Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12164

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
NL18.16542
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende asielaanvraag. Kameroense. Gestelde inzet voor Engelstalig Zuid-Kameroen. Relevante nieuwe elementen of bevindingen. Artikel 15c Definitierichtlijn. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.16542


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Langenberg),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 27 september 2018 met zaaknummer NL18.16543 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat eiser de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten onder gebruikmaking van de rechten die voortvloeien uit de Richtlijn 2003/9/EG (Opvangrichtlijn).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Kameroense nationaliteit. Tijdens een eerder verblijf in Nederland in de periode 2005 tot 2012 heeft hij vijfmaal zonder succes asiel aangevraagd. In 2012 is eiser uitgezet naar Kameroen. In 2016 is hij Nederland weer ingereisd. Toen is de behandeling van zijn laatstelijk voor vertrek ingediende asielaanvraag voortgezet. Deze aanvraag, en een daarop volgende asielaanvraag, zijn wederom afgewezen.

2. In deze zaak gaat het om eisers opvolgende asielaanvraag van 26 juni 2018. Dit betreft de derde asielaanvraag sinds eisers terugkeer naar Nederland van de in totaal zeven asielaanvragen die eiser in Nederland heeft ingediend.

3. Eiser legt aan deze aanvraag ten grondslag dat alsnog geloofwaardig moet worden geacht dat hij in Kameroen te vrezen heeft voor de autoriteiten vanwege zijn inzet voor een onafhankelijk Engelstalig Zuid-Kameroen. Dit onderbouwt eiser met een notariële akte van 23 mei 2018 waarin verklaringen van zijn echtgenote en kinderen zijn neergelegd, een brief van de Kameroense advocaat en mensenrechtenactivist Nkongho Felix Agbor-Balla van 1 juni 2018, een brief van het ‘Southern Cameroons National Council Holland Branch’ (SCNC) van 5 juni 2018, een brief van advocaat Ebah Ntoko van 6 augustus 2018 en een arrestatiebevel uit januari 2018. Daarnaast stelt eiser dat de algemene veiligheidssituatie in Kameroen is verslechterd, zodanig dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn). Ter onderbouwing van die stelling heeft eiser diverse foto’s overgelegd en landeninformatie die is verzameld door Vluchtelingenwerk Nederland op 15 juli 2018. Ook stelt eiser dat zijn gezin in Kameroen is bedreigd en dat zijn broer en zus politiek asiel hebben gekregen in respectievelijk Canada en het Verenigd Koninkrijk. Ten slotte heeft eiser een brief overgelegd van zijn Nederlandse kennis [naam 2] van oktober 2018.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 wegens het ontbreken van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Eiser voert aan dat hij ten onrechte op de luchthaven Schiphol is staande gehouden, nu hij met een visum in de hand op reis was naar Panama. De rechtbank stelt vast dat, wat hier ook van zij, deze stelling geen raakvlak heeft met de gronden waarop het bestreden besluit rust. Deze kwestie is dan ook niet van belang voor de beoordeling van het beroep.

6. Verder voert eiser aan dat de aanvraag door verweerder ten onrechte wordt gezien als de zevende opvolgende asielaanvraag, nu hij tussentijds is uitgezet naar zijn land van herkomst. De rechtbank laat in het midden of eiser in deze stelling moet worden gevolgd. Vast staat dat na de tweede komst naar Nederland meerdere asielaanvragen van eiser zijn afgewezen, waarbij hij zich steeds heeft beroepen op zijn gestelde inzet voor het Engelstalige Zuid-Kameroen. Verweerder heeft daarom terecht beoordeeld of eiser relevante nieuwe elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht ten opzichte van zijn vorige asielaanvraag. De afwijzing daarvan is in rechte vast komen te staan met de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 februari 2018 (zaaknummer NL17.15559, niet gepubliceerd) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 maart 2018 (zaaknummer 201801629/1/V2, niet gepubliceerd).

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Verweerder heeft over de door eiser overgelegde brieven terecht overwogen dat deze op verzoek van hemzelf zijn opgemaakt en dat niet kan worden geverifieerd op basis van welke bronnen deze tot stand zijn gekomen. De met stukken onderbouwde stelling dat de auteurs van deze brieven in Kameroen als betrouwbaar bekend staan, maakt dat niet anders. Ten aanzien van het arrestatiebevel is terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij dit niet eerder heeft kunnen overleggen en dat daaruit niet is op te maken op grond van welke gedragingen van eiser het is opgemaakt. Gelet hierop, en op het feit dat het bij uitstek in het geval van een opvolgende asielaanvraag op de weg van de vreemdeling ligt om het asielrelaas aannemelijk te maken, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om nader onderzoek te doen.

8. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat in Kameroen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie blijkt namelijk niet dat in Kameroen sprake is van willekeurig geweld zoals bedoeld in dit artikel. Wel blijkt van geweld dat gericht is op degenen die zich uiten als voorvechters van een onafhankelijk Engelstalig Zuid-Kameroen (Ambazonië), maar uit het voorgaande is al gebleken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk op die grond in Kameroen te vrezen heeft.

9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren vanwege het gebrek aan relevante nieuwe elementen of bevindingen. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.