Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12261

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
09/842066-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank merkt op dat in het primair ten laste gelegde de vraag voorlag, of sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. In het subsidiair ten laste gelegde is de strafverzwarende omstandigheid, zoals genoemd in artikel 141 tweede lid, Wetboek van Strafrecht, zijnde dat het gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, echter niet opgenomen. De rechtbank zal de mate van ernst van het opgetreden letsel meewegen bij de bepaling van de strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0857
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/842066-18

Datum uitspraak: 27 september 2018

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te ' [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2001,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 28 mei 2018 en

13 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.J. Boswijk en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J. Verschuren, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 februari 2018 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakbreuk en/of ander hoofdletsel heeft toegebracht door te slaan en/of te schoppen tegen het hoofd van [benadeelde] ;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2018 te ’s-Gravenhage openlijk, te weten aan de Hofzichtlaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten

[benadeelde] door te slaan en/of te schoppen tegen zijn lichaam en/of hoofd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich op

13 februari 2018 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade danwel openlijke geweldpleging.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

De officier van justitie heeft zijn requisitoir op schrift gesteld en ter zitting aan de rechtbank overgelegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt er kort gezegd op neer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Aangevoerd is dat nu de wil enhet bewustzijn, om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen alsmede de aanmerkelijke kans dat dit ontstaat ontbreken door met de vuist tegen zijn gezicht te slaan, de opzet – ook in voorwaardelijke zin - op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. Subsidiair, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de opzet op het zwaar lichamelijk letsel wel aanwezig is geweest, bepleit de raadsman partiële vrijspraak van de voorbedachten rade.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft zijn pleidooi ook op schrift gesteld en aan de rechtbank overgelegd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Op 13 februari 2018 omstreeks 15.30 uur liep [benadeelde] , 13 jaar,

naar de tramhalte Hofzichtlaan te Den Haag. Er waren grote jongens, breed en lang. Van één van deze jongens kreeg hij een klap op zijn kaak waardoor hij op de grond vielt en buiten bewustzijn raakte. In de ambulance voelde [benadeelde] overal hevige pijn.

Hij kreeg zijn mond niet dicht omdat zijn lippen bloedden. In het ziekenhuis zijn zijn lippen gehecht en is hij aan zijn kaak geopereerd. [benadeelde] heeft naderhand van omstanders gehoord dat hij diverse keren tegen zijn hoofd en lichaam is geslagen en geschopt. Hij is bang, kan niet slapen en heeft last van nachtmerries.2

In het ziekenhuis werd een zwelling en hematoom rond de onderkaak geconstateerd, evenals een laceratie van de onderlip en het mondslijmvlies en een dubbelzijdige onderkaakfractuur. Hierbij is aangegeven dat dit letsel alleen kan worden veroorzaakt door een forse krachtvector/impact. De geschatte duur van de genezing is:

6 weken botheling en na 3 maanden volgt een tweede operatie voor de plaatverwijdering.3

Op 14 februari 2018, als [benadeelde] , in het ziekenhuis ligt, verklaart hij tegen de [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat hij bij de tramhalte werd aangesproken door [medeverdachte 1] en nog twee andere jongens. [medeverdachte 1] sloeg hem met een hand waaraan hij een handschoen droeg. Hierna zag [benadeelde] zwart en is hij op de grond gevallen. Vervolgens kwamen de politie en de ambulance, waarna hij naar het ziekenhuis is vervoerd.4

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 13 februari 2018 samen met [medeverdachte 1] (naar de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) was. De verdachte was boos omdat [benadeelde] hem al drie dagen aan het beschuldigen was. [medeverdachte 1] en de verdachte waren met [benadeelde] bezig en de anderen stonden er omheen. [medeverdachte 1] gaf [benadeelde] een duw en daarna heeft de verdachte [benadeelde] geslagen. Hij heeft hem blindelings met zijn vuist geslagen, tweemaal. Hij sloeg normaal, alsof hij tegen een boksbal sloeg.

