Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12325

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
22-10-2018
Zaaknummer
C/09/526478 / FA RK 17-857, C/09/536719 / FA RK 17-5691
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:255
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

echtscheiding met nevenvoorzieningen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 17-857 en FA RK 17-5691

Zaaknummers: C/09/526478 en C/09/536719

Datum beschikking: 18 september 2018

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 1 februari 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] (voorheen wonende te [woonplaats voorheen] , Portugal),

advocaat: mr. M.H. van den Berg te Zeist (voorheen mr. D. Vrolijks).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de man,

wonende te [woonplaats man] , Portugal,

advocaat: mr. O. Hammerstein te Amsterdam.

Procedure

Bij beschikking van 6 december 2017 is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. Verder heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam kind 1] en is het verzoek van de man tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam kind 2] afgewezen. Ook zijn de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie en een gebruiksvergoeding afgewezen.

Iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de pensioenaanspraken (met dwangsommen) is aangehouden.

Het huwelijk van partijen is op [datum ontbinding huwelijk] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De rechtbank is uit de nadien overgelegde stukken gebleken dat het partijen niet gelukt is om algehele overeenstemming te bereiken over de nog openstaande geschilpunten. De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

  • -

    het F9-formulier van 3 april 2018 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 4 april 2018 van de zijde van de man;

  • -

    de brief van 14 mei 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw, waarbij aanvullende verzoeken zijn gedaan;

  • -

    de brief van 3 augustus 2018, met bijlagen, van de zijde van de man, waarbij aanvullende verzoeken zijn gedaan;

  • -

    de brief van 7 augustus 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 15 augustus 2018, met bijlage, waarbij aanvullende verzoeken zijn gedaan;

  • -

    de brief van 15 augustus 2018 van de zijde van de man;

  • -

    de brief van 16 augustus 2018 van de zijde van de vrouw.

Op 21 augustus 2018 is de zaak ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw bijgestaan door hun advocaten.

Verzoek en verweer

Beide partijen hebben na de beschikking van 6 december 2017 nog aanvullende (voorwaardelijke) verzoeken ingediend.

De vrouw heeft op 14 mei 2018 aanvullend verzocht – uitvoerbaar bij voorraad – :

  1. de man te veroordelen aan de vrouw binnen vijf dagen na datum van de te wijzen beschikking te betalen een bedrag van € 1.900,-- per maand over de periode februari 2017 tot en met mei 2017, bedragende € 30.400,-- te vermeerderen met € 1.900,-- per maand vanaf juni 2017 tot de datum dat het appartement aan één der partijen in eigendom is toegedeeld c.q. het appartement is verkocht, althans een bedrag ter hoogte van 16 maanden (zijnde de periode februari 2017 tot en met mei 2017) x 50% van het netto-huurbedrag te vermeerderen met een bedrag ter hoogte van 50% van de netto-huur per maand vanaf juni 2017 tot de datum dat genoemd appartement aan één der partijen in eigendom is toegedeeld c.q. het appartement is verkocht;

  2. de man te veroordelen op grond van het bepaalde in de artikelen 1:81, 1:82 en 1:84 BW aan de vrouw binnen vijf dagen na de te wijzen beschikking te betalen het bedrag van € 120.428,--;

  3. de man te veroordelen om aan de vrouw binnen vijf dagen na de te wijzen beschikking te betalen het aan haar toekomend nettosalaris over de maanden januari tot en met maart 2017, welk salaris is gestort op de bankrekening van de man ten bedrage van € 5.497,20;

  4. de man te veroordelen binnen tien dagen na de datum van de te wijzen beschikking bewijs over te leggen van de saldi per 1 februari 2017 van de door de vrouw genoemde bankrekeningen (mede) op zijn naam gesteld, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft.

De man voert verweer tegen de door de vrouw ingediende aanvullende verzoeken. De man heeft bij akte van 3 augustus 2018 aanvullend verzocht:

  • -

    te bepalen dat de man het uitsluitend gebruik van het appartement aan de [appartement(en) woonplaats vrouw] te [woonplaats vrouw] toekomt;

  • -

    te bepalen dat € 8.762,90 aan de man dient te worden terugbetaald dan wel verrekend.

