Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12393

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
NL18.16772 en NL18.16774
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.16772 en NL18.16774

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser,

[naam 2] , eiseres,

alsmede voor het minderjarige kind [naam 3] ,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 13 september 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL18.16773 en NL18.16775, plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Partijen zijn, met bericht vooraf, niet op zitting verschenen.

Overwegingen

  1. Eisers zijn burgers van Moldavië. Op 17 juni 2018 hebben zij asielaanvragen ingediend.

  2. Verweerder heeft in de bestreden besluiten de aanvragen niet in behandeling genomen omdat Duitsland hiervoor verantwoordelijk is. De Duitse autoriteiten zijn op 25 juni 2018 gevraagd om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.1 Zij hebben hiermee ingestemd op 28 juni 2018. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eisers niet met medische documenten hebben aangetoond dat er sprake is van een specialistische behandeling van hun dochter. Verder zijn er geen aanwijzingen waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land zou zijn om de dochter te behandelen. Nu eisers geen bijzondere individuele omstandigheden aannemelijk hebben gemaakt waaruit blijkt dat de overdracht

1. Verordening (EU) Nr. 604/2013

aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt, maakt verweerder geen gebruik van de bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

3. Eisers stellen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen jegens hen niet is nagekomen omdat hun dochter aldaar is onthouden van noodzakelijke medische zorg. Ook vrezen eisers dat een overdracht naar Duitsland strijdig is met het verbod op (indirecte) refoulement. De Duitse autoriteiten zijn al tot de conclusie gekomen dat een terugkeer naar Moldavië geen schending van artikel 3 van het EVRM2 zal opleveren. Bij overdracht naar Duitsland verwachten eisers dat hun opvolgende verzoeken om internationale bescherming niet serieus zullen worden genomen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat bij een overdracht van eisers er geen sprake is van (indirecte) refoulement. Duitsland heeft met het claimakkoord van 28 juni 2018 immers gegarandeerd dat de verzoeken van eisers om internationale bescherming in behandeling zullen worden genomen. Verweerder mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat de Duitse autoriteiten dit ook zullen doen.

5. Eisers hebben niet met medische documenten aangetoond dat hun dochter (specialistische) behandeling behoeft. Verweerder heeft daarnaast terecht gesteld dat eisers niet hebben onderbouwd dat Duitsland niet de benodigde zorg wil of kan bieden. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere individuele feiten of omstandigheden die maken dat hij de asielaanvragen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.

6. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

2 Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten voor de Mens en de Fundamentele Vrijheden

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.