Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12342

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
NL18.16099
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Iran, Werkinstructie 2018/10, opvolgende aanvraag waaraan wederom bekering tot het christendom ten grondslag is gelegd, verklaringen verschillen niet wezenlijk van eerdere procedure, verweerder heeft de verklaringen niet als nieuwe relevante elementen en bevindingen hoeven beschouwen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.16099

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,geboren op [geboortedatum] , van Iraanse nationaliteit, eiser,(gemachtigde: mr. M. Spapens),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).


Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft verweerder tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de voorlopige voorziening (NL18.16100), plaatsgevonden op 20 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [naam 1] als tolk in de taal Farsi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft eerder, op 27 juni 2017een asielaanvraag ingediend. Bij deze aanvraag heeft eiser naar voren gebracht dat hij is bekeerd tot het christendom. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 1 september 2017, waarbij verweerder de gestelde bekering van eiser tot het christendom ongeloofwaardig heeft geacht. Deze afwijzing is door een uitspraak van de Afdeling in rechte vast komen te staan.1

2. De asielaanvraag die nu in beroep voorli

gt is ingediend op 1 mei 2018. Aan deze aanvraag heeft eiser wederom ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom. Eiser betoogt dat hij bij zijn eerste asielaanvraag heeft gelogen dat hij is bekeerd. Hij betoogt dat hij inmiddels wel oprecht is bekeerd tot het christendom. Eiser heeft deze aanvraag (bij zijn zienswijze) onderbouwd met een e-mail van 29 augustus 2018 van [naam 2] , voorganger te [plaats] .

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het feit dat eiser geen nieuwe relevante elementen en bevindingen aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Tevens heeft verweerder met het bestreden besluit tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.

4. Eiser is het met het bestreden besluit niet eens en heeft hiertegen beroep ingesteld. Op wat hij heeft aangevoerd zal hierna worden ingegaan.

5. Voor de vraag of verweerder onderhavige asielaanvraag niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren, is van belang of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de asielaanvraag van eiser geen nieuwe relevante elementen of bevindingen bevat.

6. Volgens paragraaf 7 van de Werkinstructie (WI) 2018/10, voor zover thans van belang, gaat het bij een opvolgende aanvraag om de vraag wat nieuw is aan de bekering ten opzichte van de eerdere procedure waardoor nu wel sprake is van een oprechte bekering.

Indien de vorige aanvraag is afgewezen omdat de bekering ongeloofwaardig is geacht en de overgelegde verklaringen van derden enkel een opsomming bevatten van wat in de vorige asielprocedure reeds is aangevoerd en is meegewogen, zullen deze verklaringen niet snel tot het oordeel leiden dat sprake is van nieuwe elementen en bevindingen.

Indien de verklaringen van derden ingaan op wat ten opzichte van de laatste aanvraag is veranderd ten aanzien van de gestelde bekering, kunnen deze verklaringen van derden – in samenhang met de verklaringen van de vreemdeling – worden aangemerkt als nieuwe elementen en bevindingen.

Ook de verklaringen van de vreemdeling kunnen (ook indien geen verklaringen van derden zijn overgelegd) leiden tot het oordeel dat sprake is van nieuwe elementen en bevindingen.

