Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:12159

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
AWB 18 / 3451
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeid als zelfstandige, langdurig ingezeten derdelander

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/3451

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

gemachtigde mr. A. Greve-Kortrijk,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 oktober 2018 (het bestreden besluit), waarbij het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft op 14 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft in Italië de status van langdurig ingezeten derdelander verkregen. Hij heeft in Nederland op 25 april 2016 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige bij de vennootschap onder firma (vof) [bedrijfsnaam] . Per 1 januari 2016 exploiteert eiser samen met drie medevennoten deze vof. Eisers aanvraag is afgewezen wegens onvoldoende bestaansmiddelen en zijn bezwaar daartegen is bij besluit van 23 september 2016 kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 december 20161 is het beroep van eiser ongegrond verklaard.

2. Op 14 februari 2017 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ bij dezelfde vof. Bij besluit van 24 juli 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 19 februari 2018 is eiser in bezwaar gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser ook in bezwaar niet heeft aangetoond dat hij aan de voorwaarden van de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat een zakelijke grondslag voor de vof ontbreekt en dat twijfel bestaat aan de houdbaarheid van de stelling dat eiser als zelfstandige werkzaam is. Daarnaast is geen duidelijkheid verschaft over de huidige financiële positie van de vof.

3. Op wat eiser hiertegen in beroep heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat een zakelijke grondslag voor de vof ontbreekt. Hieraan heeft verweerder ten eerste het volgende ten grondslag gelegd. Het door eiser overgelegde vennootschapscontract van 1 januari 2016, waarin onder meer de bevoegdheidsverdeling en de winstdeling tussen de vennoten is geregeld, is door alle vier vennoten ondertekend. Blijkens dit contact is de heer [naam 2] (hierna: vennoot 1) als enige vennoot volledig bevoegd voor de vof te handelen en te tekenen. Per allonge van november 2016, die slechts door eiser en vennoot 1 is ondertekend, is het vennootschapscontract gewijzigd. Eiser is naast vennoot 1 ook volledig bevoegd geworden voor de vof te handelen en de verdeling van de winstdelingspercentages is gewijzigd. Eisers winstaandeel is van 15% gewijzigd in 30% en die van vennoot 1 van 50% naar 35%. De verklaring van eiser voor het feit dat de allonge niet door de andere vennoten is ondertekend, namelijk dat de wijzigingen voor hen geen gevolgen hebben, heeft verweerder terecht niet toereikend geacht. Nu de vof-overeenkomst van 1 januari 2016 door de vier vennoten is ondertekend, dienen ook alle wijzigingen in deze overeenkomst door alle vennoten te worden ondertekend. Verweerder heeft daarnaast eiser terecht tegengeworpen dat hij geen goede verklaring heeft gegeven voor het feit dat alle zakelijke stukken (zoals de huurovereenkomst en bankafschriften) alleen de naam van vennoot 1 vermelden.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder genoegzaam onderbouwd dat er twijfel bestaat aan de stelling van eiser dat hij arbeid als zelfstandige verricht. Hierbij heeft verweerder terecht verwezen naar de verklaringen van eiser tijdens de hoorzitting op 19 februari 2018, waarbij tevens vennoot 1 aanwezig was. Zo heeft eiser desgevraagd geantwoord dat hij de manager is van vennoot 1 en dat er zonder de goedkeuring van vennoot 1 geen belangrijke beslissingen worden genomen. Daarnaast is gebleken dat vennoot 1 alle betalingen doet, zelfs de privé-opnamen van de andere vennoten. De toedeling van bevoegdheden aan eiser per allonge van november 2016 zijn alleen op papier gedaan. Eiser heeft immers geen enkel voorbeeld gegeven waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de aan hem toekomende bevoegdheden.

6. Reeds gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. De eerst in beroep door eiser overgelegde recente financiële stukken van de vof over het jaar 2017, heeft verweerder in zijn verweerschrift dan ook buiten beschouwing kunnen laten.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op:

1 ECLI:NL:RBZWB:2016:8420