Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1229

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
SGR 17/3877
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitschrijving uit de brp - Verweerder mocht concluderen dat eiser niet langer in Nederland woonachtig was en op een onbekend adres verbleef en dus ambtshalve uit de brp moest worden uitgeschreven - Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3877

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , woonachtig te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Brouwer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Boere).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) de adresgegevens van eiser als onbekend opgenomen in de brp en eiser met ingang van 17 november 2016 in de brp opgenomen als vertrokken uit Nederland.

Bij besluit van 11 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook aanwezig was [echtgenote] , echtgenote van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1981 als [naam] en dat hij de Sierraleoonse nationaliteit bezit. Vanaf 1 februari 2012 stond eiser in de brp ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] . Op 18 februari 2016 is eiser naar Sierra Leone vertrokken. Op 6 juli 2016 is eiser vanuit Conakry, Guinee, via Casablanca, naar de luchthaven Zaventem in Brussel gevlogen. Eiser was daarbij in het bezit van onder meer een paspoort en een geboorteakte van Sierra Leone en een Nederlandse verblijfsvergunning op naam van [naam] , geboren op [geboortedatum] 1981, en een Guinese identiteitskaart op naam van [naam] , geboren op [geboortedatum] 1976, van Guinese nationaliteit. Omdat het Sierraleoonse paspoort volgens Belgische autoriteiten frauduleus is verkregen hebben zij dit paspoort, evenals eisers Nederlandse verblijfsvergunning, in beslag genomen en aangenomen dat eiser [naam] is, geboren op [geboortedatum] 1976, van Guinese nationaliteit. De Belgische autoriteiten hebben eiser de toegang tot België geweigerd waarop eiser naar Conakry, Guinee is teruggekeerd. Het voorgaande blijkt uit het zogeheten onderzoeksdossier van 17 november 2016 dat zich onder de gedingstukken bevindt, en meer in het bijzonder uit de zich daaronder bevindende stukken van de Belgische Federale Politie. Nadat [persoon A] , medewerker van de GR (Gemeenschappelijke Regeling) IJsselgemeenten, op 17 november 2016 de informatie zoals hierboven weergegeven aan verweerder heeft verstrekt, heeft verweerder aan eiser bij brief van diezelfde datum het voornemen kenbaar gemaakt om zijn adresgegevens op grond van artikel 2.22, bezien in samenhang met de artikelen 2.39, 2.43 en 2.47 van de Wet brp, als onbekend op te nemen in de brp en om hem per 17 november 2016 ambtshalve op te nemen in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI). Eiser is in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na ontvangst van het voornemen alsnog zijn verblijfsadres aan verweerder door te geven om zo de inschrijving in de RNI te voorkomen. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser daarom als onbekend opgenomen in de brp en hem per 17 november 2016 geregistreerd als vertrokken uit Nederland. Op 24 december 2016 is eiser naar Nederland teruggekeerd, met een nieuw Sierraleoons paspoort op naam van [naam] , geboren [geboortedatum] 1981, en een terugkeervisum voor Nederland. Op 12 januari 2017 heeft eiser een aanvraag voor (her)inschrijving in de brp ingediend. Na een gesprek met eiser op 27 januari 2017 is hij per 12 januari 2017 weer in de brp ingeschreven. Op 20 januari 2017 heeft eiser een bezwaarschrift tegen het primaire besluit ingediend en op 19 april 2017 is hij in bezwaar gehoord, waarna de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Zuidplas (de bezwaarschriftencommissie) verweerder heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.