Het zou kunnen zijn dat hij [benadeelde] in zijn gezicht heeft geraakt. Hij had daarna een wondje op zijn rechtervuist. Na zijn klap viel [benadeelde] van de tramverhoging op de grond. De verdachte is toen weggelopen en zag [benadeelde] ook opstaan en weglopen. [benadeelde] had toen aan zijn rechterwang een beetje bloed. [medeverdachte 1] had [benadeelde] voor zijn klap al een duw gegeven. [medeverdachte 2] (naar de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) was later gekomen. Hij was aanwezig bij de mishandeling. De verdachte heeft verklaard dat hij erg geschrokken is van het feit dat [benadeelde] een gebroken kaak heeft opgelopen. Ze wilden hem alleen maar een paar blauwe plekken bezorgen, op zijn armen.5

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het de bedoeling was [benadeelde] een paar klappen te geven en dat daarom de whatsapp groep ‘ [benadeelde] is aangemaakt. Het was niet de bedoeling om hem een gebroken kaak te slaan. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kwamen de verdachte op school ophalen en samen liepen ze naar de tramhalte. Ze wilden met [benadeelde] praten, maar dat is uit de hand uitgelopen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij [benadeelde] , als hij alleen was geweest, ook geslagen zou hebben en dat hij [benadeelde] niet de eerste, maar wel de tweede klap heeft gegeven. Hij heeft hem eerst een klap met zijn platte linkerhand gegeven en daarna met rechts met een vuist. Na de klappen zag hij dat hij wondjes op zijn handen had. Nadat hij [benadeelde] had geslagen, is [benadeelde] van de drempel bij de tramrails gevallen.

Nadat iemand [benadeelde] had geholpen met opstaan, is [benadeelde] weggelopen. De verdachte heeft verklaard geen boksbeugel te hebben gehad en zeker te weten dat de andere jongens er ook geen bij zich hadden ten tijde van het incident.6

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [benadeelde] hem van de straatroven beschuldigde en dat hij daarom erg boos was. Hij had die dag afgesproken met [verdachte] (naar de rechtbank begrijpt: de verdachte) en [medeverdachte 2] (naar de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) bij de school. [medeverdachte 1] zag [benadeelde] bij de tramhalte staan en vroeg hem waarom hij hem beschuldigde. [benadeelde] was volgens [medeverdachte 1] aan het liegen en toen gaf hij hem een tik. Op datzelfde moment kwam de verdachte achter hem staan en gaf hij [benadeelde] een vuist in zijn gezicht, op zijn rechterkaak of wang. Deze klap was volgens [medeverdachte 1] erg hard. De verdachte ging met [benadeelde] vechten. Ze lagen op de grond en op een gegeven moment zag [medeverdachte 1] dat [benadeelde] aan zijn gezicht bloedde.7

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat er een incident is geweest op 13 februari 2018 en dat hij daarbij aanwezig was. Samen met [medeverdachte 1] (naar de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) en [verdachte] (naar de rechtbank begrijpt: de verdachte) is hij achter [benadeelde] aangelopen.

Bij de tramhalte sprak [medeverdachte 1] [benadeelde] aan, waarna [medeverdachte 1] [benadeelde] de eerste klap gaf en de verdachte volgde. Daarna gaf [medeverdachte 2] [benadeelde] een duw waardoor [benadeelde] van het afstapje bij de tram viel. Vervolgens gaf [medeverdachte 2] [benadeelde] nog een trap tegen zijn benen.

[medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat er een plan was om [benadeelde] te gaan slaan en dat hij heeft meegedaan om stoer te doen.8

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt dat zij allen in de veronderstelling verkeerden dat [benadeelde] hen beschuldigde van een beroving en twee pogingen daartoe van drie andere jongens op 9 februari 2018.

De verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wilden dat [benadeelde] hiermee zou stoppen. Uit onderzoek is gebleken dat eerder een whatsapp groep is aangemaakt genaamd [benadeelde] ’. Zowel het telefoonnummer in gebruik bij de verdachte als de telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maakten deel uit van deze whatsapp groep. Uit de berichten kan worden afgeleid dat zij met zijn drieën van plan waren [benadeelde] te gaan slaan.9

De rechtbank is, gelet op vorenstaande verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten, alsmede de inhoud van de whatsapp berichten van oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachten naar [benadeelde] toe zijn gegaan met de bedoeling om [benadeelde] te slaan. Vervolgens hebben zij alle drie geweldshandelingen jegens [benadeelde] verricht, hetgeen tot ernstig lichamelijk letsel bij [benadeelde] heeft geleid. Anders dan door de officier van justitie gerekwireerd, volgt uit het dossier en het verhandelde ter zitting echter onvoldoende dat de verdachte en zijn medeverdachten het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat verder geen ondersteuning voor de aanname dat er met een hard voorwerp oftewel een boksbeugel zou zijn geslagen.

