Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12392

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
nl18.17924
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c kunnen allen geen standhouden.

Gnandi

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.17924


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M. Ticheler).


Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.A. Budak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn.

In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat:

a. bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit en
nationaliteit van de vreemdeling;

b. bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die

noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, met name indien er

sprake is van een risico op onttrekking;

c. eiser

(1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit

hoofde van de Terugkeerrichtlijn,

(2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en

(3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft

ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

1.1.

Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld impliceert het recht op een doeltreffende voorziening in rechte dat alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst, wat in het bijzonder tot gevolg heeft dat eiser niet op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115/EU) met het oog op zijn verwijdering in bewaring mag worden gesteld, zolang hij op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag blijven (arrest van 19 juni 2018, Gnandi, C-181116, EU:C:2018:465, punt 62).

In de gegeven situatie kan eiser dus niet krachtens artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw in bewaring worden gesteld. Die mogelijkheid doet zich pas voor na de eventuele ongegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

1.2.

Evenmin kan een vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, onder a of b, van de Vw in bewaring worden gesteld, nu die gronden louter van toepassing zijn in de fase waarin nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen. Daarna zal immers duidelijkheid bestaan over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling en zullen de gegevens die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming reeds zijn verkregen.

1.3.

Uit het vorenstaande volgt dat eiser terecht stelt dat de bewaring niet noodzakelijk is met het oog op vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Uit de beschikking tot afwijzing van de asielaanvraag van eiser volgt niet dat er wordt getwijfeld aan de nationaliteit en identiteit van eiser. Daarnaast is gebleken dat verweerder doende is om informatie te krijgen over het paspoort van eiser, waarvan eiser stelt dat deze zich bij de Duitse overheid bevindt. Aan eiser had deze grond dan ook niet tegengeworpen kunnen worden.

1.4.

Nu alle gegevens die ten grondslag liggen aan de aanvraag van eiser om internationale bescherming reeds zijn verkregen, gelet op de kennelijke afwijzing van de asielaanvraag, stelt eiser terecht dat verweerder ten onrechte aan hem tegenwerpt dat bewaring noodzakelijk is omdat er nog altijd informatie in de procedure naar voren kan komen die voor de beoordeling van zijn aanvraag nodig zou kunnen zijn, zonder nader te motiveren welke gegevens verweerder nog denkt te verkrijgen.

Ook deze grond had niet aan eiser kunnen worden tegengeworpen.

1.5.

Een vreemdeling kan in deze situatie in de beroepsfase derhalve slechts krachtens artikel 59b, eerste lid onder c en d, van de Vw in bewaring worden gesteld, mits daarvoor in het concrete geval voldoende grond bestaat.

In dit geval is artikel 59b, eerste lid, onder d, van de Vw niet aan de maatregel ten grondslag gelegd.

Daarnaast is niet gebleken dat aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 59b, eerste lid, onder c, van de Vw is voldaan. Van een werkend terugkeerbesluit en een lopende terugkeerprocedure in het kader van de Terugkeerrichtlijn was ten tijde van de oplegging van de maatregel van bewaring geen sprake. Dat het visum was verlopen betekent nog niet dat aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd.

1.6.

Uit het vorenstaande volgt dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd.

2. Het beroep is dan ook gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 oktober 2018.

3. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring 14 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.120,-.

4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 oktober 2018;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.120,-, te betalen door de griffier;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.