Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12175

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
22-10-2018
Zaaknummer
NL18.16574
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan, ongeloofwaardig relaas, veiligheidssituatie, kennelijk ongegrond, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.16574


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 september 2018 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.16575, plaatsgevonden op 28 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.A. Koen, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Mehrian. Verder was aanwezig A. Kriekaard van stichting Nidos. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 1 oktober 2018 heeft verweerder schriftelijk gereageerd op de door eiser ingebrachte brief van UNHCR van 27 september 2018. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum 1] . Op 30 maart 2018 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is geboren in Iran en heeft daar tot zijn vertrek naar Nederland gewoond. De vader van eiser had in Afghanistan veel vijanden, vanwege zijn streng religieuze (sjiitische) achtergrond. Om die reden is de vader, nog voordat eiser werd geboren, naar Iran gevlucht. Eisers broer is vier jaar geleden – na twintig jaar verblijf in Iran – gedeporteerd naar Afghanistan en heeft daar problemen ondervonden met de vijanden van zijn vader. Daarna hebben de ouders van eisers ook dreigtelefoontjes ontvangen. Eiser vreest bij terugkeer naar Afghanistan voor de vijanden van zijn vader. Verder stelt hij dat hij niet naar Afghanistan kan vanwege de algemene veiligheidssituatie.

  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft allereerst vastgesteld dat eiser eerder in Finland, Zweden, Duitsland en Frankrijk asielaanvragen heeft ingediend en in al die landen andere geboortedata heeft opgegeven. Dit betekent dat eiser valse persoonsgegevens heeft verstrekt en dat doet op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas, aldus verweerder. Eiser wordt wel gevolgd in zijn nationaliteit. Verweerder acht eisers verklaringen over de problemen van zijn vader en broer in Afghanistan niet geloofwaardig.

  3. Eiser heeft in beroep betoogd dat hij tijdens het nader gehoor onder druk is gezet door de contactambtenaar en stelt dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Ter onderbouwing heeft eiser een e-mail van de bij het gehoor aanwezige medewerker van Nidos overgelegd. Ook doet hij onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, een beroep op het gelijkheidsbeginsel.1 Eiser heeft verder gemotiveerd betwist dat zijn verklaringen over de problemen van zijn vader en broer niet geloofwaardig zijn. Verder stelt eiser te vrezen voor rekrutering, dat hij behoort tot een risicogroep dan wel kwetsbare minderheidsgroep en dat hem ten onrechte een vestigingsalternatief in Kaboel is tegengeworpen. Tot slot heeft eiser een brief van UNHCR van 27 september 2018 overgelegd, waarin wordt gereageerd op het bestreden besluit.
    Met betrekking tot de afwijzing als kennelijk ongegrond, heeft eiser betoogd dat verweerder niet gemotiveerd heeft gereageerd op zijn zienswijze met betrekking tot de verschillende geboortedata.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen van zijn vader en broer niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft hiertoe van belang mogen achten dat eiser zeer vaag en summier heeft verklaard over de problemen van zijn vader: hij kan niet aangeven wie de vijanden precies waren en waarom zij problemen hadden met zijn vader. Nu eiser in Nederland asiel aanvraagt vanwege de problemen van zijn vader, mag van hem verwacht worden dat hij daar meer over kan verklaren dan dat hij nu heeft gedaan. Dat eiser nog jong was en dat zijn vader al jaren niet meer bij het gezin woonde, maakt dat niet anders. Ook de verklaringen van eiser over de problemen die zijn broer heeft ondervonden in Afghanistan, heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Daartoe heeft verweerder met name van belang mogen achten dat niet valt in te zien dat de broer naar het herkomstgebied van zijn vader is gegaan en zich daar bekend heeft gemaakt. Verder heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de vijanden van zijn vader 20 jaar later nog steeds wraak zouden willen nemen op eisers vader en diens kinderen.

