Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12282

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
AWB 18/182 en AWB 18/183
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend. Eiseres heeft de Boliviaanse nationaliteit. Niet in geschil is dat het Nederlands-Boliviaans Handelsverdrag, en gelet op de meest begunstigde natie, het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag op de aanvraag van toepassing is. Dit betekent dat verweerder het beleid zoals neergelegd in paragraaf B6/2.5 van de Vc 2000 had moeten toepassen en in elk geval had moeten beoordelen of eiseres in haar onderneming een aanzienlijk kapitaal had geïnvesteerd of daadwerkelijk bezig was dat te doen. Dit heeft verweerder niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte gesteld dat de documentatievereisten uit paragraaf B6/4.5. van de Vc 2000 ook gelden bij een aanvraag waarop het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag van toepassing is en heeft verweerder de aanvraag ten onrechte niet volgens het voorgeschreven beleid beoordeeld. De besluitvorming van verweerder is dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/182 (beroep) en AWB 18/183 (voorlopige voorziening)

[V-nr.:]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 7 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , van Boliviaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster,

hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Met het besluit van 9 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 15 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Op 9 januari 2018 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op diezelfde datum heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist. Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Tijdens de beroepsprocedure heeft verweerder met het besluit van 16 april 2018 het bestreden besluit aangevuld (hierna: het aanvullend bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam] tolk in de Spaanse taal.

Met de beslissing van 28 juni 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit om een besluit van verweerder van 31 mei 2018 op een latere aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder dezelfde beperking voor de periode van 27 februari 2018 tot 27 februari 2020 onderdeel uit te laten maken van het procesdossier en om partijen op dit besluit te laten reageren. Verweerder heeft vervolgens op 3 juli 2018 schriftelijk gereageerd, waarna eiseres op 9 juli 2018 met een schriftelijke reactie is gekomen.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, nu beide partijen schriftelijk toestemming hebben gegeven om uitspraak zonder nadere zitting te doen. De rechtbank heeft het onderzoek op 29 augustus 2018 gesloten.

Overwegingen

Feiten en besluitvorming verweerder

1. Mede gelet op hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat het beroep van eiseres gelet op hetgeen is bepaald in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, ook betrekking heeft op het aanvullend bestreden besluit.

2. Eiseres, geboren op [geboortedatum] en van Boliviaanse nationaliteit, heeft in Italië de status van langdurig ingezetene op grond van de Richtlijn1. Eiseres verblijft momenteel in Nederland. Op 20 oktober 2017 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ (hierna: de aanvraag). Eiseres is sinds [datum] enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] (hierna: de onderneming). Eiseres heeft bij haar aanvraag de volgende stukken overgelegd: een kopie van haar paspoort, een kopie van haar EU-verblijfsvergunning voor een langdurig ingezetene, een Bijlage Antecentenverklaring, een Bijlage Verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer, verklaringen omtrent opdrachtgeving en een ondernemingsplan.

3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen en tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd, omdat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat eiseres door het zelfstandig verrichten van arbeid duurzaam over voldoende middelen van bestaan zal kunnen beschikken. Er is daarom niet voldaan aan de in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) neergelegde voorwaarde om in aanmerking te komen voor de gevraagde verblijfsvergunning.

4. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en in de bezwaarfase onder meer de volgende stukken overgelegd: de statuten van de onderneming, een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, een verklaring van opdracht aan de onderneming, een verklaring van bekwaamheid van een voormalig werkgever in Italië en een printscreen van het saldo op een bankrekening van eiseres.

5. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard en hieraan – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd.

De door eiseres overgelegde aanvullende stukken zijn zo weinig concreet en onderbouwd dat niet kan worden gezegd dat zij over voldoende duurzame middelen van bestaan beschikt. Voor zover eiseres in bezwaar heeft betoogd dat het Nederlands-Boliviaans Handelsverdrag2 op haar van toepassing is, overweegt verweerder primair dat eiseres niet valt onder het bereik van artikel 1, tweede lid, van dit verdrag. Subsidiair overweegt verweerder dat indien eiseres wel onder het bereik van dat artikel zou vallen, Zwitserland de meest begunstigde natie is waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten. Dit blijkt uit het Nederlands-Zwitsers Tractaat3. Hieruit volgt dat eiseres voor toelating, verblijf, vestiging en het verrichten van arbeid in Nederland dient te voldoen aan de Nederlandse vreemdelingenwet en aanverwante wet- en regelgeving. Gebleken is dat eiseres hier niet aan voldoet.

6. Met het aanvullend bestreden besluit heeft verweerder het bestreden besluit aangevuld en daarbij gesteld dat de aanvraag ten onrechte niet is getoetst aan het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag.4 Dit had gelet op artikel 1, tweede lid, van het Nederlands-Boliviaans Handelsverdrag wel gemoeten. Eiseres voldoet echter niet aan artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, zoals reeds in het bestreden besluit is uiteengezet, en daarmee dus niet aan de in paragraaf B6/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) opgenomen voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag, aldus verweerder.

Oordeel rechtbank

7.1.