De vrouw voert verweer tegen de door de man ingediende aanvullende verzoeken. De vrouw heeft bij akte van 15 augustus 2018 aanvullend (voorwaardelijk) verzocht:

- te bepalen dat zij gerechtigd is tot het alleengebruik van het appartement aan de [appartement(en) woonplaats vrouw] te [woonplaats vrouw] .

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Aanvullende (voorwaardelijke) verzoeken

De vrouw heeft in de brief van 14 mei 2018 (akte uitlating geschilpunten) een aantal aanvullende verzoeken geformuleerd, zoals hiervoor weergegeven.

De man heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van het verzoek. Volgens de man is het geschil na de beschikking van 6 december 2017 beperkt tot een aantal geschilpunten. Op de onderdelen waarop de rechtbank een eindbeslissing heeft gegeven is het debat gesloten en dit kan in deze procedure niet meer worden hervat. De vrouw stelt nu vorderingen in op punten waarop door de rechtbank reeds is beslist. De vermeerdering moet dan ook buiten beschouwing worden gelaten omdat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde, aldus de man.

De man heeft daarnaast zelf ook, op 3 augustus 2018, aanvullende verzoeken ingediend.

In reactie hierop heeft de vrouw, op 15 augustus 2018, een aanvullend (voorwaardelijk) verzoek ingediend.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is verzoeker bevoegd, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 Rv van overeenkomstige toepassing. Toepassing van dat artikel brengt mee dat een verandering of vermeerdering buiten beschouwing kan worden gelaten op de grond dat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

De rechtbank is van oordeel dat het indienen van aanvullende verzoeken – zowel door de vrouw als door de man – in deze fase van de procedure in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank heeft in de beschikking van 6 december 2017 in de overwegingen ten aanzien van de verdeling op alle punten bepaald op welke wijze beslist zal worden. Daarbij zijn de verzoeken die zien op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de pensioenaanspraken aangehouden, alleen om partijen enerzijds in de gelegenheid te stellen om nog nadere acties te ondernemen (onder andere taxaties van het onroerend goed) en anderzijds om nog nader overleg te voeren over (in ieder geval) de waardering van de aandelen, de waarde van de lijfrenteverzekering en hoe om te gaan met de pensioenaanspraken op de onderneming. Hoewel in genoemde beschikking nog geen beslissing over de verdeling is opgenomen in het dictum, heeft de rechtbank in de overwegingen de afspraken die partijen hebben gemaakt over bepaalde (vermogens)bestanddelen duidelijk weergegeven en daarbij – met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de lijfrenteverzekering, de aandelen en de pensioenen – bepaald wat de eindbeslissing zal zijn. De rechtbank heeft overwogen dat hoewel deze beslissingen niet in het dictum van de beschikking worden opgenomen, dit niet met zich brengt dat ten aanzien van die onderwerpen nog een nadere behandeling/beoordeling zal plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit in beginsel tot geen andere conclusie leiden dan dat op de punten waarop de eindbeslissing reeds in de beschikking van 6 december 2017 is opgenomen geen nadere behandeling en beoordeling meer kan en zal plaatsvinden. De rechtbank heeft partijen niet in de gelegenheid gesteld om nog nadere verzoeken in te dienen, zodat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de aanvullende verzoeken in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde en buiten beschouwing worden gelaten.

Heroverweging eindbeslissingen beschikking 6 december 2017

De vrouw heeft in haar brief van 16 augustus 2018 gesteld dat een heroverweging van de beschikking van 6 december 2017 dient plaats te vinden voor wat betreft de beslissingen met betrekking tot de onroerende goederen in [woonplaats vrouw] en Portugal.

De rechtbank is niet gebleken dat de bij beschikking van 6 december 2017 genomen beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Wat de vrouw in dit verband aanvoert, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat geconcludeerd kan worden dat er sprake is (geweest) van een onjuiste voorstelling van zaken. De vermogenspositie van partijen was ten tijde van de vorige mondelinge behandeling duidelijk en op basis van die feiten en omstandigheden hebben partijen afspraken gemaakt en heeft de rechtbank bepaald op welke wijze zal worden beslist. De rechtbank is niet gebleken dat de feiten en omstandigheden nu dusdanig anders zijn dan ten tijde van de vorige mondelinge behandeling. Bovendien is er naar het oordeel van de rechtbank in de huidige stand van deze procedure geen ruimte meer om – zoals de vrouw kennelijk wenst – terug te komen op eerdere afspraken en/of op de door de rechtbank reeds bepaalde wijze waarop zal worden beslist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de al door haar aangekondigde beslissingen – zoals de vrouw wenst – te heroverwegen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beschikking van 6 december 2017 als uitgangspunt nemen en hierna de nog openstaande geschilpunten (verder) beoordelen.

