Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12262

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
18.16243
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Arrest Gnandi/ voorlopige voorziening / pkv

Betrokkene stelt zich onder verwijzing naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018 (ECLI:EU:C:2018:465) op het standpunt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft overwogen dat aan het beroep geen schorsende werking toekomt. Hij meent dan ook dat hij ten onrechte is gedwongen om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen teneinde uitzetting te voorkomen.

Uit het arrest Gnandi volgt dat een beroep, althans voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, opschortende werking dient te hebben in afwachting van de uitkomst op het beroep tegen het afwijzend asielbesluit om zo een doeltreffende voorziening in rechte te zijn. Daaronder wordt tevens verstaan het recht op behoud van opvang en het recht op verblijf op het grondgebied van de betreffende lidstaat, totdat op het beroep is beslist. Dat een beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming ingevolge artikel 46, zesde lid, onder a) van de Procedurerichtlijn geen opschortende werking hoeft te hebben, doet hier niet aan af. Gelet op het arrest Gnandi heeft de staatssecretaris dan ook ten onrechte bepaald dat het beroep tegen het bestreden besluit, dat tevens als terugkeerbesluit geldt, geen opschortende werking heeft. Betrokkene heeft gelijk. Hem is in feite ten onrechte medegedeeld dat hij een verzoek om een voorlopige voorziening moet indienen om de behandeling van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.16243


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).


Procesverloop
Bij besluit van 3 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en h, van de Vw 2000. Daarbij is ambtshalve besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat aan hem geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Tegen verzoeker is een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat hij Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroepschrift is geregistreerd onder zaaknummer NL18.16242. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het beroep en het verzoek zijn tezamen behandeld ter zitting van 3 oktober 2018. Verzoeker heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft op 22 augustus 2018 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft hij, voor zover thans van belang, aangevoerd dat hij Hakim Baahmed is, geboren op

[geboortedatum] 1999 en van Algerijnse nationaliteit.

2. In dit geval is het treffen van een voorlopige voorziening alleen mogelijk als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL18.16242, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Het beroep is ongegrond verklaard. Het treffen van een voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

3. De voorzieningenrechter ziet niettemin aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Daartoe is het volgende redengevend.

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder de kopjes ‘Rechtsgevolgen van deze beschikking’ en ‘Rechtsmiddelen ’aan verzoeker te kennen gegeven dat dit besluit tevens als terugkeerbesluit geldt en van rechtswege tot gevolg heeft dat verzoeker niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Tevens is door verweerder bepaald dat verzoeker Nederland onmiddellijk moet verlaten en dat hij kan worden verwijderd als hij hieraan niet voldoet. Bovendien zullen verstrekkingen op de voorgeschreven wijze worden beëindigd. Aan verzoeker is medegedeeld dat de rechtsgevolgen niet worden opgeschort indien hij beroep instelt tegen dit besluit. De behandeling van het beroepschrift mag verzoeker dan ook niet, zo wordt door verweerder benadrukt, in Nederland afwachten. Hij kan de Vreemdelingenkamer van de Rechtbank Den Haag verzoeken om te bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit worden opgeschort totdat op het beroep is beslist. Ten slotte meldt verweerder dat als verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening indient, hij de behandeling daarvan wel in Nederland mag afwachten.

5. Verzoeker heeft zich in de gronden van beroep en de voorlopige voorziening onder meer op het standpunt gesteld dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 19 juni 2018, Gnandi, C-181/16 (ECLI:EU:C:2018:465), gelezen in samenhang met het bepaalde in artikel 46, achtste lid, van richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn), volgt dat hij het recht heeft om gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag, gedurende de termijn waarbinnen hij tegen een afwijzende beschikking een rechtsmiddel kan aanwenden en gedurende de termijn die gepaard gaat met de behandeling van dit rechtsmiddel, rechtmatig verblijf heeft. Dit omdat aldus verzoeker, aan het door hem ingediende beroep automatisch schorsende werking toekomt en het hem dus per definitie wordt toegestaan op het grondgebied van de lidstaat te verblijven totdat op het beroep is beslist. Verzoeker stelt zich derhalve op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat aan het beroep geen schorsende werking toekomt. Verzoeker meent dan ook dat hij ten onrechte is gedwongen om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen teneinde uitzetting te voorkomen.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het arrest Gnandi dat een beroep, althans voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, opschortende werking dient te hebben in afwachting van de uitkomst op het beroep tegen het afwijzend asielbesluit om zo een doeltreffende voorziening in rechte te zijn. Daaronder wordt tevens verstaan het recht op behoud van opvang en het recht op verblijf op het grondgebied van de betreffende lidstaat, totdat op dat beroep is beslist. Dat een beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming ingevolge artikel 46, zesde lid, onder a), van de Procedurerichtlijn geen opschortende werking hoeft te hebben, doet hier niet aan af. Gelet op het arrest Gnandi heeft verweerder dan ook ten onrechte bepaald dat het beroep tegen het bestreden besluit, dat tevens als terugkeerbesluit geldt, geen opschortende werking heeft. Verzoeker heeft gelijk. Hem is in feite ten onrechte medegedeeld dat hij een verzoek om een voorlopige voorziening moet indienen om de behandeling van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten.

7. Het is om die reden dat de voorzieningenrechter verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten veroordeelt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.002,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J.W. Hermans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.