Tussen partijen is niet langer in geschil is dat het Nederlands-Boliviaans Handelsverdrag, en gelet op de meest begunstigde natie, het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag op de aanvraag van toepassing is. Artikel 1, eerste lid, van dit vriendschapsverdrag is in paragraaf B6/2.5 van de Vc 2000 als volgt uitgewerkt:

“De IND verleent een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.30 Vb aan een vreemdeling die onderdaan is van de Verenigde Staten van Amerika of Japan op grond van de hierboven genoemde Verdragen als wordt voldaan aan de algemene verblijfsvoorwaarden als genoemd in artikel 16 Vw (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16&g=2018-09-01&z=2018-09-01) met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onder c, Vw, én de vreemdeling: (…)

b. de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin de vreemdeling een aanzienlijk kapitaal heeft geïnvesteerd of waarin deze daadwerkelijk bezig is dat te doen, ontwikkelt en leidt.

Ad b. De IND verstaat onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ in ieder geval één van de volgende situaties:

(…) de vreemdeling oefent een vrij beroep uit tenzij sprake is van een zekere publieke taak of een functie in de gezondheidszorg of publieke veiligheidssector.

De IND verstaat onder ‘aanzienlijk kapitaal’ in de hierna genoemde situaties het volgende:

(…) Besloten vennootschap: een kapitaal van ten minste 25% van het gestorte kapitaal, met als minimum een kapitaal van € 4.500.(…)”

7.2.

Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Deze voorwaarde wordt ook wel het middelenvereiste genoemd.

7.3.

Uit het aanvullend bestreden besluit, waarin verwezen wordt naar het bestreden besluit, en uit de toelichting van verweerder ter zitting blijkt dat de aanvraag is afgewezen, omdat eiseres volgens verweerder niet voldoet aan de beperking waarvoor zij de verblijfsvergunning heeft aangevraagd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag dat eiseres niet aan de documentatievereisten die zijn neergelegd in paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 heeft voldaan. Daarom is ook niet duidelijk of eiseres aan het middelenvereiste voldoet. Of eiseres aan de beperking voldoet waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, wordt eerst beoordeeld. Pas bij een positieve beoordeling wordt de aanvraag getoetst aan het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag, zo heeft verweerder ter zitting toegelicht.

7.4.1.

De rechtbank is van oordeel dat deze beoordelingswijze niet strookt met verweerders eigen beleid. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Nu vaststaat dat op de aanvraag van eiseres het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag van toepassing is, hoeft eiseres volgens voornoemd beleid van verweerder niet te voldoen aan het middelenvereiste. Dat is expliciet zo in het beleid vermeld. Dat eiseres dus zou moeten voldoen aan de documentatievereisten van paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000, zodat het middelenvereiste kan worden beoordeeld, strookt hier niet mee en is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onjuist. Ook uit het door eiseres ter zitting getoonde aanvraagformulier voor het aanvragen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag blijkt niet dat een aanvrager in dat geval gehouden is om aan deze documentatievereisten te voldoen. De stelling van verweerder dat deze documentatievereisten toch gelden, omdat ook de levensvatbaarheid van de onderneming moet worden beoordeeld, wat los gezien moet worden van het middelenvereiste, komt evenmin overeen met hetgeen is vermeld in paragraaf B6/2.5 van de Vc 2000. De beroepsgrond van eiseres slaagt dan ook.

7.4.2.

Dit betekent dat verweerder op grond van het onder 7.1. genoemde beleid in elk geval had moeten beoordelen of eiseres in de onderneming een aanzienlijk kapitaal had geïnvesteerd of daadwerkelijk bezig was dat te doen. Uit het (aanvullend) bestreden besluit noch uit hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat verweerder dit heeft beoordeeld.

7.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de documentatievereisten uit paragraaf B6/4.5. van de Vc 2000 ook gelden bij een aanvraag waarop het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag van toepassing is en heeft verweerder de aanvraag ten onrechte niet volgens het voorgeschreven beleid beoordeeld. Verweerder heeft het (aanvullend) bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.

Beslissing rechtbank, proceskostenveroordeling en vergoeding griffierecht

8.1.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit en het aanvullend bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat zij bij deze stand van zaken zelf geen mogelijkheid heeft om het geschil finaal te beslechten. Voor een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres zal verweerder moeten onderzoeken of eiseres in de periode na

1 juni 2017, zoals door eiseres in haar schriftelijke reactie van 9 juli 2018 naar voren is gebracht, aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning voldeed. Verweerder zal daarom met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres moeten nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8.2.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wijst de rechtbank af, omdat bij deze uitspraak op het beroep wordt beslist.

8.3.

Vanwege de constateerde gebreken, zoals overwogen onder 7.5., bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar voor zowel het beroep (€ 170-,) als voor het verzoek om een voorlopige voorziening (€ 170,-) betaalde griffierecht vergoedt. Om dezelfde reden veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres voor het beroep en voor het verzoek om een voorlopige voorziening gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en

1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en het aanvullend bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 340,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.503,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2018.

griffier

rechter, tevens voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.

2 Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek van Bolivia, La Paz, 30 mei 1929.

3 Tractaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Zwitserland (Stb. 1878, 137).

4 Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1956, 40).