Verdeling van de huwelijksgemeenschap

Ten aanzien van de bankrekeningen, de inboedel, de personenauto’s en de vordering van [bedrijfsnaam] van € 120.000,-- heeft de rechtbank in de beschikking van 6 december 2017 de beslissingen al vastgelegd. De rechtbank zal deze beslissingen opnemen in het dictum van de onderhavige beschikking.

De echtelijke woning in Portugal en de hypothecaire geldleningen

Op de mondelinge behandeling van 7 november 2017 bestond overeenstemming over de toedeling van de woning aan de man en hebben partijen afgesproken dat de vrouw alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld om een taxatie te laten verrichten, waarna de waarde van de woning vastgesteld zal worden op het gemiddelde van de taxatie van de zijde van de man (te weten € 2.200.000,-) en de nog te verrichten taxatie van de zijde van de vrouw. Genoemde afspraak is opgenomen in de beschikking van 6 december 2017 en daarbij is vermeld dat de rechtbank zal beslissen dat de man in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap de helft van de overwaarde van de woning (de overwaarde bestaat uit het gemiddelde van de beide taxaties minus het totale bedrag van de drie hypothecaire geldleningen) aan de vrouw moet vergoeden.

Volgens het door de vrouw overgelegde taxatierapport bedraagt de waarde van de voormalige echtelijke woning in Portugal € 2.500.000,--. De rechtbank zal de waarde van de woning vaststellen op € 2.350.000,-- te weten het gemiddelde van de taxatie van de zijde van de man (van € 2.200.000,--) en voornoemde taxatie van de zijde van de vrouw. De rechtbank gaat hierbij voorbij aan de stelling van de man – die bovendien door de vrouw gemotiveerd is betwist – dat in de waardering nog verdisconteerd dient te worden een latente winstbelasting van 28,5% die in Portugal (mogelijk) verschuldigd is. De rechtbank heeft immers op basis van de afspraken die tijdens de mondelinge behandeling op 7 november 2017 zijn gemaakt al een eindbeslissing genomen over hoe de waarde van de woning moet worden berekend en dit door de man (nieuw) ingenomen standpunt is daarbij niet ter sprake gekomen.

De rechtbank zal gelet op het bepaalde in de beschikking van 6 december 2017 de woning tegen de hiervoor genoemde gemiddelde taxatiewaarde aan de man toedelen. De man dient de helft van de overwaarde, zijnde € 607.683,50 ((€ 2.350.000,-- minus € 1.134.633,--) / 2) aan de vrouw te betalen.

De onroerende zaken gelegen te [appartement(en) woonplaats vrouw] [woonplaats vrouw]

Ter zitting op 7 november 2017 waren partijen het erover eens dat de onroerende zaken aan de man zouden worden toebedeeld. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld om een taxatie te laten verrichten, waarna de waarde van de onroerende zaken vastgesteld zal worden op het gemiddelde van de taxatie van de zijde van de man (te weten € 740.000,--) en de nog te verrichten taxatie van de zijde van de vrouw. In de beschikking van 6 december 2017 is vermeld dat zal worden beslist dat de man in het kader van de verdeling de helft van de waarde van de onroerende zaken (zijnde het gemiddelde van de beide taxaties) aan de vrouw moet vergoeden.

Volgens het door de vrouw overgelegde taxatierapport bedraagt de waarde van deze onroerende goederen € 1.077.233,--. De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals de man stelt – de in opdracht van de vrouw getaxeerde waarde te corrigeren. De rechtbank stelt de waarde dus vast op € 908.616,50, te weten het gemiddelde van de taxatie van de zijde van de man en voornoemde taxatie van de zijde van de vrouw.

De rechtbank zal – gelet op het bepaalde in de beschikking van 6 december 2017 – de onroerende goederen gelegen aan de [appartement(en) woonplaats vrouw] in [woonplaats vrouw] tegen de hiervoor genoemde waarde aan de man toedelen. De man dient de helft van de waarde, een bedrag van € 454.308,25, aan de vrouw te betalen.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat de vrouw – zoals bij vonnis van 20 juli 2018 is bepaald door de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland – tot het moment dat het appartement aan de [appartement(en) woonplaats vrouw] , (in dit geval) aan de man is geleverd het uitsluitend gebruik van het appartement toekomt.