Evenmin valt met voldoende overtuiging vast te stellen dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit, gericht op het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gelet op het voorgaande zijn de handelingen zoals jegens [benadeelde] verricht dan ook te kwalificeren als openlijk geweld, zoals subsidiair is tenlaste gelegd en zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder primair ten laste gelegde feit.

De rechtbank merkt op dat in het primair ten laste gelegde de vraag voorlag, of sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. In het subsidiair ten laste gelegde is de strafverzwarende omstandigheid, zoals genoemd in artikel 141 tweede lid, Wetboek van Strafrecht, zijnde dat het gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, echter niet opgenomen. De rechtbank zal de mate van ernst van het opgetreden letsel meewegen bij de bepaling van de strafmaat.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

Subsidiair

hij op 13 februari 2018 te ’s-Gravenhage openlijk, te weten aan de Hofzichtlaan, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] door te slaan en te schoppen tegen zijn lichaam en/of hoofd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren,

met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de meldplicht, het zich onder behandeling stellen van De Waag, het volgen van onderwijs en een contactverbod met [benadeelde]

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat het toezicht en de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd, die gelijk is aan

de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Mocht de rechtbank echter overwegen een voorwaardelijke straf op te leggen, dan bepleit de raadsman het opleggen van een voorwaardelijke werkstraf met eventuele bijzondere voorwaarden, gelet op de lage recidivekans.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens een 13-jarige schoolgenoot van de verdachte. Het jonge slachtoffer is diverse malen op zijn gezicht/kaak geslagen en uiteindelijk ten val gekomen. Ten gevolge van deze geweldshandelingen is een dubbele kaakbreuk ontstaan.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een dergelijk geweldsdelict zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van het jonge slachtoffer, die ter terechtzitting door zijn advocaat is voorgelezen, blijkt dat het gebeurde nog steeds een enorme impact heeft op zijn leven. Na een operatie en een verblijf in het ziekenhuis heeft het slachtoffer nog zes weken vloeibaar voedsel moeten eten, omdat zijn kaken waren vastgezet. Ook thans heeft hij nog veel pijn bij het kauwen en eet hij nog vaak vloeibaar voedsel. Omdat hij gedurende de eerste zes weken na de operatie niet heeft kunnen praten, zijn de spieren om te kunnen praten verzwakt en slist hij nu. Daarvoor zal nog fysiotherapie volgen. Het gebeurde heeft ook psychisch een grote impact gehad op het slachtoffer. Hij krijgt nog wekelijks een behandeling bij de psychiater en EMDR-therapie bij de psycholoog, heeft nachtmerries en is angstig om naar buiten te gaan.

De rechtbank rekent de verdachte en zijn medeverdachten deze gevolgen zwaar aan.

Als gevolg van dit soort delicten nemen bovendien de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De persoon van de verdachte

De verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 28 mei 2018 betreffende het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door drs. [naam 1] , GZ-psycholoog en orthopedagoog,en op het Pro Justitia rapport van 6 juni 2018 betreffende het psychiatrisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door

[naam 2] (kinder-en jeugd) psychiater.

Blijkens deze rapporten is er bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens (geestesstoornis) in de vorm van een psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis met als gevolg een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling bij een sociaal-emotioneel nog onrijpe zestienjarige die functioneert op een beneden gemiddeld intelligentieniveau (disharmonisch profiel ten nadele van zijn performale capaciteiten). Deze waren alle ten tijde van de tenlastegelegde feiten, mits bewezen geacht, aanwezig.

De psycholoog is van mening dat de verdachte ten tijde van het feit geheel toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. De psychiater is ook van mening dat de stoornis en de hieraan gerelateerde bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling de gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet beïnvloedden.

Beide deskundigen zijn van mening dat de kans op recidive als laag, althans niet als groot,

kan worden ingeschat, aangezien er meer beschermende factoren dan risicofactoren aanwezig zijn. Er is een sprake van een betrokken gezinssysteem en de verdachte heeft een positief toekomstperspectief. Zorgelijk is de omgang met jongeren die anti-sociaal gedrag vertonen en de gebrekkige schoolgang van de verdachte.

Het zou goed zijn als de verdachte ambulante hulp krijgt voor zijn geslotenheid en het vergroten van zijn coping- en emotieregulatievaardigheden.

