opgeslagen in een loods die niet van haar is, tast de beschikkingsmacht van eiseres niet aan. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat eiseres een deel van die loods huurde en daar ook toegang toe had en dat zij daar ook over een kantoorruimte beschikte.

16. De stelling van eiseres dat zij slechts als bemiddelaar heeft opgetreden, vindt geen steun in de feiten. Zo dit al het geval zou zijn, volgt daaruit niet dat eiseres niet aangesproken kan worden. In dat geval neemt verweerder terecht het standpunt in dat eiseres betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de dranken.

17. De stelling van eiseres dat zij de naheffingsaanslag niet kan betalen betreft een invorderingskwestie die in onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Voor kwijtschelding of een betalingsregeling zal eiseres zich moeten wenden tot de Ontvanger.

18. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de rentebeschikking in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht is gegeven dan wel dat het rentebedrag in strijd met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen is vastgesteld.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag accijns terecht aan eiseres opgelegd en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.