Levering echtelijke woning en onroerende zaken in [woonplaats vrouw]

De rechtbank zal in aanvulling op het voorgaande bepalen dat de man binnen drie maanden na deze beschikking dient zorg te dragen voor zowel de levering van de echtelijke woning in Portugal en de onroerende zaken in [woonplaats vrouw] aan hem, alsmede voor de uitkering van in ieder geval de ten aanzien van deze registergoederen ontstane vordering wegens overbedeling van € 1.061.991,75 aan de vrouw. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw haar medewerking hieraan zal verlenen. De rechtbank acht dit een reële termijn gelet op de toezegging die de man tijdens de zitting op 21 augustus 2018 heeft gedaan dat hij binnen vier weken na de te geven beschikking een bedrag van € 500.000,-- aan de vrouw kan overmaken en aan het einde van dit jaar nogmaals eenzelfde bedrag.

Levensverzekering bij ASR

De rechtbank heeft in de beschikking van 6 december 2017 opgenomen dat zal worden beslist dat de levensverzekering door de man zal worden voortgezet onder vergoeding van de helft van de (contante) waarde van de polis(sen) aan de vrouw. Gebleken is dat de accountants van beide partijen in de waardering van de aandelen [bedrijfsnaam] de waarde van de ASR polissen per 31 december 2016 hebben verdisconteerd. De rechtbank zal dit vermogensbestanddeel dan ook onder het kopje ‘De aandelen in [bedrijfsnaam] ’ verder bespreken.

Lijfrenteverzekering

De rechtbank is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw recht heeft op de helft van de lijfrente-aanspraak van de man bij [bedrijfsnaam] Het is hen echter niet gelukt om verdere afspraken te maken over de (wijze van) verdeling van de lijfrenteverzekering, omdat zij het niet eens zijn over het bedrag dat de vrouw toekomt.

De rechtbank is uit de overgelegde stukken gebleken dat de bruto waarde per 31 december 2016 € 380.949,-- bedraagt. Nu deze datum slechts een maand voor de peildatum is gelegen en bij gebrek aan andere informatie, acht de rechtbank het redelijk van deze waarde uit te gaan. Nu de vrouw recht heeft op de helft van dit bedrag, moet de man € 190.474,50 aan de vrouw betalen dan wel voor de vrouw afstorten. De rechtbank zal aldus beslissen.

De aandelen in [bedrijfsnaam]

De rechtbank is uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken gebleken dat de accountants van partijen met elkaar overleg hebben gevoerd waarbij zij op een aantal punten tot een compromis zijn gekomen, maar geen algehele overeenstemming over de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam] hebben bereikt. Gelet op de meest recent door partijen ingenomen standpunten, waarbij de gestelde waardes niet veel van elkaar afwijken, zal de rechtbank de waarde van de aandelen vaststellen op € 2.395.000,--.

Gebleken is dat de beide accountants van partijen de waarde van de ASR polissen per 31 december 2016, waar zij het over eens waren (€ 4.533,-- en € 188.611,--), hebben meegenomen bij de waardering van de aandelen. Gelet hierop zal voornoemde waarde nog moeten worden verhoogd met de waardestijging van de ASR polissen tussen 31 december 2016 en de datum van de feitelijke verdeling. Nu die waarde de rechtbank niet bekend is, kan zij dit niet vaststellen en in deze beschikking opnemen. De rechtbank gaat er vanuit dat de accountants van partijen deze waardestijging in onderling overleg zullen bepalen.

Gelet op het voorgaande dient de man dus een bedrag van € 1.197.500,--, verhoogd met de helft van de waardestijging van de ASR polissen tussen 31 december 2016 en de datum van de feitelijke verdeling, aan de vrouw te betalen. De rechtbank zal aldus beslissen.

Conclusie

De rechtbank zal in het dictum van deze beschikking de beslissingen betreffende de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap opnemen. Hetgeen meer of anders is verzocht in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zal de rechtbank afwijzen.