Een individuele behandeling in de vorm van Psycho Motore Therapie (PMT) en een training voor zijn agressieregulatie lijkt voorts aangewezen.

Geadviseerd wordt aan de verdachte in het kader van een voorwaardelijke detentiestraf een ambulante behandeling bij De Waag/De Jutters of een soortgelijke instelling op te leggen en het toezicht van de jeugdreclassering voort te zetten.

De psycholoog acht ook herstelbemiddeling belangrijk.

De rechtbank onderschrijft de conclusies ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid en de kans op recidive uit voornoemde rapporten over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) en van het meest recente rapport

van 21 augustus 2018 tevens inhoudende een strafadvies.

Uit dit rapport komt naar voren dat het dynamisch risicoprofiel midden is en dat het algemeen risicoprofiel hoog is. De Raad ziet risicofactoren die de kans op herhaling vergroten. De omgang met anti-sociale leeftijdsgenoten is een zorg en ook de geslotenheid van de verdachte. De beschermende factoren zijn dat de verdachte gedurende de afgelopen schorsingsperiode positief gedrag vertoont, geen nieuwe politiecontacten heeft gehad, een goede band heeft met zijn ouders, een positieve dagbesteding heeft en erg gericht is op zijn basketbalcarrière.

Een individuele ambulante behandeling is nodig om de ontwikkeling van de verdachte te beïnvloeden. Een non-verbale therapievorm, zoals Psycho Motore Therapie (PMT), is passend bij zijn fysiek ingesteld zijn en zijn disharmonisch profiel.

Geadviseerd wordt dan ook de verdachte een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie (waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk staat aan de duur van voorarrest) op te leggen met als bijzondere voorwaarden: voortzetting van de jeugdreclasseringsmaatregel, het zich onder behandeling stellen bij de Waag (of een soortgelijke instantie) en het volgen van onderwijs volgens het lesrooster. Tevens wordt geadviseerd te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De op te leggen straf

De rechtbank komt, alles afwegend, tot de volgende straf. Zij houdt daarbij rekening met de ernst van het feit, de LOVS-oriëntatiepunten die gelden voor jeugdigen in soortgelijke gevallen en de adviezen van de deskundigen en van de Raad.

Zoals reeds overwogen rekent de rechtbank de verdachte het geweld jegens het slachtoffer zwaar aan. De verdachte en zijn medeverdachten waren ten tijde van het incident tussen de 16 en 17 jaar oud, terwijl het slachtoffer slechts 13 jaar oud was. Voorts zijn de gevolgen van dit geweld voor het slachtoffer groot en ingrijpend. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie.

Teneinde de verdachte in de toekomst van het plegen van nieuwe strafbare feiten te weerhouden en zijn begeleiding en behandeling te waarborgen, ziet de rechtbank reden een deel van deze jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen, met als bijzondere voorwaarden: begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de meldplicht, het meewerken aan een behandeling (PMT) bij De Waag, het volgen van onderwijs en een contactverbod met het [benadeelde] .

Een voorwaardelijke werkstrafacht de rechtbank gelet op de ernst van het feit niet passend.

De rechtbank ziet, anders dan is geadviseerd en verzocht, in de persoon van de verdachte en hetgeen de deskundigen ter zake van de kans op herhaling hebben overwogen, onvoldoende reden om te bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[naam 3] heeft zich als wettelijk vertegenwoordiger namens [benadeelde] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 9.165,98, bestaande uit een bedrag van € 1.165,98 aan materiële schade en een bedrag van € 8.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ter terechtzitting heeft mr. De Klerk namens [benadeelde] een korte toelichting gegeven op de vordering en ter onderbouwing van de post ‘beschadigde gsm’ nog schriftelijke informatie overgelegd. Ook ten aanzien de fysiotherapie die nog zal volgen, heeft mr. De Klerk informatie overgelegd.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de [benadeelde] tot een bedrag van € 8.845,98, zijnde een bedrag van

€ 845,98 aan materiële schade en een bedrag van € 8.000,- aan immateriële schade. Ten aanzien van de post beschadigde gsm heeft de officier van justitie tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in zijn vordering geconcludeerd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de op de vordering vermelde materiële schade primair afwijzing bepleit van de posten betreffende de beschadigde gsm en de kledingschade. Subsidiair heeft de raadsman terzake van deze posten matiging bepleit nu er nieuwwaarde wordt geclaimd van spullen die toch al iets ouder zijn.