Bij de opvolgende aanvraag dient bedacht te worden dat het geen herexamen is, dat telkens opnieuw gedaan kan worden.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder overeenkomstig paragraaf 7 van WI 2018/10 heeft beoordeeld of eiser met zijn verklaringen zoals afgelegd tijdens het gehoor opvolgende aanvraag op 27 augustus 2018, alsmede de e-mail van de heer [naam 2] , nu wel aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een oprechte bekering. Daarbij heeft verweerder de verklaringen van eiser zoals afgelegd in de vorige asielprocedure als uitgangspunt mogen nemen, waarbij verweerder in aanmerking heeft mogen nemen dat een opvolgende aanvraag waaraan wederom een bekering ten grondslag wordt gelegd geen herexamen is dat telkens opnieuw gedaan kan worden, zoals ook is vermeld in paragraaf 7 van de werkinstructie.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen niet wezenlijk verschillen van de door hem afgelegde verklaringen in de eerste procedure. Daartoe heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser, gelet op WI 2018/10, niet aannemelijk heeft gemaakt welk proces van bekering hij heeft doorgemaakt en wat de persoonlijke betekenis is voor eiser van de gestelde groei in het geloof. Eiser heeft in dit verband verklaard dat hij rust is gaan ervaren in de activiteiten die hij verricht en door de aanwezigheid van God, dat hij de hoop heeft gekregen dat zijn zonden worden vergeven, over de liefde die hij voelt voor iedereen en dat hij die liefde wil delen en dat hij gered is door God. Verweerder heeft niet ten onrechte, onder verwijzing naar passages uit het verslag van het nader gehoor van eisers eerste procedure, overwogen dat deze verklaringen niet anders zijn dan zijn verklaringen tijdens die vorige procedure. Verweerder heeft verder niet ten onrechte ten nadele van eiser betrokken dat hij heeft verklaard dat hij met zijn aanstaande ex-echtgenote de afspraak had gemaakt dat hij in de eerste procedure zou verklaren dat hij bekeerd zou zijn en zij in de tweede procedure en dat hij haar in deze tweede procedure zou volgen. Ten slotte heeft verweerder in deze procedure ten nadele van eiser mogen betrekken dat hij heeft verklaard dat hij in zijn eerste asielprocedure heeft gelogen over zijn bekering, omdat hierdoor op voorhand twijfel ontstaat aan de geloofwaardigheid van de nu gestelde oprechte bekering. Verweerder heeft zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt mogen stellen dat de verklaringen van eiser over zijn gestelde bekering in deze procedure niet als nieuwe relevante elementen en bevindingen kunnen worden beschouwd. Voornoemde e-mail van de heer [naam 2] doet hier niet aan af. Verweerder heeft daarvan mogen stellen dat de heer [naam 2] in deze e-mail zijn persoonlijke mening heeft geventileerd, maar niet nieuwe feitelijke informatie heeft gegeven die eerder door eiser verschafte informatie bevestigt.

9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder tijdens het gehoor opvolgende aanvraag niet ten onrechte niet expliciet heeft doorgevraagd naar eisers kennis van het christendom in het algemeen en naar Bijbelverhalen in het bijzonder. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiser, zoals verweerder ter zitting terecht naar voren heeft gebracht, blijkens het zeventien pagina’s tellende verslag van gehoor opvolgende aanvraag waarin overwegend open vragen zijn gesteld, door verweerder in de gelegenheid is gesteld om zijn relaas zo volledig en uitgebreid mogelijk naar voren te brengen. Daarbij heeft de gehoorambtenaar ook gevraagd wat eiser in de Bijbel leest of in preken hoort waardoor hij rust ervaart.2 Bovendien had het bij een opvolgende aanvraag als deze, waarbij de gestelde bekering tot het christendom al in een eerdere procedure aan een asielaanvraag ten grondslag is gelegd en door verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, op de weg van eiser gelegen om op de kennisgeving en tijdens het gehoor opvolgende aanvraag naar voren te brengen dat hij nu meer kennis heeft van het geloof en hij (mede) daarom tot de gestelde bekering is gekomen.

10. De rechtbank stelt verder vast dat eiser in het beroepschrift heeft verwezen naar wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd, met het verzoek dat als geheel herhaald en ingelast te beschouwen. Omdat verweerder hierop in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan, is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit.

11. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren.

12. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere en individuele feiten en omstandigheden die nopen tot correctie van het voorgaande oordeel met toepassing van artikel 83.0a van de Vreemdelingenwet 2000 (de ‘Bahaddar-toets’).

13. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser in beroep geen afzonderlijke gronden heeft gericht tegen het inreisverbod, zodat dat geen bespreking behoeft.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.M. van Duren, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, nr. 201708868/1/V2.

2 pagina 7 van het verslag gehoor opvolgende aanvraag van 27 augustus 2018.