De pensioenen

Partijen zijn er nog niet in geslaagd om overeenstemming te bereiken over (de afstorting van) de pensioenaanspraken. Tijdens de zitting is besproken dat partijen nogmaals met hun beider accountants om de tafel gaan om dit geschilpunt te bespreken en te proberen alsnog tot overeenstemming te komen. Indien (de accountants van) partijen er niet in slagen om afspraken te maken, dan zullen de accountants van partijen samen een derde deskundige uitkiezen, die vervolgens aan de rechtbank een advies zal uitbrengen hoe om te gaan met de pensioenaanspraken. De rechtbank zal dan op basis van dat advies een beslissing nemen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken over de pensioenaanspraken (met dwangsommen) aanhouden tot 1 december 2018. Partijen dienen voor genoemde pro forma datum de rechtbank te berichten over de resultaten van het overleg en de eventuele voortgang van de procedure ten aanzien van de pensioenaanspraken.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van de man en de vrouw het volgende:

1. de woning te [adres] , [woonplaats man] , Portugal wordt tegen een waarde van

€ 2.350.000,-- aan de man toegedeeld, waarbij hij er zorg voor zal dragen dat de vrouw wordt gevrijwaard voor de aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen met [bedrijfsnaam] van € 1.134.633,-- en waarbij de man de helft van de overwaarde, zijnde een bedrag van € 607.683,50, aan de vrouw dient te betalen;

2. de onroerende zaken gelegen aan de [appartement(en) woonplaats vrouw] te [woonplaats vrouw] worden tegen de gemiddelde taxatiewaarde van € 908.616,50 aan de man toegedeeld, waarbij de man de helft van deze waarde, zijnde een bedrag van € 454.308,25, aan de vrouw dient te betalen;

3. de man dient binnen drie maanden na de datum van deze beschikking zorg te dragen voor zowel de levering van de echtelijke woning in Portugal en de onroerende zaken in [woonplaats vrouw] aan hem, alsmede voor de uitkering van in ieder geval de ten aanzien van deze onroerende goederen ontstane vordering wegens overbedeling van € 1.061.991,75 aan de vrouw;

4. de man dient ten aanzien van de verdeling van de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam] en de ASR polissen een bedrag van € 1.197.500,--, verhoogd met helft van de waardestijging van de ASR polissen tussen 31 december 2016 en de datum van de feitelijke verdeling, aan de vrouw te betalen;

5. de levensverzekeringen bij ASR worden door de man voortgezet;

6. de man dient in het kader van de verdeling van de lijfrenteverzekering ten name van de man bij [bedrijfsnaam] een bedrag van € 190.474,50 aan de vrouw uit te betalen, dan wel voor de vrouw af te storten;

7. de (saldi van de) bankrekeningen van de man bij ABN AMRO (rekeningnummer [rekeningnummer] ) en MoneYou (rekeningnummer [rekeningnummer] ) worden aan de man toebedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde per peildatum 1 februari 2017 aan de vrouw;

8. het (saldo van) de bankrekening van de vrouw bij de Deutsche Bank (rekeningnummer [rekeningnummer] ) wordt aan de vrouw toebedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde per peildatum 1 februari 2017 aan de man;

9. de inboedel wordt op de wijze zoals weergegeven in het lichaam van de beschikking van 6 december 2017 (ad j., pagina 8) bij helfte tussen de man en de vrouw gedeeld, zonder nadere verrekening;

10. de Porsche Panamera GTS wordt tegen een waarde van € 60.000,-- toebedeeld aan de man, waarbij de man de helft van deze waarde aan de vrouw moet voldoen;

10. de Volkswagen Multivan wordt tegen een waarde van € 10.000,-- toebedeeld aan de vrouw, waarbij de vrouw de helft van deze waarde aan de man moet voldoen;

12. de vrouw is in de onderlinge verhouding tussen partijen aansprakelijk voor de gehele schuld ter hoogte van € 120.000,-- jegens [bedrijfsnaam] ;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de pensioenaanspraken (met dwangsommen) aan tot 1 december 2018 pro forma zodat (de accountants van) partijen overleg met elkaar kunnen voeren over de pensioenaanspraken;

bepaalt dat partijen voor genoemde pro forma datum de rechtbank berichten over de resultaten van het overleg en de eventuele voortgang van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, O.F. Bouwman en I. Zetstra, rechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van

18 september 2018.