5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij tijdens het nader gehoor onder druk is gezet. De medewerker van Nidos die bij het nader gehoor aanwezig was, heeft aan het einde van dat gehoor gezegd dat zij ‘denkt dat alles boven water gekomen is’ en de ambtenaar bedankt voor haar moeite. In de in beroep overgelegde e-mail stelt deze medewerker van Nidos nogmaals dat het verhaal van eiser naar haar idee helder op papier gekomen is. Nu eiser in beroep ook niet heeft verduidelijkt wat hij nog meer of anders naar voren had willen brengen tijdens het gehoor, kan deze beroepsgrond nergens toe leiden.
De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, waar eiser naar heeft verwezen, gaat over gezinsleden die door verschillende ambtenaren zijn gehoord. Daardoor waren er tegenstrijdigheden in hun verklaringen ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van vergelijkbare gevallen en faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

6. Ten aanzien van de gestelde vrees voor rekrutering, heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat eiser dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Uit het door eiser genoemde rapport van Asylos van augustus 2017, volgt dat onder meer mannen van de “fighting age” die in gebieden wonen die onder controle staan van anti-overheidsgroepen, afhankelijk van individuele omstandigheden, internationale bescherming nodig kunnen hebben op grond van hun lidmaatschap van een bepaalde sociale groep. Dat eiser een jonge man is die tot de Hazara’s behoort en geen sociaal netwerk heeft in Afghanistan, is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende voor het aannemen van dergelijke individuele omstandigheden. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de jurisprudentie van de Afdeling.2

7. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep of risicogroep en dat hem daarom geen vlucht- of vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft terecht overwogen dat, nu eiser nooit in Afghanistan heeft verbleven, er niet getoetst kan worden aan een herkomstgebied. Het staat eiser vrij om zich te vestigen in een gebied waar zijn bevolkingsgroep een meerderheid vormt. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat eiser zich in ieder geval kan vestigen in Kaboel, omdat de etnische samenstelling van de bevolking daar zeer divers is. Van het tegenwerpen van een vlucht- of vestigingsalternatief is echter geen sprake. De beroepsgrond faalt en ook het betoog over Kaboel als vestigingsalternatief in de brief van UNHCR van 27 september 2018 treft geen doel.

8. In de brief van UNHCR is verder verwezen naar informatie over de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan: het thematisch ambtsbericht veiligheidssituatie Afghanistan van mei 2018, de “August 2018 Afghan Eligibility Guidelines” van UNHCR en de landenrapportage 2017/2018 van Amnesty International. Voor zover eiser hiermee heeft betoogd dat er in Afghanistan sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw, overweegt de rechtbank als volgt.
De Afdeling heeft op 21 maart 2018 geoordeeld dat hoewel de veiligheidssituatie in sommige delen van Afghanistan zorgelijk is, er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie.3 Verder heeft de Afdeling op 1 oktober 2018 geoordeeld dat het thematisch ambtsbericht geen aanleiding geeft voor een ander oordeel.4 Ten aanzien van de informatie van UNHCR en Amnesty International stelt de rechtbank vast dat daaruit geen ander beeld naar voren komt over de veiligheidssituatie in Afghanistan, zodat ook hierin geen aanleiding wordt gezien om tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling. De beroepsgrond faalt.

9. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij valse persoonsgegevens heeft verstrekt door in verschillende landen verschillende geboortedata op te geven ( [geboortedatum 2] , [geboortedatum 3] , [geboortedatum 4] en [geboortedatum 5] ), nog afgezien van de in Nederland opgegeven datum [geboortedatum 1] . Tijdens het eerste gehoor heeft eiser verklaard dat hij zelf zijn geboortedatum niet wist en dat er in ieder land aan de hand van zijn gezicht een leeftijd werd vastgesteld. Daarvan heeft verweerder terecht opgemerkt dat het niet mogelijk is om aan de hand van een dergelijke schouw een exacte geboortedag en –maand vast te stellen. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij in Zweden op de hoogte is gebracht van zijn exacte geboortedatum, zodat niet valt in te zien dat hij daarna in Duitsland en Frankrijk nog andere data heeft opgegeven. In de zienswijze heeft eiser slechts herhaald wat hij reeds tijdens de gehoren naar voren heeft gebracht, zodat verweerder in het bestreden besluit kon volstaan met een verwijzing naar het voornemen. De beroepsgrond faalt. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Uitspraak van 29 mei 2018, zaaknummers NL17.3910, NL17.3911 en NL17.3912, niet gepubliceerd

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie de uitspraken van 20 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2731, van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1413, en van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:69.

3 ECLI:NL:RVS:2018:915

4 ECLI:NL:RVS:2018:3176