3. Eiser voert aan – samengevat weergegeven – dat het niet aan hem te wijten is dat hij van februari tot en met eind december 2016 buiten Nederland was, nu hij in juli 2016 door Belgische autoriteiten is uitgezet naar Guinee, waarbij zijn identiteitsdocument(en) zijn ingenomen, waardoor hij noodgedwongen opnieuw identiteitsdocumenten en een terugreisvisum voor Nederland moest regelen. Eiser stelt verder dat verweerder in zijn geval geen gedegen onderzoek heeft gedaan als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp, dan wel dat verweerder daarbij een onjuiste conclusie heeft getrokken of een incorrect traject heeft gevolgd. Eiser overlegt een e-mailbericht van 8 juni 2017, waaruit blijkt dat medewerkers van de GR IJsselgemeenten op 28 oktober 2016 op het brp-adres van eiser en zijn echtgenote [echtgenote] zijn geweest, dat eiser toen niet aanwezig bleek te zijn maar dat er wel telefonisch contact met hem is geweest, waarbij hij aangaf dat hij in Ghana was, dat zijn verblijf aldaar van tijdelijke aard was en dat hij verwachte binnen enkele weken terug te keren, maar dat de exacte terugkeerdatum afhankelijk was van de datum van afgifte van een terugkeervisum. Volgens eiser volgt hieruit dat in zijn geval geen sprake was van de in artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp gestelde eis dat de ‘ingezetene niet kan worden bereikt’ en dat ‘geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland’. Eiser stelt verder dat de informatie zoals weergegeven in het e-mailbericht van 8 juni 2017, al dan niet bewust, voor verweerder is achtergehouden, waardoor verweerder niet op de hoogte was van het feit dat eiser buiten zijn schuld niet naar Nederland kon terugkeren en waardoor hij dus ten onrechte op 17 november 2016 van zijn brp-adres is uitgeschreven. De ten onrechte uitschrijving heeft geleid tot annulering van de naturalisatieprocedure van eiser en zijn gezin en zal mogelijk leiden tot intrekking van zijn verblijfsvergunning, aldus eiser. Eiser stelt dat hij door het bestreden besluit onevenredig hard in zijn belangen wordt getroffen

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 2.21, eerste lid, van de Wet brp worden aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, gegevens betreffende het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland ontleend.

Ingevolge artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland, indien de ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland.

Het tweede lid bepaalt dat als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt opgenomen de dag waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt.

Artikel 2.30 van de Wet brp bepaalt dat de Minister van Veiligheid en Justitie (thans de Minister van Justitie en Veiligheid) mededeling doet aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente van de gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling die voor de bijhouding van de basisregistratie van belang zijn.

Artikel 2.39, eerste lid, van de Wet brp bepaalt dat de ingezetene die zijn adres wijzigt hiervan schriftelijk aangifte doet bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.

Artikel 2.43, eerste lid, van de Wet brp bepaalt dat de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte doet van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.

Ingevolge artikel 2.47 van de Wet brp verstrekt degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Voor een inschrijving in de brp is bepalend waar iemand feitelijk verblijft. Als het gaat om verblijf in het buitenland, is op grond van artikel 2.22, eerste lid, in samenhang met artikel 2.21, eerste lid, van de Wet brp bepalend of iemand gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland verblijft. Met welk doel die persoon buiten Nederland verblijft, is daarbij niet relevant. Ook is niet relevant of die persoon van plan is om zich blijvend in het buitenland te vestigen, zolang duidelijk is dat aan voormeld criterium wordt voldaan. Voorts bieden voormelde bepalingen, anders dan eiser stelt, geen ruimte voor een belangenafweging.

5.2

In het geval van eiser is dus niet relevant dat hij, naar hij stelt, in februari 2016 naar Sierra Leone is gereisd omdat zijn moeder ziek was, dat hij in juli 2016 onverrichter zake weer vanuit België naar Afrika moest terugkeren omdat Belgische autoriteiten hem de toegang hebben geweigerd en zijn documenten hebben ingenomen en dat het vervolgens lang heeft geduurd om nieuwe documenten en een inreisvisum voor Nederland te regelen.

Gelet hierop behoefde verweerder ook geen onderzoek te doen naar de redenen die eiser had voor zijn verblijf in Afrika en is niet relevant of verweerder, al dan niet bewust, niet op de hoogte is gebracht van het feit dat eiser buiten zijn schuld niet naar Nederland kon terugkeren. Nog daargelaten dat het om een imperatieve bepaling gaat had het naar het oordeel van de rechtbank voorts op de weg van eiser gelegen om verweerder tijdig over, dan wel naar aanleiding van, voornoemde ontwikkelingen te informeren.

5.3

Bepalend is dat eiser gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland verbleef. Blijkens het verweerschrift heeft verweerder op 17 november 2016 van [persoon A] van GR IJsselgemeenten de informatie doorgestuurd gekregen zoals weergegeven in het onderzoeksdossier. Uit deze informatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat eiser in ieder geval van 18 februari 2016 tot 6 juli 2016 en van 6 juli 2016 tot 17 november 2016 in Afrika was. Eisers verblijf in Afrika gedurende voornoemde periode wordt door hemzelf ook erkend. Verweerder heeft op basis van deze informatie nog op 17 november 2016 het voornemen doen uitgaan om eiser uit de brp uit te schrijven, waarop geen reactie is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat verweerder mocht concluderen dat eiser niet langer in Nederland woonachtig was en op een onbekend adres verbleef en dus ambtshalve moest worden uitgeschreven.

5.4

Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.

griffier rechter

De rechter is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.