Voorts heeft de raadsman matiging van het bedrag aan geleden immateriële schade bepleit,

nu de omstandigheden dat de benadeelde partij een nieuwe school heeft gezocht en de moeder van de benadeelde partij psychische begeleiding heeft, niet kunnen bijdragen als grond voor de immateriële schade.

Voorts wordt er, aldus gesteld, verwezen naar de schaal van Julin, die in de Belgische rechtspraktijk van het aansprakelijkheidsrecht wordt gebruikt om ethische schade te evalueren. De raadsman heeft niet kunnen achterhalen dat dit ook in de Nederlandse praktijk gangbaar is. Verwezen wordt naar een vergelijkbare zaak uit de ANWB-smartegeldgids met nummer 1383, waarin een bedrag van € 1.000,- (geïndexeerd € 1.113,-) aan immateriële schade is toegewezen. Gesteld wordt dat een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van de geleden immateriële schadepassender is.

Mocht de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen, dan verzoekt de raadsman het aantal dagen vervangende hechtenis op nihil te stellen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiele post ‘beschadigde gsm’- ook na overlegging van een email terzake ter terechtzitting - onvoldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Ten aanzien van de post ‘kledingschade’, die eveneens namens de verdachte is betwist, is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij.

Het is aannemelijk dat de kleding van de benadeelde partij in het ziekenhuis is verwijderd en daarbij is vernield.

De verdachte heeft de vordering aan materiële schade voor het overige niet betwist.

De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering, dat ziet op de post ‘beschadigde gsm’ en voor het overige toewijzen, tot een bedrag van € 845,98.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 8.000,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde feit.

Uit de toelichting die is opgenomen ter onderbouwing van de vordering benadeelde partij kan worden opgemaakt dat de immateriële schade die is geleden fors is en opgebouwd uit fysiek en mentaal letsel. Het staat de benadeelde partij vrij om ter onderbouwing van de vordering aan te sluiten bij uitspraken uit de de ANWB-smartegeldgids, evenals bij de schaal van Julin ten aanzien van de geleden cosmetische schade. Het is uiteindelijk aan de rechtbank om een bedrag vast te stellen. De rechtbank acht, gelet op de onderbouwing van de vordering, een bedrag van € 8.000,- redelijk en billijk.

De rechtbank acht de verdachte samen met zijn mededaders verantwoordelijk voor de geleden schade.

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 8.845,98.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 13 februari 2018 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 8.845,98, hoofdelijk, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] .

De rechtbank ziet in de leeftijd van de verdachte en de hoogte van het te betalen bedrag onvoldoende reden voor nihilstelling van het aantal dagen vervangende jeugddetentie.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem bij dagvaarding primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 120 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 64 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1

Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in

artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de (jeugd)reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal

het einde van de proeftijd) en op door de (jeugd)reclassering te bepalen tijdstippen zal

melden bij de (jeugd)reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk

acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen,

zoeken of hebben met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 2004, wonende te [adres 2]

, zo lang de (jeugd)reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling (PMT) zal stellen van De Waag of een

soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te

geven;

- gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk hoofdelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde], een bedrag van € 8.845,98, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 8.845,98, hoofdelijk, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf

13 februari 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Kramer, kinderrechter, voorzitter,

mr. D.G.J. Dop, kinderrechter,

en mr. M.C. Bruining, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van de Districtsrecherche Den Haag-West, als bijlagen opgenomen bij het dossier met de naam [naam 4] en het nummer 2018037694 DH2R018010, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 473.

2 Proces-verbaal van aangifte van verhoor [benadeelde] , p. 363-365.

3 Geneeskundige verklaring [benadeelde] , opgesteld en ondertekend door dr. [naam 5] , Kaakchirurg Medisch Centrum Haaglanden d.d. 15 februari 2018, p. 374.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 236-237, met bijlagen, p. 238-244.

5 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 130-140 en proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 409-418, met bijlagen, 419-421 en p. 422- 423.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 september 2018.

7 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , p. 397-404, met bijlagen, p. 405-407.

8 Proces-verbaal minderjarige [medeverdachte 2] , p. 318-327, met bijlagen 328-330.

9 Proces-verbaal uitlezen mobiel toestel, p. 249-250, met bijlagen, 251-284, en proces-verbaal onderzoek inbeslaggenomen mobiele telefoon van de [medeverdachte 2] , p. 311-313.